<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>305245_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Nederlek 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nederlek</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-10-08</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nederlek Nieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2013-09-24</dcterms:issued><dcterms:alternative>Erfgoedverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet en de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </dcterms:source><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>NE13/03401</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>erfgoedverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen. </al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De regeling komt in de plaats van de Monumentenverordening Nederlek 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><structuurtekst><al>ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE Nederlek 2013</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a.gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd</al><al>gemeentelijk monument aangewezen:</al><al>1.zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap</al><al>of cultuurhistorische waarde;</al><lijst><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al><lijst><li nr="b."><al>gemeentelijk dorpsgezicht: de overeenkomstig deze verordening als beschermd</al></li></lijst></li></lijst><al>gemeentelijk dorpsgezicht aangewezen groepen van onroerende zaken die van</al><al>gemeentelijk belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijk of structurele</al><al>samenhang danwel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke</al><al>groepen zich één of meer beschermde of gemeentelijke monumenten bevinden.</al><al>c.gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze</al><al>verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in</al><al>onderdeel a;</al><al>d.beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>e.monumentencommissie: de op basis van art.15, ingestelde commissie met als taak het</al><al>college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de</al><al>Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en</al><al>het monumentenbeleid;</al><al>f.gemeentelijke archeologische verwachtingskaart topografische kaart van het gemeentelijke</al><al>grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en</al><al>archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al><al>g.landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke kaart met een schaal</al><al>van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de</al><al>aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in</al><al>hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al><al>h.provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het</al><al>provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden</al><al>zijn aangegeven;</al><al>i.archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische</al><al>verwachtingskaart waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten</al><al>of sporen te verwachten zijn;</al><al>j.gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart: een door de gemeenteraad vastgestelde</al><al>kaart waarop de archeologische waardevolle terreinen en onderzoeksgebieden aangegeven,</al><al>alsmede het vrijstellingsbeleid voor de archeologische onderzoeksplicht.</al><al>k.zeer hoge archeologische verwachting: zeer grote kans op archeologische vondsten of</al><al>informatie;</al><lijst><li nr="l."><al>hoge archeologische verwachting: grote kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="m."><al>middelhoge verwachting: middelhoge kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="n."><al>lage archeologische verwachting: kleine kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="o."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals</al></li></lijst><al>omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;</al><al>p.programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee</al><al>kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al><al>q.bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen</al><al>omgevingsrecht;</al><lijst><li nr="r."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek;</al></li><li nr="s."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de</al></li></lijst><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><lijst><li nr="t."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="u."><al>WAN: Werkgroep Archeologie Nederlek.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het</al><al>monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al>1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen</al><al>als gemeentelijk monument.</al><al>2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de</al><al>monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege</al><al>blijven.</al><al>3.Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in</al><al>overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk</al><al>monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al><al>4.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de</al><al>Monumentenwet 1988;</al><al>5.Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat</al><al>bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het</al><al>voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de</al><al>aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument</al><al>niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>1.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het</al><al>verzoek van het college.</al><al>2.Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de</al><al>monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk</al><al>gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de</al></li></lijst><al>aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing</al></li></lijst><al>op het wijzigingsbesluit.</al><al>3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft</al><al>overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.</al><al>4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>aangetekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3</al><al>van de Monumentenwet 1988.</al><al>3.De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te</al><al>beschadigen of te vernielen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te</al></li></lijst></li></lijst><al>verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al><al>b.een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, te herstellen, te</al><al>gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al><al>3.Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 1, is niet vereist</al><al>indien deze activiteit betrekking heeft op:</al><al>a.gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en</al><al>kleur niet wijzigen, en bij een tuin, park, of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of;</al><al>b.een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het</al><al>monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.</al><al>4.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college</al><al>nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden</al><al>uitgevoerd.</al><al>5.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze</al><al>bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de</al><al>eigenaar indien en voorzover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de</al><al>godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in</al><al>artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om</al><al>vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie voor advies.</al><al>2.Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de</al><al>monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich</al><al>daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het</al><al>monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat</al></li></lijst><al>het belang van het monument zwaarder dient te wegen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>De aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het advies aan de</al></li></lijst><al>monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege</al><al>blijven.</al><al>3.Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk</al><al>dorpsgezicht.</al><al>4.De aanwijzing kan geen dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van</al><al>de Monumentenwet 1988.</al><al>5.De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het</al><al>verzoek van het college.</al><al>6.Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de</al><al>monumentencommissie, maar in elk geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag.</al><al>7.Het college van burgemeester en wethouders registreert het gemeentelijke dorpsgezicht op de</al><al>lijst van gemeentelijke dorpsgezichten.</al><al>8.De lijst van gemeentelijke dorpsgezichten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van</al><al>aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het gemeentelijke dorpsgezicht en een beschrijving van</al><al>de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De Wijziging en intrekking van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 8 en 9 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat aan artikel 9,</al><al>tweede lid, nog wordt toegevoegd artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Beschermend bestemmingsplan</titel></kop><al>1.De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een gemeentelijk dorpsgezicht een</al><al>bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al><al>2.Bij een besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht wordt door het college</al><al>bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het</al><al>eerste lid kunnen worden aangemerkt.</al><al>3.Alvorens burgemeester en wethouders de gemeenteraad terzake een voorstel doen, wordt de</al><al>monumentencommissie gehoord.</al><al>4.De monumentencommissie adviseert binnen veertien weken na ontvangst van het verzoek van</al><al>het college van burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vergunning</titel></kop><al>1.In gemeentelijke dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te</al><al>breken zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al><al>2.Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een aanschrijving van het</al><al>bevoegd gezag.</al><al>3.Op het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid zijn, totdat een beschermend</al><al>bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, de artikelen 11 tot en met 14 van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>4.Wanneer in een beschermend bestemmingsplan in de planregels een specifiekere regeling is</al><al>opgenomen dan in de regels van deze Erfgoedverordening, dan hebben die regels voorrang</al><al>boven die van deze Erfgoedverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>BESCHERMDE MONUMENTEN (RIJKSMONUMENTEN)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument (rijksmonument)</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om</al><al>vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie.</al><al>2.De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de</al><al>datum van verzending van het afschrift.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>1.Het is verboden om in een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder i, de</al><al>bodem dieper dan 30 cm beneden maaiveld en een plangebied groter dan 100 m² onder de</al><al>oppervlakte te verstoren.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is, op grond van deze verordening, niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft in een vrijgesteld gebied danwel een verstoring betreft</al></li></lijst></li></lijst><al>van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als</al><al>aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart, en waarbij die</al><al>verstoring plaatsvindt:</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie AW1; hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een plangebied groter dan 100 m²;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categarie AW2; hiervoor geldt een onderzoekseis bij coupures/dijkdoorsnijdingen naar de opbouw van de dijk;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW1;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 100 m² of;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW2;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 1.000 m² of;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW3;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 2 m –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 1.000 m² of;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW4;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 2 m –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 2.500 m²;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW5;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 4 m –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 1.000 m²;</al><al> in een gebied met een te verwachten archeologische waarde categorie VAW6;</al><al>hiervoor geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 3 m –Mv en een</al><al>plangebied groter dan 5.000 m²;</al><al>b.in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische</al><al>monumentenzorg.</al><al>c.sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12 eerste en tweede lid, van de Wet</al><al>algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent</al><al>archeologische monumentenzorg;</al><al>d.het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die</al><al>leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch</al><al>verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart of de</al><al>gemeentelijke beleidskaart;</al><al>e.een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein</al><al>naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit</al><al>blijkt dat:</al><al>• het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan</al><al>worden geborgd; of</al><al>• de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden</al><al>geschaad; of</al><al>• in het geheel geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Nederlek onderzoek wordt uitgevoerd in het</al><al>kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient,</al><al>onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al><al>a.het college een programma van eisen vast te laten stellen als bedoeld in artikel 1 onder p,</al><al>waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al><lijst><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder o van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al><lijst><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de</al></li></lijst></li></lijst><al>feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van</al><al>het college in acht te worden genomen.</al><al>3.Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele</al><al>nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven</al><al>in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen</al><al>uit artikel 20, tweede lid, onder e, en artikel 21, eerste lid, onder b, met dien verstande dat voor “monumentencommissie” de “Omgevingsdienst Midden-Holland” wordt gelezen. Het bevoegd gezag ziet er op toe dat de Omgevingsdienst Midden-Holland de WAN betrekt bij de advisering over archeologische onderzoeken. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>1.Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze</al><al>niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn</al><al>aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat</al><al>tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="b."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10, artikel 18, met uitzondering van het</al><al>bepaalde in het tweede lid, onder e, en artikel 20 van deze verordening, wordt gestraft met een</al><al>geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening</al><al>belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Nederlek d.d. 30 mei 1991, laatstelijk gewijzigd vastgesteld op 2</al><al>maart 2006, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening</al><al>worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 26 ingetrokken verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treeft in werking op de dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening Gemeente Nederlek 2013”.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Nederlek, gehouden op 24 september 2013,</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="35*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="65*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>de voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>de voorzitter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>T.B.W.M. van der Torre </al></entry><entry colname="col2"><al>B.F.A. van der Kluit-De Groot</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>