<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>299869_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Raadsbesluit tijdelijke regels aanscherping Wet Werk en Bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Menterwolde</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-07-08</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Tussenklappen</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_13-06-2013">artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8/geldigheidsdatum_13-06-2013">artikel 8, van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2012-02-23</dcterms:issued></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe wetgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit tijdelijke regels aanscherping Wet Werk en Bijstand</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al> No.: 4c/2.</al><al></al><al> De raad van de gemeente Menterwolde;</al><al> gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al> gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8, van de
                        Wet werk en bijstand;</al><al> overwegende, dat intrekking van de Wet investeren in jongeren en wijziging
                        van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012 het noodzakelijk maakt om de
                        verordeningen die hun grondslag vinden in laatstgenoemde wet aan te passen
                        en voorts dat het gewenst wordt geacht het bestaande gemeentelijk beleid als
                        vastgelegd in deze verordeningen zoveel mogelijk in stand te laten, in
                        afwachting van toekomstige wetgeving die de gemeentelijke sociale zekerheid
                        betreft;</al><al> B E S L U I T :</al><al> vast te stellen het:</al><al> RAADSBESLUIT TIJDELIJKE REGELS AANSCHERPING WET WERK EN BIJSTAND</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Wijziging Re-integratieverordening WWB</titel></kop><al> De Re-integratieverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><al> Artikel 14 Overgangsbepalingen 2004-2005 vervalt.</al><lijst><li nr="A."><al>Voor artikel 15 met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuw artikel
                        ingevoegd die luidt als volgt:</al><al> Artikel 14: Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en
                        intrekking van de WIJ per 1 januari 2012.</al><al> Hierbij worden de volgende sub artikelen ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 14 a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging betekenis
                        begrippen.</al><al> Artikel 14 a luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande
                        ouder’, ‘gezin’, ‘bijstandsgerechtigde’ en úitkeringsgerechtigde’ worden
                        gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel
                        4 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken van ‘gehuwde(n)’ of
                        ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis
                        als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in
                        artikel 21 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="C."><al>Artikel 14 b wordt ingevoegd met als opschrift: Afwijkende bepalingen
                        voor jongeren.</al><al> Artikel14 b luidt als volgt:</al><al> In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de volgende
                        voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet
                        worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van belanghebbenden jonger dan 27
                        jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                        wet;</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, tweede lid van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Wijziging Toeslagenverordening WWB</titel></kop><al> De Toeslagenverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>Voor de paragraaf met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuwe
                        paragraaf ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met de
                        wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012. In die
                        paragraaf worden de hierna volgende artikelen ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 6 a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging betekenis
                        begrippen.</al><al> Artikel 6a luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande
                        ouder’ en ‘gehuwden’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012
                        dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                        ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis
                        als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in
                        artikel 21, lid 1 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="C."><al>Artikel 6 b wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging
                        verwijzingen</al><al> Artikel 6 b luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel a,
                        van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                        artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel b,
                        van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                        artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet.</al></li><li nr="3."><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c,
                        van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden gelezen:
                        artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="D."><al>Artikel 6c wordt ingevoegd met als opschrift: Intrekking WIJ</al><al> Artikel6.c luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 3 lid 4 zijn de bepalingen van deze verordening
                        vanaf 1 januari 2012 evenzo van toepassing op personen van 21 jaar of ouder
                        doch jonger dan 27 jaar.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 6 lid 1 wordt aan een alleenstaande van 21 jaar
                        een toeslag toegekend van 5% in verband met het niet of niet geheel kunnen
                        delen van kosten, bedoeld in artikel 25, van de wet.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel6 lid 2 wordt aan een alleenstaande van 22 jaar
                        een toeslag toegekend van 10% in verband met het niet of niet geheel kunnen
                        delen van kosten, bedoeld in artikel 25, van de wet.</al></li><li nr="4."><al>Aan het bepaalde in het tweede en derde lid wordt geen toepassing
                        gegeven in de pe-riode dat een verlaging in verband met schoolverlating
                        wordt toegepast als bedoeld in artikel 28, van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Wijziging Afstemmingsverordening WWB</titel></kop><al> De Afstemmingsverordening WWB wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>In paragraaf 1 wordt toegevoegd aan de definitiebepaling van de bijstand
                        de groep gerechtigden van 65 jaar en ouder en de groep jongeren tussen 18
                        t/m 21 jaar die luidt als volgt:</al><al> Alsmede de periodieke bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor
                        personen van 65 jaar en ouder.</al></li><li nr="B."><al>Voor de paragraaf met de titel ‘Slotbepalingen’ wordt een nieuwe
                        paragraaf ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met de
                        wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012. In die
                        paragraaf worden de hierna volgende artikelen ingevoegd.</al></li><li nr="C."><al>Artikel 2 lid 3 A wordt ingevoegd met als opschrift: Onvoldoende
                        meewerken aan plan van aanpak</al><al> Artikel 2 lid 3 A luidt als volgt:</al><al> Onder ‘gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren’ of
                        onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                        arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie,
                        als bedoeld in artikel 1 sub e, wordt vanaf 1 januari 2012 mede verstaan:
                        het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van
                        een plan van aanpak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Wijziging verordening Langdurigheidstoeslag</titel></kop><al> De Verordening langdurigheidstoeslag wordt als volgt gewijzigd:</al><lijst><li nr="A."><al>Voor de paragraaf met de titel ‘Slotbepalingen wordt een nieuwe
                        paragraaf ingevoegd die luidt als volgt: Regelingen in verband met de
                        wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012. In die
                        paragraaf worden de hierna volgende artikelen ingevoegd.</al></li><li nr="B."><al>Artikel 3.6 wordt ingevoegd met als opschrift: Uitsluiting
                        gezinsleden</al><al> Artikel 3.6 luidt als volgt:</al><al> Indien één van de gezinsleden op de peildatum is uitgesloten van het recht
                        op langdurigheidstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de
                        wet, waardoor slechts één van de gezinsleden recht op langdurigheidstoeslag heeft, komt dit
                        gezinslid in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                        alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding en geldingsduur</titel></kop><al> Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Muntendam, 23 februari 2012.</al><al> De raad voornoemd,</al><al> De voorzitter, (E.A. van Zuijlen) </al><al> De griffier, (F.A.P. Grit)</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al> - Art. 36, zesde lid WWBAchtergrond</al><al> Op 1 januari 2012 treedt de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ (kortweg: Wet Aanscherping WWB)
                    in werking.</al><al> Uitgangspunten van deze wetswijziging zijn:</al><al> - Grotere nadruk op eigen verantwoordelijkheid burger in de voorziening in het
                    bestaan;</al><al> - Versterking van het activerende karakter en de vangnetfunctie van de Wet werk
                    en bijstand (WWB);</al><al> - Aanscherping van de verplichtingen voor bijstandsgerechtigden;</al><al> - Beperking van de doelgroep voor het gemeentelijk minimabeleid.</al><al> Deze uitgangspunten leiden ertoe dat het wettelijk bijstandsregime substantieel
                    van inhoud verandert. Zo gaat voor jongeren een wettelijke zoektijd van vier
                    weken gelden en hebben zij, anders dan onder het regime van de Wet investeren in
                    jongeren (WIJ), geen recht meer hebben op een werkleeraanbod, maar op
                    begeleiding bij de vormgeving van hun eigen verantwoordelijkheid op weg naar
                    economische zelfstandigheid.</al><al> Een belangrijke wijziging in de regelgeving betreft voorts het afschaffen van
                    de bijstand voor inwonende meerderjarige kinderen en ouders en de creatie van
                    een toets op het huishoudinkomen. Voorts worden enkele nieuwe verplichtingen in
                    de WWB opgenomen en wordt de doelgroep voor het minimabeleid beperkt tot de
                    groep minima met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Daarnaast is een
                    verordeningsplicht gecreëerd voor de maatschappelijke participatie van kinderen. </al><al> Consequenties voor gemeentelijk beleid</al><al> Mede vanwege intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 hebben de genoemde
                    ontwikkelingen aanzienlijke consequenties voor het gemeentelijk beleid. Deze
                    consequenties kunnen als volgt worden gecategoriseerd:</al><al> - De WIJ-verordeningen vervallen per 1 januari 2012 (1). Doordat de WIJ wordt
                    ingetrokken, vervallen de daarop gebaseerde verordeningen eveneens per 1 januari
                    2012 . Jongeren vallen door de wetswijziging voortaan onder het WWB-regime
                    (overgangssituaties daargelaten). Dit roept de vraag op of de huidige
                    WWB-verordeningen adequaat voorzien in het regeltechnisch kader voor jongeren,
                    of dat in die verordeningen nog aanpassingen nodig zijn. Dit is een vraag van
                    regeltechnische maar ook van beleidsin-houdelijke aard;</al><al> - Door herdefiniëring van de leefvormen die als afzonderlijk bijstandssubject
                    voor bijstand in aanmerking komen alsmede de totstandkoming van de huishoudtoets
                    wordt de kring van rechthebbenden kleiner, hebben meerderjarige kinderen en
                    ouders nog slechts gezamenlijk recht op bijstand en treffen misdragingen van
                    deze belanghebbenden het gezamenlijk inkomen. Dit heeft gevolgen voor het
                    gemeentelijk toeslagenbeleid, het maatregelenbeleid en het minimabeleid en roept
                    de vraag op welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst
                    zijn;</al><al> - De nieuwe verplichtingen voor bijstandsgerechtigden hebben gevolgen voor het
                    maatregelenbeleid en het re-integratiebeleid en roepen evenzeer de vraag op
                    welke aanpassingen aan de verordeningen noodzakelijk en/of gewenst zijn;</al><al> - De normering van gemeentelijk minimabeleid tot maximaal 110% van de
                    bijstandsnorm kan gevolgen hebben voor de doelgroepomschrijving in de
                    verordening langdu-righeidstoeslag De normering kan tevens consequenties hebben
                    voor andere delen van het minimabeleid.</al><al> Waarom een Raadsbesluit met tijdelijke regels?</al><al> De wetswijziging leidt, zoals gezegd, tot de noodzaak om het gemeentelijk
                    beleid op tal van terreinen te heroverwegen. Gelet op de zeer korte
                    invoeringstermijn is het echter uitermate lastig om reeds voor 1 januari 2012
                    dit indringende heroverwegingsproces adequaat te hebben afgerond én vormgegeven.
                    Daarbij komt dat de aanscherping van de WWB per 1 januari 2012 niet op zichzelf
                    staat maar een stap is in een proces dat in 2012 vermoedelijk tot nog een aantal
                    wijzigingen in de WWB zal leiden die nopen tot wijziging van het gemeentelijk
                    beleid. Gedacht moet ondermeer worden aan het wetsvoorstel ‘Toevoeging van de
                    eis tot beheersing van de Nederlandse taal aan de Wet werk en bijstand’ (w.o. 32
                    328’), de plannen van het kabinet betreffende “Aanpak fraude”
                    (Handhavingsprogramma 2011-2014) en uiteraard de Wet werken naar vermogen.</al><al> Mede gelet op de uitvoeringstechnische complicaties die kunnen optreden als op
                    beleidsmatig vlak keuzes worden gemaakt die tot aanpassingen in de
                    uitvoeringspraktijk leiden, is een keus om de overgang naar de nieuwe WWB per
                    2012 zoveel mogelijk ‘beleids- en uitvoeringsarm’ te laten plaatsvinden een
                    logische. Met ‘beleidsarm’ wordt bedoeld dat het huidige gemeentelijk beleid
                    zoveel mogelijk in stand wordt gelaten dan wel dat slechts het minimaal
                    noodzakelijke aan nieuw of gewijzigd beleid wordt vastgesteld. Een en ander in
                    afwachting van een diepgaander integrale heroverweging in 2012. Onder
                    ‘uitvoeringsarm‘ wordt verstaan dat daar waar noodzakelijke aanpassingen in het
                    beleid plaatsvinden, dit op de minst belastende wijze voor wat betreft de
                    uitvoering plaatsvindt. Bij deze uitgangspunten past dat thans niet alle
                    WWB-verordeningen separaat worden gewijzigd en in een bestuurlijk
                    wijzigingstraject worden geplaatst, maar dat slechts daar waar dat strikt
                    noodzakelijk is aanpassingen aan de verordeningen plaatsvinden die middels één
                    Raadsbesluit worden geëffectueerd. Met het thans voorliggende Raadsbesluit wordt
                    dat beoogd.</al><al> Wat is de status van het tijdelijk Raadsbesluit?</al><al> Het Raadsbesluit heeft formeel gezien het karakter van een
                    wijzigingsverordening, dwz. zij brengt met haar vaststelling door de
                    gemeenteraad een wijziging in de inhoud en betekenis van een aantal
                    verordeningen teweeg. Met de term ‘besluit’ wordt in dit Raadsbesluit overigens
                    niet gedoeld op het begrip ‘besluit’, bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Dit Raadsbesluit bevat algemeen verbindende voorschriften.</al><al> Het Raadsbesluit is tijdelijk van aard, dwz. gericht op het faciliteren van de
                    met de genoemde wetswijziging minimaal noodzakelijke aanpassingen in de
                    gemeentelijke verordeningen. De intentie is erop gericht om in 2012 het
                    gemeentelijk bijstandsbeleid integraal te heroverwegen. De verwachting is dat
                    dit in 2012 zal leiden tot een inhoudelijke aanpassing van de betreffende
                    verordeningen. In dit Raadsbesluit wordt geen gebruik gemaakt van een zgn.
                    ‘horizonbepaling’, die de duur van de verordening vaststelt op een concrete
                    periode (bijv. tot 1 januari 2013). De ontwikkelingen binnen de sociale
                    zekerheid zijn nog te ongewis om met zekerheid te kunnen vaststellen dat een
                    integrale heroverweging van het lokale sociale zekerheidsbeleid voor een
                    bepaalde datum is afgerond.</al><al></al><al> Bij de vormgeving van dit Raadsbesluit is ernaar gestreefd om zoveel mogelijk
                    recht te doen aan de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving van de
                    VNG.</al><al> Passend maken Raadsbesluit</al><al> Dit Raadsbesluit, als wijzigingsverordening, bevat een aantal bepalingen die in
                    zo algemeen mogelijke termen zijn opgesteld. Toch betekent dit niet dat ze
                    blindelings kunnen worden overgenomen. Op een aantal onderdelen zullen nog
                    keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes betreffen:</al><al> - De positionering van een aantal nieuwe artikelen in de diverse verordeningen.
                    Er is voor gekozen om in de betreffende verordeningen een nieuwe paragraaf toe
                    te voegen met een aantal artikelen en deze paragraaf te positioneren voorafgaand
                    aan de slotbepalingen. In het concrete geval moet dit in de te wijzigen
                    verordening passen;</al><al> - Bepalen van de noodzaak van de voorgestelde artikelen. Niet altijd zullen de
                    betreffende artikelen nodig zijn of niet geheel passend zijn voor de te wijzigen
                    verordening. Bij de artikelsgewijze toelichting zal dit nader worden
                    aangeduid;</al><al> - De gebruikte begrippen. Als in de te wijzigen verordening gebruik gemaakt
                    wordt van hoofdstukken, dan moet bijv. de term ‘paragraaf’ in de
                    wijzigingsverordening worden gewijzigd in ‘hoofdstuk’. Soms zal dit ook voor
                    andere termen gelden. Dit Raadsbesluit moet derhalve nog passend gemaakt worden
                    voor de concrete gemeentelijke situatie.</al><al></al><al> Gelijkstellingsbepaling</al><al> In dit Raadsbesluit wordt bij elke te wijzigen verordening een bepaling
                    voorgesteld die regelt dat de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’
                    en ‘gezin’ per 1 januari 2012 in die verordening dezelfde betekenis hebben als
                    in de gewijzigde WWB. Uit een oogpunt van duidelijkheid is dit opgenomen.
                    Vervolgens is bepaald dat voor ‘gehuwden’ en ‘gehuwdennorm’ moet worden gelezen
                    en ‘gezin’ resp. ‘gezinsnorm’, om daarmee te verduidelijken dat onder het nieuwe
                    regime niet meer de gehuwden maar het gezin de norm is waarmee gewerkt moet
                    worden.</al><al> Geen voorstel voor aanpassing Verordening Cliëntenparticipatie en
                    Handhavingsverordening </al><al> Hoewel het denkbaar is dat door intrekking van de WIJ ook de Verordening
                    Cliëntenparticipatie en de Handhavingsverordening worden geraakt, worden binnen
                    het kader van dit Raadsbesluit voor die verordeningen geen wijzigingsbesluiten
                    genomen. Voor de Verordening Cliëntenparticipatie geldt dat het intrekken van de
                    WIJ er op zichzelf niet toe leidt dat er een wijziging plaatsvindt in de wijze
                    waarop jongeren betrokken zijn bij de uitvoering van de wet en deelnemen aan
                    cliëntenparticipatie. Wel moeten er formeel gesproken enkele tekstuele
                    aanpassingen plaatsvinden, nu de WIJ per 1 januari 2012 ingetrokken wordt. Omdat
                    het belang daarvan gering is en de verordening weinig algemeen verbindend
                    voorschriften bevat maar meer het karakter van een interne reglementering heeft,
                    is het verantwoord om met aanpassing te wachten tot invoering van de Wet werken
                    naar vermogen, die ingrijpende consequenties kan hebben op het gemeentelijk
                    cliën-tenbestand.</al><al> Met betrekking tot de handhaving van de WIJ geldt dat er geen afwijkende
                    regeling gold ten opzichte van de handhaving van de WWB. Omdat er slechts enkele
                    algemeen verbindende voorschriften voorkomen en deze inhoudelijk geen wijziging
                    ondergaan als gevolg van intrekking van de WIJ, is het evenzeer verantwoord om
                    eerst in 2012 tot een herziening van de verordening over te gaan.</al><al></al><al> ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al> Artikel I. De Re-integratieverordening WWB</al><al> Onderdelen A en B</al><al> De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel.</al><al> Onderdeel C</al><al> In 2009 heeft de gemeenteraad de verordening Werkleeraanbod WIJ vastgesteld.
                    Daarmee is voldaan aan de wettelijke opdracht om, middels een verordening,
                    regels te stellen over de inhoud van het werkleeraanbod. Door het intrekken van
                    de WIJ zal daarmee van rechtswege tevens de verordening Werkleeraanbod WIJ komen
                    te vervallen. De verordening Werkleeraanbod WIJ heeft een andere inhoud dan de
                    Re-integratieverordening WWB. Enerzijds is dit veroorzaakt door het afdwingbare
                    recht op ondersteuning middels een werkleeraanbod, anderzijds door de beperking
                    van het aantal ‘incentives’ dat gemeenten konden verstrekken aan jongeren die
                    gingen werken. Daarnaast is in veel verordeningen Werkleeraanbod WIJ het beleid
                    m.b.t. de arbeidsinschakeling van jongeren opgenomen, of verwezen naar een
                    beleidsnota van de raad of het college waarin dit was opgenomen.</al><al> Bij een beleidsarme overgang moet minimaal worden geregeld dat voor jongeren
                    niet tot het re-integratie-instrumentarium behoren bij de volgende ‘incentives’:
                    inkomstenvrijlating, premies, vrijlating van onkostenvergoedingen voor
                    vrijwilligerswerk en plaatsing in participatieplaatsen (2). Dat is met artikel
                    II van dit Raadsbesluit beoogd. Verwezen is naar artikel 31, vijfde lid WWB. In
                    dat artikel wordt aangegeven welke middelen niet vrijgelaten worden bij de
                    verlening van algemene bijstand aan jongeren. Is er overigens thans niets
                    geregeld in de Re-integratieverordening WWB dan is het niet nodig deze bepaling
                    in het Raadsbesluit op te nemen. </al><al> Los van de ‘incentives’, zal het met betrekking tot het specifiek voor jongeren
                    opgestelde ge-meentelijk arbeidstoeleidingsbeleid meestal niet nodig zijn
                    daarover iets in de Re-integratieverordening WWB op te nemen. Weliswaar komen de
                    specifieke bepalingen in de verordening Werkleeraanbod WIJ die betrekking hebben
                    op het gemeentelijk arbeidstoeleidingsbeleid voor jongeren te vervallen en komt
                    de wettelijke grondslag van evt. -beleidsnota’s(3) met betrekking tot het
                    arbeidsmarktbeleid voor jongeren evenzeer te vervallen, die bepalingen en dat
                    beleid zijn in beginsel begunstigend van aard en daardoor als interne
                    gedragslijn ook vanaf 1 januari 2012 hanteerbaar. Mocht echter de –juridisch
                    terechte- wens bestaan om een wettelijke grondslag voor dit beleid te creëren,
                    dan dienen de betreffende bepalingen of beleidsnota’s als grondslag de WWB te
                    krijgen. Daartoe hoeft de Re-integratieverordening echter niet te worden
                    aangepast. Voldoende is, dat het betreffende beleid als beleid op grondslag van
                    de WWB wordt ‘omgenummerd’ en bepalingen uit de Verordening Werkleeraanbod WIJ
                    in dit beleid worden opgenomen.</al><al></al><al></al><al> Artikel II. De Toeslagenverordening WWB</al><al> Algemeen</al><al> Voor de systematiek van het toeslagen- en verlagingenmodel in de WWB geldt dat
                    dit ongewijzigd blijft. Zo blijft het een verplichting om een alleenwonende
                    alleenstaande bijstandsgerechtigde een maximale toeslag toe te kennen (art. 25,
                    eerste lid WWB )(4) en blijven de mogelijkheden om verlagingen vast te stellen
                    onaangetast. Niettemin leidt de wijziging van de begrippen met betrekking tot de
                    bijstandssubjecten en de invoering van de huishoudtoets ertoe dat een
                    beleidsmatige en wetstechnische heroverweging van het toeslagen- en
                    verlagingenbeleid op zijn plaats is. De beleidsmatige heroverweging kan evenwel
                    ook op een later tijdstip plaatsvinden en mocht de onverkorte toepassing van het
                    toeslagen- en verlagingenbeleid vanaf 1 januari 2012 in bepaalde gevallen
                    onredelijke uitkomsten geven, dan kan altijd, individualiserend, een hogere
                    toeslag worden verleend of afgezien van verlaging(5) . Wat wel wijzigt is de
                    doelgroep: door intrekken van de WIJ vallen jongeren voortaan onder de
                    Toeslagenverordening WWB. Zie onderdeel D.</al><al> Onderdelen A en B</al><al> De onderdelen A en B zijn reeds toegelicht in het algemene deel.</al><al> Onderdeel C</al><al> In verordeningen van een aantal gemeenten wordt voor het bepalen van de hoogte
                    van de toeslag verwezen naar de norm, bedoeld in (artikelnummer). Omdat de
                    wetswijziging ook leidt tot een herpositionering van de normen in de WWB, is
                    voorzien in een gelijkstellingsbepaling, zodat ondubbelzinnig duidelijk is welke
                    norm bedoeld wordt.</al><al> Onderdeel D</al><al> Dit onderdeel ziet specifiek op de gevolgen van de intrekking van de WIJ. Voor
                    jongeren geldt dat op grond van de WIJ genomen besluiten gelden als besluiten
                    genomen op grond van de WWB. Dat treft tevens de toeslagen en verlagingen die
                    binnen het kader van de WIJ zijn genomen. Deze worden vanaf 1 januari 2012
                    eveneens geacht ten titel van de WWB te zijn genomen. Voor de eerder
                    vastgestelde toeslagen en verlagingen op grond van de WIJ is geen specifiek
                    overgangsrecht bepaald. Wijkt de Toeslagenverordening WWB dus af van de
                    Toeslagenverordening WIJ, dan is het mogelijk dat per 1 januari 2012 de
                    uitkering van de jongere aangepast moet worden. De Toeslagenverordening WWB
                    geldt vanaf 1 januari 2012 ook voor jongeren, ten minste, als dit in de
                    doelgroepomschrijving adequaat tot uitdrukking wordt gebracht. In het eerste lid
                    is dit vastgelegd.</al><al> Bij invoering van de WIJ is artikel 29 WWB, dat regelde dat voor 21- en
                    22-jarigen de toeslag kon worden verlaagd, vervallen. De betreffende bepaling
                    werd opgenomen in de WIJ. Bij de wetswijziging wordt de klok weer teruggedraaid
                    en artikel 29 WWB weer gereactiveerd. Dat betekent ook dat als de gemeente
                    ervoor gekozen heeft om voor 21- en 22-jarigen in de Toeslagenverordening WWB
                    een lagere toeslag toe te kennen, dit nu geregeld moet worden. Onderdeel D
                    voorziet daarin, uitgaande van de doorgaans gehanteerde optie dat voor
                    21-jarigen 5% toeslag wordt toegekend en voor 22-jarigen een toeslag van 10%.
                    Hanteert de gemeente ander beleid, dan moeten deze onderdelen worden
                    aangepast.</al><al> Artikel III. Afstemmingsverordening WWB</al><al> Onderdeel A</al><al> De onderdelen A is reeds toegelicht in het algemene deel.</al><al> Gelet op de mogelijke terugkeer van 65 jarigen en ouder met een onvolledige AOW
                    opbouw is voorzien in een aanvulling op die AOW middels de WWB uitkering tot de
                    van toepassing zijnde norm.</al><al> De Afstemmingsverordening is tevens van toepassing op deze specifieke groep
                    bijstandsgerechtigden.</al><al> Onderdeel C</al><al> De wetswijziging creëert enkele nieuwe wettelijke verplichtingen:</al><al> - de verplichting (6) ;</al><al> - de verplichting om naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden te verrichten(7) ;</al><al> - de verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te dienen dan
                    vier weken na melding(8) .</al><al> - De verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar mogelijkheden
                    voor werk of scholing(9)</al><al></al><al> Om gedragingen die een schending vormen van deze verplichtingen te kunnen
                    sanctioneren, is het in ieder geval voor de tweede en derde verplichting
                    noodzakelijk om deze in de Maatregelenverordening WWB te benoemen. Gegeven een
                    beleids- en uitvoeringsarme overgang is daartoe geen tekstvoorstel gedaan, maar
                    dit kan uiteraard bij dit onderdeel opgenomen worden. De eerste en vierde
                    verplichtingen zullen in veel gevallen ook onder één van de reeds in de
                    verordening benoemde categorieën gebracht kunnen worden. Voor het zoeken van
                    scholing geldt dat dit niet, maar die verplichting treedt pas 1 juli 2012 in
                    werking. Voor de duidelijkheid is in onderdeel C opgenomen dat het niet
                    meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak
                    wordt aangemerkt als een ge-draging die de inschakeling in de arbeid belemmert.
                    Uiteraard kan ook aangesloten worden bij een andere categorie.</al><al></al><al> Artikel IV. De verordening Langdurigheidstoeslag</al><al> Algemeen</al><al> Op twee onderdelen is de wetswijziging voor de verordening
                    Langdurigheidstoeslag van belang. Allereerst de reeds eerder geconstateerde
                    herdefiniëring van de bijstandssubjecten en de daaraan gekoppelde huishoudtoets.
                    Daarnaast de bepaling dat de inkomensgrens die voor het recht op
                    langdurigheidstoeslag geldt maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm kan
                    bedragen(10) .</al><al> Onderdeel A</al><al> Zie ook het algemeen deel van deze toelichting. Vaak is de verordening van zo
                    beperkte omvang dat er geen indeling in hoofdstukken of paragrafen is gemaakt.
                    In dat geval dient onderdeel A herschreven te worden en kan bijv. in plaats van
                    ‘paragraaf’ ‘artikel’ worden opgenomen.</al><al> In de verordening wordt één van de normbedragen met betrekking tot de hoogte
                    van de langdurigheidstoeslag doorgaans gekoppeld aan ‘gehuwden’.</al><al> Onderdeel B</al><al> Indien sprake is van gehuwden waarvan één persoon geen recht heeft op bijstand,
                    wordt thans de langdurigheidstoeslag vastgesteld naar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder). Dit blijft zo, als er sprake is van een gezin dat slechts
                    uit gehuwden bestaat. In onderdeel D is tot uitdrukking gebracht, dat als in de
                    verordening voorzien is in een specifieke bepaling die dat regelt, die bepaling
                    wordt vervangen door een bepaling die regelt dat als er tot het gezin een
                    niet-rechthebbende behoort, dit slechts tot aanpassing van de hoogte van de
                    langdurigheidstoeslag leidt als er slechts één rechthebbend gezinslid
                    overblijft.</al><al> Artikel V. Inwerkingtreding en geldingsduur</al><al> De inwerkingtreding valt uiteraard samen met de inwerkingtreding van de
                    wijzigingswet. Mocht de vaststelling en inwerkingtreding van dit Besluit
                    niettemin later plaatsvinden, dan kan in terugwerkende kracht worden voorzien,
                    hoewel dat geen grondslag kan verschaffen aan het nemen van belastende besluiten
                    met betrekking tot feiten en omstandigheden die plaatsvinden tot de datum waarop
                    de regeling in werking treedt.</al><al> Zoals gezegd is niet voorzien in een horizonbepaling. Uiteraard kan daar wel
                    toe worden besloten. In dat geval dient de volzin ‘Deze regeling treedt in
                    werking op 1 januari 2012.’ Te worden vervangen door: Deze regeling treedt in
                    werking op 1 januari 2012 en vervalt per de dag waarop de Wet werken naar
                    vermogen in werking treedt.</al><al> Een overgangsregeling is niet nodig. In de wijzigingswet is als hoofdregel
                    opgenomen dat sprake is van onmiddellijke werking, dwz. dat per 1 januari 2012
                    de gewijzigde WWB direct van toepassing is op reeds bestaande rechtsposities en
                    verhoudingen. Op onderdelen is daarvan afgeweken middels specifiek
                    overgangsrecht. Voor dit Raadsbesluit geldt evenzeer onmiddellijke werking.
                    Uitzondering daarop vormt de aanpassing aan de Verordening
                    langdurigheidstoeslag. Conform artikel 36 WWB vloeit uit de aard van de regeling
                    voort dat voor aanvragen die vanaf 1 januari 2012 worden ingediend het ‘oude
                    recht’ van toepassing is, voor zover de peil- en ingangsdatum voor die datum
                    liggen.</al><al> VI. Citeertitel</al><al> Raadsbesluit tijdelijke regels aanscherping Wet Werk en Bijstand</al><al> _______________________________________________________</al><al> (1) Intrekking van een regeling brengt mee dat de op die regeling gebaseerde
                    uitvoeringsregelingen van rechtswege vervallen, tenzij voor die regelingen een
                    nieuwe wettelijke grondslag in het leven wordt geroepen (zie Aanwijzingen voor
                    de Regelgeving, A. 243). Uitvoeringsregelingen van een ingetrokken wet behoeven
                    dus niet uitdrukkelijk te worden ingetrokken (zie ook A. 227)</al><al> (2) Conform artikel 31, vijfde lid WWB. Zie ook Memorie van Toelichting, TK 32
                    815, nr. 3, p. …</al><al> (3) Idem voor beleidsregels, richtlijnen of interne werkinstructies</al><al> (4) onverminderd verlagingen op andere gronden</al><al> (5) Artikel 18, eerste lid WWB blijft te allen tijde als ‘slot op de deur’ de
                    norm waaraan bijstandverlening moet worden getoetst en kan aanleiding geven tot
                    het afwijkend vaststellen van bijstand</al><al> (6) Art. 9, eerste lid, onderdeel b WWB</al><al> (7) Art. 9, eerste lid, onderdeel c WWB</al><al> (8) Art. 41, vierde lid WWB</al><al> (9) Art. 43, vierde lid WWB</al><al> (10) Art. 36, zesde lid WWB</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>