<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>291399_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-13</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekblad 15 mei 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8/geldigheidsdatum_13-05-2013">artikel 8, eerste lid, onder a, e en f alsmede het tweede lid, onder c van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004044/geldigheidsdatum_13-05-2013#HoofdstukIII_Artikel35">artikel 35, lid 1 onder a van de Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:issued>2013-05-07</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004163/geldigheidsdatum_13-05-2013#HoofdstukIII_Artikel35">de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Re-integratieverordening 2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Re-integratieverordening 2013</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al></al><al>Nr.      </al><al>de r a a d van de gemeente Bellingwedde;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 26 maart 2013, </al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onder a, e en f alsmede het tweede lid,
                        onder c van de Wet werk en bijstand (Wwb), artikel 35, lid 1 onder a van de
                        Wet inkomensvoorziening voor oudere- en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening voor oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz),</al><al><onderstreept>b e s l u i t :</onderstreept></al><al>vast te stellen de “Re-integratieverordening 2013”,</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wwb, de Ioaw, Ioaz
                            en de Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het college wordt bedoeld: het college van burgemeester en
                            wethouders van de gemeente Bellingwedde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een voorziening wordt bedoeld: ieder instrument dat wordt ingezet
                            voor de cliënt met als doel om de persoon zo spoedig mogelijk weer zelf
                            in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, dan wel sociale
                            uitsluiting te voorkomen. Een voorziening wordt opgenomen in het
                            re-integratieplan van de cliënt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De doelgroep van deze verordening zijn de personen wonende in de
                            gemeente Bellingwedde, beneden de AOW-gerechtigde leeftijd,</al><lijst><li nr="a."><al>bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de Wwb, of;</al></li><li nr="b."><al>bedoeld in artikel 7 derde lid tweede volzin van de Wwb,
                                    of;</al></li><li nr="c."><al>die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaw of de Ioaz
                                    of;</al></li><li nr="d."><al>die vanwege een voorziening als bedoeld in artikel 7 van deze
                                    verordening niet behoren tot één de doelgroepen genoemd onder a,
                                    b of c van dit lid.</al></li><li nr="e."><al>De personen die tot de doelgroep behoren worden in deze
                                    verordening cliënt genoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet tot de doelgroep behoort:</al><al>de persoon die geen uitkeringsgerechtigde is en die onderwijs of een
                            beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of
                            in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten (WTOS). </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Taak gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het aanbieden van voorzieningen aan
                            cliënten in het kader van ondersteuning bij arbeidsinschakeling gericht
                            op de kortste weg naar algemeen geaccepteerde arbeid. Het college stelt
                            vast welke voorziening voor een cliënt het meest geschikt is om het
                            beoogde doel te behalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde zorgplicht, kan het
                            college beleidsregels vaststellen waarin op basis van het beschikbare
                            budget wordt aangegeven op welke wijze wordt voorzien in de
                            ondersteuning bij arbeidsinschakeling en welke voorzieningen in welke
                            mate in het kader van arbeidsinschakeling zullen worden ingezet voor de
                            doelgroepen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van flankerende voorzieningen
                            die belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt kunnen
                            opheffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzieningen die de gemeente in het kader van ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling voor een cliënt inzet, worden in principe vastgelegd
                            in een op uitstroom gericht re-integratieplan, dat onderdeel uitmaakt
                            van een beschikking. Het re-integratieplan wordt door de cliënt en door
                            een vertegenwoordiger namens het college (of een door het college
                            aangewezen derde) ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij een alleenstaande(ouder) of meederjarige gezinsleden jonger dan 27
                            jaar, wordt een plan van aanpak gemaakt als bedoeld in artikel 44a Wwb
                            die in een bijlage bij de toekenningsbeschikking wordt opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Rechten en plichten cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen, deze te aanvaarden, te behouden en alles in het werk te
                            stellen om belemmeringen ten aanzien van algemeen geaccepteerde arbeid
                            op te heffen. Wanneer het een gezin betreft gelden voor alle leden van
                            het gezin de arbeidsverplichtingen van artikel 9 Wwb. Het college kan
                            nadere beleidsregels stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt kan aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                            ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het college,
                            kortste weg naar duurzame arbeid. Het college bepaalt hoe deze aanspraak
                            wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een voorziening zoals bedoeld in artikel 7 van deze
                            verordening wordt aangeboden, is verplicht gebruik te maken van deze
                            voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- of
                            regelgeving, geldt voor een cliënt die deelneemt aan of deelgenomen
                            heeft aan een voorziening de verplichting:</al><lijst><li nr="a."><al>alle inlichtingen te verstrekken aan het college over de
                                    passendheid en de voortgang van de voorziening en wijzigingen in
                                    zijn persoonlijke situatie die van belang kunnen zijn voor de
                                    beoordeling van de aanspraak op ondersteuning en de noodzaak van
                                    voortzetting van een voorziening, daaronder in ieder geval
                                    begrepen wijzigingen in woonplaats, wijzigingen met betrekking
                                    tot gezondheidssituatie of arbeidshandicaps en wijzigingen met
                                    betrekking tot nevenwerkzaamheden of neveninkomsten;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan onderzoeken over de inhoud,
                                    passendheid, voortgang en uitvoering van de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>naar vermogen uitvoering te geven dan wel mee te werken aan de
                                    onderdelen van de voorziening;</al></li><li nr="d."><al>na te laten alles dat de realisatie van het doel van de
                                    voorziening belemmert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De rechten en plichten van een cliënt worden vastgelegd in het in
                            artikel 3 lid 4 van deze verordening genoemde re-integratieplan en/of
                            beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niet-uitkeringsgerechtigde cliënten van 18 jaar en ouder en cliënten met
                            een uitkering op grond van de Anw (Algemene nabestaandenwet) van 18 jaar
                            en ouder kunnen aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                            ten behoeve van het realiseren van de, naar het oordeel van het college,
                            kortste weg naar duurzame arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels de aanspraken en de voorzieningen
                            vaststellen, die beschikbaar zijn voor cliënten bedoeld in het eerste
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Criteria ontheffing arbeidsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat aan een cliënt tijdelijk, geheel of
                            gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van één of meer
                            arbeidsverplichtingen. Het college kan hiervoor in beleidsregels nadere
                            criteria vastleggen, onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van
                                    zorg en voorziening niet mogelijk is voor alleenstaande
                                    ouders;</al></li><li nr="b."><al>indien belanghebbende om psychische dan wel medische redenen
                                    niet in staat is om te werken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing
                            te herzien of na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. De
                            herbeoordeling kan op verzoek van de cliënt of naar oordeel van de
                            gemeente op ieder gewenst moment plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep een voorziening
                            aanbieden. De voorziening heeft tot doel de cliënt middels de kortste
                            weg te begeleiden naar regulier werk. Wat de kortste weg is bepaalt het
                            college. Het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling
                            staat hierbij voorop. In beleidsregels kan het college verdere
                            uitwerking geven aan deze voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                            arbeidsinschakeling van cliënten onder andere door het opdoen van dag-
                            en werkritme en werkervaring, het aanleren van werknemersvaardigheden en
                            kennis, maatschappelijke participatie en/of het bevorderen van sociale –
                            en zelfredzaamheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Scholing kan onderdeel uitmaken van de voorzieningen in tweede lid.
                            Daarnaast kan het college ook scholing als zelfstandige voorziening
                            aanbieden. Een opleiding waarvoor studiefinanciering (WSF) kan worden
                            verkregen is geen voorziening als bedoeld in het eerste lid. Dit kan wel
                            een doel zijn van de voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een voorziening gericht op scholing wordt aangeboden aan de cliënt die
                            behoort tot artikel 10a, vijfde lid Wwb dan wel artikel 38a
                            Ioaw/Ioaz.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van dit artikel gebruik maken van door
                            derden uitgevoerde subsidiebanen. In dat geval wordt door deze derden
                            met een cliënt een arbeidsovereenkomst aangaan als bedoeld in artikel
                            610, eerste lid van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze
                            arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 10 van Boek 7 van het
                            Burgerlijk Wetboek van toepassing. Het college kan in beleidsregels
                            vaststellen op welke wijze en onder welke voorwaarden deze subsidiebanen
                            worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van dit artikel gebruik maken van een
                            loonkostensubsidie aan een werkgever, die een cliënt in dienst neemt op
                            basis van de CAO die voor de werkgever van toepassing is. Het college
                            kan in beleidsregels vaststellen onder welke voorwaarden werkgevers op
                            (loonkosten)subsidie aanspraak kunnen maken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het elders in dit artikel bepaalde is bij de inzet van
                            subsidiebanen als bedoeld in lid 3 van dit artikel en
                            (loonkosten)subsidie de beleidsaanbeveling “Subsidiëring arbeidsplaatsen
                            in het kader van re-integratiewerkzaamheden”, zoals vermeld op pagina 14
                            e.v. van de circulaire van het ministerie van Sociale Zaken en
                            Werkgelegenheid d.d. 7 april 2004, kenmerk Intercom 2004/24233, van
                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van dit artikel een cliënt in staat
                            stellen zich te oriënteren en voorbereiden op de start van een eigen
                            bedrijf of beroep. Het college kan in beleidsregels vaststellen onder
                            welke voorwaarden deze voorziening aan een cliënt kan worden
                            aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen afspraken maken met
                            derden, waaronder werkgevers en re-integratiebedrijven.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks een budgetplafond vaststellen voor
                            voorzieningen die door de gemeente bekostigd worden. Voorzieningen
                            kunnen door het college worden geweigerd indien door het totaal van
                            toezeggingen in dat jaar het budgetplafond is bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen recht op een voorziening bestaat indien sprake is van een
                            voorliggende voorziening die naar mening van het college in voldoende
                            mate bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de cliënt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Evenmin heeft de cliënt recht op een voorziening indien het netto-
                            inkomen van het gezin of de alleenstaande of alleenstaande ouder, boven
                            110% van de geldende (bijstands)norm ligt als bedoeld in hoofdstuk 3 van
                            de Wwb;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Evenmin heeft de cliënt recht op een voorziening indien het vermogen van
                            het gezin of de alleenstaande of alleenstaande ouder, boven de
                            vermogensgrens ligt als bedoeld in artikel 34 van de Wwb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van een cliënt met een Anw-uitkering en van een
                            Niet-uitkeringsgerechtigde cliënt een in beleidsregels uitgewerkt
                            bijdrage in de kosten van de voorziening verlangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Afweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de afweging welke voorziening het meest geschikt is voor een cliënt,
                            worden de mogelijkheden en belemmeringen van de cliënt en het belang van
                            de gemeente tegen elkaar afgewogen. Daarbij houdt het college rekening
                            met de zorgtaken van alleenstaande ouders voor hun kinderen. Hiernaast
                            spelen de actuele en de door het college verwachte toekomstige situatie
                            op de arbeidsmarkt een rol.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De alleenstaande ouder hoeft pas deel te nemen aan een voorziening zoals
                            bedoeld in artikel 7 van deze verordening indien een
                            kinderopvangvoorziening beschikbaar is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een cliënt die deelneemt aan of heeft deelgenomen aan een
                            voorziening, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze
                            verordening niet nakomt of niet is nagekomen, kan het college de door
                            hem in het kader van die voorziening ten behoeve van deze cliënt
                            gemaakte kosten terugvorderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een uitkeringsgerechtigde met een uitkering krachtens de Wwb zijn
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening verwijtbaar
                            niet is nagekomen verlaagt het college de uitkering , conform hetgeen
                            hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Wwb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een uitkeringsgerechtigde met een uitkering krachtens de IOAW of
                            IOAZ zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening
                            verwijtbaar niet nakomt, weigert het college de uitkering, conform
                            hetgeen hierover is bepaald in artikel 20 van de IOAW en de IOAZ.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>als een cliënt die deelneemt aan een voorziening, zijn
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening,
                                    dan wel zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de Wwb,
                                    dan wel artikel 37 Ioaw/Ioaz niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>als een cliënt die deelneemt aan een voorziening niet meer tot
                                    de doelgroep bedoeld in artikel 2 van deze verordening
                                    behoort;</al></li><li nr="c."><al>indien het college een andere voorziening aanbiedt;</al></li><li nr="d."><al>als een cliënt die deelneemt aan een voorziening neveninkomsten
                                    heeft, die naar oordeel van het college betekenen dat hij in
                                    staat is zonder voorziening een plaats te vinden of te behouden
                                    op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="e."><al>de persoon onvoldoende medewerking verleent aan de
                                    tenuitvoerlegging van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de voorziening niet langer noodzakelijk is voor
                                    arbeidsinschakeling of daaraan niet blijkt bij te dragen</al></li><li nr="g."><al>de voorziening anderszins niet langer noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een voorziening beëindigd is en niet het beoogde doel heeft
                            gehad, kan het college besluiten, gedurende een in beleidsregels
                            vastgelegde periode, geen nieuwe voorziening aan de betrokken cliënt aan
                            te bieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een cliënt zijn verplichtingen niet nakomt, kan het college
                            beslissen dat zijn aanspraak op iedere voorziening vervalt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Premies en onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan premies verlenen die tot doel hebben de
                            arbeidsinschakeling te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de verstrekking van premies nadere
                            regels vaststellen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor premie kan worden verstrekt en wie
                                    daarvoor in aanmerking komt;</al></li><li nr="b."><al>het bedrag van de premie dan wel de wijze waarop dit bedrag
                                    wordt bepaald;</al></li><li nr="c."><al>de aanvraag van een premie en de besluitvorming daarover;</al></li><li nr="d."><al>de voorwaarden waaronder een premie wordt verstrekt;</al></li><li nr="e."><al>de weigeringsgronden voor een premie;</al></li><li nr="f."><al>de verplichtingen voor de premieontvanger;</al></li><li nr="g."><al>de vaststelling van de premie;</al></li><li nr="h."><al>andere mogelijke uitvoeringsaspecten van deze premies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de
                            verstrekking van onkostenvergoedingen in verband met de deelname aan een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Premie Wet STAP</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, zesde lid
                                van de Wwb en artikel 38a Ioaw/Ioaz een premie van telkens maximaal
                                € 520,00.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal
                                gewerkte uren per week in de voorafgaande 6 maanden en bedraagt €
                                1,00 per gewerkt uur met een maximum van 20 uur per week.</al></li><li nr="3."><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld en ineens betaald (niet per maand).</al></li><li nr="4."><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden, of er andere aantoonbare feiten zijn waaruit vastgesteld
                                kan worden dat de belanghebbende onvoldoende heeft meegewerkt aan
                                het vergroten van zijn kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het eerste lid komen ook personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid van de Wwb voor een premie in aanmerking indien
                                zij aan alle voorwaarden voldoen.</al></li><li nr="6."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al><al> Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
                                additionele werkzaamheden uitvoert; </al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>het oordeel van de werkcoach.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van dit artikel nog
                                nadere beleidsregels vaststellen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het college zendt op verzoek van de raad een verslag over de wijze waarop
                        deze verordening is toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als:</al><al><vet>“Re-integratieverordening
                                    </vet><vet>2013</vet><vet>”</vet><vet>.</vet></al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie. </al></li><li nr="3."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de deze verordening,
                                vervalt de "re-integratieverordening Wwb” die is vastgesteld op 31
                                augustus 2007.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Bellingwedde</al><al>in zijn openbare vergadering van 7 mei 2013.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>P.D. Nap E.R. Triemstra</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>Op 31 augustus 2007 is de re-integratieverordening Wwb vastgesteld. Sindsdien
                    zijn er een aantal wetswijzigingen doorgevoerd die het nodig maakten dat de
                    verordening diende te worden aangepast. De volgende wijzigingen zijn opgenomen
                    in deze verordening:</al><tussenkop>Bij artikel 1:</tussenkop><al>Er is geen lijst meer van begrippen opgenomen, maar er wordt volstaan naar de
                    begrippen zoals in de wetten gelden.</al><tussenkop>Bij artikel 2:</tussenkop><al>Lid 2 is gewijzigd. Ten eerste omdat het Centrale Organisatie Werk en inkomen
                    niet meer bestaat, en daarnaast het niet ingeschreven staan geen reden is om
                    iemand uit te sluiten van de doelgroep. Het is een verplichting en het niet
                    nakomen van een verplichting heeft andere gevolgen (verlagen van de uitkering).
                    En iemand kan zich alsnog inschrijven om wel tot de doelgroep te behoren. In
                    plaats hiervan is opgenomen dat een persoon met studiefinanciering/ WTOS niet
                    tot de doelgroep hoort. </al><tussenkop>Bij artikel 3: </tussenkop><al>In dit artikel is een lid 5 toegevoegd waarin wordt vermeld dat bij jongeren
                    onder de 27 jaar een plan van aanpak wordt gemaakt als bedoeld in artikel 44a
                    Wwb. Dit nieuwe artikel is per 1 januari 2012 in de bijstandswet opgenomen. Door
                    dit in de re-integratieverordening op te nemen wordt het verschil in uitdrukking
                    gebracht dat er is voor personen ouder en jonger dan 27 jaar.</al><tussenkop>Bij artikel 4: </tussenkop><al>Lid 5 is verwijderd omdat een algemene medewerkingsverplichting hierbij ook
                    volstaat. Lid 6 is opgenomen in artikel 11 omdat dit beter bij dat artikel
                    past.</al><tussenkop>Bij artikel 6:</tussenkop><al>Lid 2 is verwijderd omdat dit al in het eerste lid staat.</al><tussenkop>Bij artikel 7:</tussenkop><al> Dit artikel is herschreven en er is toegevoegd dat in beleidsregels kan worden
                    vastgesteld dat het starten van een eigen bedrijf ook als een voorziening kan
                    worden aangemerkt. Ook staat er in dat er een subsidieplafond kan worden
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Bij artikel 8:</tussenkop><al> Dit hele artikel is geschrapt omdat de WIW niet meer bestaat en er ook geen
                    doorstroombanen meer zijn/komen. In de plaats hiervan zijn 3 artikelen gekomen
                    waarin de aanspraak op voorzieningen worden beperkt.</al><tussenkop>Bij artikel 9:</tussenkop><al> Bij dit artikel is een derde lid toegevoegd.</al><tussenkop>Bij artikel 13:</tussenkop><al> Dit artikel is nieuw opgenomen en de rest is vernummerd. De wet Stimulering
                    Arbeidsparticipatie (Wet Stap van 1 januari 2009) beoogt arbeidsparticipatie te
                    bevorderen door toevoeging van de instrumenten scholing en premie aan de
                    participatieplaatsen. Mensen die op grond van artikel 10a Wwb onbeloonde arbeid
                    verrichten, krijgen na 6 maanden een premie uitgekeerd wanneer zij voldoende
                    hebben meegewerkt aan het vergroten van hun kans op de arbeidsmarkt. Het
                    toekennen van deze premie is een verplichting, de hoogte ervan mag de gemeente
                    zelf bepalen. In de conceptverordening wordt een toeslag van € 1 per uur
                    voorgesteld, met een maximum van € 520 per zes maanden.</al><al>In de Ioaw en Ioaz is in artikel 38a eveneens opgenomen dat de gemeenteraad een
                    verordening moet vaststellen voor deze premie en de scholingsaanbod. De wet Stap
                    geldt dus ook voor deze wetten.</al><al>Artikel 8 van de WWB en artikel 38a van de Ioaw en Ioaz verlangt van de Raad dat
                    zij regels stelt met betrekking tot de hoogte van de premie, alsmede de
                    eventuele inzet van scholing of opleiding, zo sprake is van een persoon die een
                    uitkering ontvangt en die in het kader van een door het college aangeboden
                    voorziening onbeloonde additionele arbeid verricht. Wat onder onbeloonde arbeid
                    wordt verstaan staat in het artikel 10a, tweede lid Wwb. Voor de gemeente
                    Bellingwedde houdt dit in dat het met name arbeidstraining betreft die in het
                    kader van Work First wordt gedaan.</al><al>Daarbij vragen artikel 8, tweede lid van de WWB en artikel 35, lid 2 van de Ioaw
                    en Ioaz specifiek om regels te stellen met betrekking tot de hoogte van de
                    premie in relatie tot de armoedeval.</al><al>Er wordt bij de toekenning van de premie een relatie gelegd tussen de hoogte van
                    de premie en de inspanningen van betrokkene. Gedachte hierbij is dat men daarmee
                    “loon naar werken” krijgt wat een stimulerende werking kan hebben op de inzet
                    van de belanghebbende op de additionele arbeidsplaats. </al><al> Omdat het een premie is die niet maandelijks wordt betaald heeft deze geen
                    invloed op het bruto inkomen en dus geen effecten voor de huur- dan wel
                    zorgtoeslag van de belastingdienst.</al><al>De hoogte van de premie is als volgt tot stand gekomen: 26 weken maal (maximaal
                    € 20,00).</al><tussenkop>Maximale termijn participatieplaatsen</tussenkop><al>De Wet Stap is een kaderwet die regels stelt ingeval een participatieplaats
                    langer duurt dan zes maanden. De maximale termijn is – na de twee mogelijke
                    verlengingen – 4 jaar. Het staat de gemeente dus vrij om te kiezen voor een
                    kortere termijn, bijvoorbeeld van 2 jaar. In dat geval zijn de bepalingen van de
                    Wet Stap alleen van toepassing voor zover deze betrekking hebben op die periode
                    van 2 jaar.</al><al>Verder is de re-integratieverordening ongewijzigd gebleven.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>