<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xml:lang="nl-NL" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>282084_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schoonhoven</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-04-15</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="">bronvermelding</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">bronvermelding</dcterms:source><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2013-03-28</dcterms:issued></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Actualisatie</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel></titel></kop><al>
	REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE</al><al>
	WERKZAAMHEDEN VAN DE RAAD</al><al>
	De raad van de gemeente Schoonhoven;</al><al>
	gelezen het voorstel van 27 februari 2013;</al><al>
	gelet op artikel 16 van de Gemeentewet ;</al><al>
	 </al><al>
	besluit vast te stellen de volgende regeling:</al><al>
	 </al><al>
	REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE</al><al>
	WERKZAAMHEDEN VAN DE RAAD 2013</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al>
	In dit reglement wordt verstaan onder:</al><al>
	a. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al><al>
	b. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing,</al><al>
	naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;</al><al>
	c. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm</al><al>
	geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking</al><al>
	heeft;</al><al>
	d. motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens</al><al>
	of verzoek wordt uitgesproken;</al><al>
	e. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;</al><al>
	f. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 2. De voorzitter</al><al>
	De voorzitter is belast met:</al><al>
	a. het leiden van de vergadering;</al><al>
	b. het handhaven van de orde;</al><al>
	c. het doen naleven van het reglement van orde;</al><al>
	d. hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 3. De griffier</al><al>
	1. De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al><al>
	2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe</al><al>
	aangewezen plaatsvervangend griffier.</al><al>
	3. De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als</al><al>
	bedoeld in dit reglement deelnemen.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 4. De secretaris</al><al>
	De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en</al><al>
	deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 5. Het presidium</al><al>
	1. De raad heeft een presidium.</al><al>
	2. Het presidium bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. De fractievoorzitter kan</al><al>
	zich laten vervangen door een raadslid of commissielid. De griffier is in elke</al><al>
	vergadering van het presidium aanwezig.</al><al>
	3. De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor het presidium.</al><al>
	4. Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij zijn afwezigheid in het</al><al>
	presidium vervangt.</al><al>
	5. Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium.</al><al>
	6. Het presidium vervult de rol van agendacommissie en stelt de voorlopige agenda van de</al><al>
	commissies op.</al><al>
	7. Het presidium heeft, naast de taken vermeld in de artikelen 5, 9, 12, 16, 20, 40, 42 en 43</al><al>
	van deze verordening, als taak aanbevelingen te doen aan de raad inzake de organisatie</al><al>
	van de werkzaamheden van de raad en van zijn commissies.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 2. TOELATING VAN NIEUWE LEDEN; BENOEMING</al><al>
	WETHOUDERS; FRACTIES</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders</al><al>
	1. Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in</al><al>
	bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de</al><al>
	daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden.</al><al>
	2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad</al><al>
	en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt</al><al>
	van een minderheidsstandpunt.</al><al>
	3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste</al><al>
	samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen.</al><al>
	4. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de</al><al>
	eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de</al><al>
	Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al><al>
	5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd</al><al>
	lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt</al><al>
	beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al><al>
	6. Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie</al><al>
	ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet.</al><al>
	Op de werkwijze van deze commissie is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 7. Fractie</al><al>
	1. De leden van de raad die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst</al><al>
	verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd.</al><al>
	Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke</al><al>
	fractie beschouwd.</al><al>
	2. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad</al><al>
	deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was</al><al>
	geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee</al><al>
	welke naam deze fractie in de raad wil voeren.</al><al>
	3. De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger</al><al>
	optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.</al><al>
	4. Indien één of meer leden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden</al><al>
	of indien één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie wordt</al><al>
	hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. Voor het</al><al>
	splitsen dan wel het vormen van nieuwe fracties is geen toestemming vereist van de</al><al>
	raad.</al><al>
	5. De nieuwe naam van de fractie wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende</al><al>
	vergadering van de raad.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 3. VERGADERINGEN</al><al>
	 </al><al>
	PARAGRAAF 1. TIJDSTIP VAN VERGADEREN; VOORBEREIDINGEN</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 8. Vergaderfrequentie</al><al>
	1. De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats één keer per maand op een</al><al>
	donderdag, vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in het stadhuis.</al><al>
	2. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een</al><al>
	andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een</al><al>
	spoedeisende situatie, overleg in het presidium.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 9. Oproep</al><al>
	1. De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de leden van de raad een</al><al>
	schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.</al><al>
	2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in</al><al>
	artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden</al><al>
	tegelijkertijd met de schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 10. Agenda</al><al>
	1. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep</al><al>
	tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda</al><al>
	opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken aan de leden van de raad</al><al>
	verzonden, en openbaar gemaakt.</al><al>
	2. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van</al><al>
	de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan</al><al>
	de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.</al><al>
	3. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging</al><al>
	voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college</al><al>
	nadere inlichtingen of advies vragen.</al><al>
	4. Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van</al><al>
	behandeling van de agendapunten wijzigen.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 11. De wethouder</al><al>
	Het presidium kan één of meer wethouders uitnodigen om in de vergadering aanwezig te zijn</al><al>
	en aan de beraadslagingen deel te nemen.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 12. Ter inzage leggen van stukken</al><al>
	1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen,</al><al>
	worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep voor een ieder op het</al><al>
	gemeentehuis ter inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep</al><al>
	stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van</al><al>
	de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.</al><al>
	2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook op elektronische wijze</al><al>
	aan een ieder ter beschikking worden gesteld.</al><al>
	3. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis</al><al>
	gebracht.</al><al>
	4. Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de</al><al>
	Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het</al><al>
	eerste lid, onder berusting van de griffier en verleent de griffier de leden van de raad</al><al>
	inzage.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 13. Openbare kennisgeving</al><al>
	1. De vergadering wordt door aankondiging in de gemeentepublicatie in een huis-aanhuisblad</al><al>
	en door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.</al><al>
	2. De openbare kennisgeving vermeldt:</al><al>
	a. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;</al><al>
	b. wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken</al><al>
	kan inzien.</al><al>
	3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden, indien elektronisch</al><al>
	beschikbaar, op de website van de gemeente geplaatst.</al><al></al><al>
	PARAGRAAF 2. ORDE DER VERGADERING</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 14. Presentielijst</al><al>
	Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst. Aan het</al><al>
	einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening</al><al>
	vastgesteld.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 15. Zitplaatsen</al><al>
	1. De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de</al><al>
	voorzitter na overleg in het presidium bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van</al><al>
	de raad aangewezen.</al><al>
	2. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in het</al><al>
	presidium.</al><al>
	3. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, secretaris en overige</al><al>
	personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 16. Opening vergadering; quorum</al><al>
	1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur indien het daarvoor door de</al><al>
	wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.</al><al>
	2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig</al><al>
	is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van</al><al>
	de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 17. Spreekrecht burgers</al><al>
	1. Na de opening van de vergadering kunnen andere aanwezige burgers gezamenlijk</al><al>
	gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde</al><al>
	onderwerpen en ingekomen stukken.</al><al>
	2. Het woord kan niet gevoerd worden:</al><al>
	a. over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op</al><al>
	de rechter openstaat of heeft opengestaan;</al><al>
	b. over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;</al><al>
	c. indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon</al><al>
	worden ingediend.</al><al>
	3. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 24 uur voor</al><al>
	de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres</al><al>
	en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren.</al><al>
	4. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de</al><al>
	volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.</al><al>
	5. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de</al><al>
	spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter</al><al>
	kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.</al><al>
	6. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter</al><al>
	kan de raadsleden toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen.</al><al>
	De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel voor de behandeling van de</al><al>
	inbreng van de burger.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 18. Primus bij hoofdelijke stemming</al><al>
	Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede, bij</al><al>
	welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een</al><al>
	volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de</al><al>
	hoofdelijke stemming.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 19. Verslag en besluitenlijst</al><al>
	1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentielijst, een kort verslag en de</al><al>
	besluitenlijst van de vergadering.</al><al>
	2. Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo mogelijk, aan de leden van</al><al>
	de raad toegezonden gelijktijdig met de schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt</al><al>
	gelijktijdig aan de overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.</al><al>
	3. De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris hebben het recht, een</al><al>
	voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien het conceptverslag onjuistheden</al><al>
	bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot</al><al>
	verandering dient voor de aanvang van de vergadering bij de griffier te worden ingediend.</al><al>
	4. Het verslag bevat tenminste:</al><al>
	a. de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de wethouders en de ter</al><al>
	vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige</al><al>
	personen die het woord gevoerd hebben;</al><al>
	b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;</al><al>
	c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van de namen van de</al><al>
	aanwezigen die het woord voerden;</al><al>
	d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke</al><al>
	stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening</al><al>
	van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming</al><al>
	hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al><al>
	e. de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde,</al><al>
	moties, amendementen en subamendementen;</al><al>
	f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan</al><al>
	wie het op grond van het bepaalde in artikel 25 door de raad is toegestaan deel te</al><al>
	nemen aan de beraadslagingen.</al><al>
	5. Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld, waarna dit door de</al><al>
	voorzitter en de griffier wordt ondertekend.</al><al>
	6. Aan de hand van het verslag wordt een besluitenlijst opgesteld. Voor zover de aard en de</al><al>
	inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo</al><al>
	spoedig mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt op de in de gemeente</al><al>
	gebruikelijke wijze.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 20. Ingekomen stukken</al><al>
	1. Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college</al><al>
	aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad</al><al>
	toegezonden en ter inzage gelegd.</al><al>
	2. Na de vaststelling van het verslag stelt de raad, op voorstel van het presidium de</al><al>
	griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 21. Aantal spreektermijnen</al><al>
	1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee</al><al>
	termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al><al>
	2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al><al>
	3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde</al><al>
	onderwerp of voorstel.</al><al>
	4. Het derde lid is niet van toepassing op:</al><al>
	a. de rapporteur van een commissie;</al><al>
	b. het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend,</al><al>
	voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel.</al><al>
	5. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord</al><al>
	heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 22. Spreektijd</al><al>
	De voorzitter of een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden</al><al>
	en de overige aanwezigen.</al><al></al><al>
	Artikel 23. Handhaving orde; schorsing</al><al>
	1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:</al><al>
	a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het in acht nemen van dit reglement te</al><al>
	herinneren;</al><al>
	b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere</al><al>
	interrupties zijn betoog zal afronden.</al><al>
	2. Indien een spreker zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaat, afwijkt van</al><al>
	het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan</al><al>
	wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien</al><al>
	de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de</al><al>
	vergadering waarin zulks plaats heeft over het aanhangige onderwerp het woord</al><al>
	ontzeggen.</al><al>
	3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te</al><al>
	bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de</al><al>
	vergadering sluiten.</al><al>
	4. De raad stelt een gedragscode politieke ambtsdragers vast.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 24. Beraadslaging</al><al>
	1. De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of</al><al>
	meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al><al>
	2. Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten</al><al>
	de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of</al><al>
	de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen</al><al>
	worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 25. Deelname aan de beraadslaging door anderen</al><al>
	1. De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de</al><al>
	raad, de wethouder, de secretaris, de griffier en de voorzitter deelnemen aan de</al><al>
	beraadslaging.</al><al>
	2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad</al><al>
	genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde</al><al>
	agendapunt een aanvang wordt genomen.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 26. Stemverklaring</al><al>
	Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder</al><al>
	lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 27. Beslissing</al><al>
	1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht,</al><al>
	sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.</al><al>
	2. Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over eventuele</al><al>
	amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel</al><al>
	tenzij geen stemming wordt gevraagd.</al><al>
	3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter</al><al>
	het voorstel over de te nemen eindbeslissing.</al><al>
	 </al><al>
	PARAGRAAF 3. PROCEDURES BIJ STEMMINGEN</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 28. Algemene bepalingen over stemming</al><al>
	1. De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd</al><al>
	en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder</al><al>
	hoofdelijke stemming is aangenomen.</al><al>
	2. In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij</al><al>
	geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28</al><al>
	Gemeentewet van stemming te hebben onthouden.</al><al>
	3. Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan</al><al>
	mededeling.</al><al>
	4. De voorzitter of de griffier roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te</al><al>
	brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 18 is</al><al>
	aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.</al><al>
	5. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van</al><al>
	deelneming aan de stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden</al><al>
	verplicht zijn stem uit te brengen.</al><al>
	6. De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor' of 'tegen' uit te spreken, zonder</al><al>
	enige toevoeging.</al><al>
	7. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog</al><al>
	herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas</al><al>
	later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt</al><al>
	wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit</al><al>
	echter geen verandering.</al><al>
	8. Stemming kan ook plaatsvinden bij handopsteking.</al><al>
	9. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het</al><al>
	aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het</al><al>
	genomen besluit.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 29. Stemming over amendementen en moties</al><al>
	1. Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over de</al><al>
	motie gestemd.</al><al>
	2. Indien aangaande een aanhangig voorstel een amendement is ingediend, wordt eerst</al><al>
	over het amendement en vervolgens over het voorstel gestemd.</al><al>
	3. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het</al><al>
	subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.</al><al>
	4. Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel</al><al>
	zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd.</al><al>
	Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het</al><al>
	eerst in stemming wordt gebracht.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 30. Stemming over personen</al><al>
	1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen</al><al>
	van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie leden</al><al>
	tot stembureau.</al><al>
	2. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van</al><al>
	stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes</al><al>
	dienen identiek te zijn.</al><al>
	3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of</al><al>
	aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde</al><al>
	stemmingen worden samengevat op één briefje.</al><al>
	4. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal</al><al>
	leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de</al><al>
	aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en</al><al>
	wordt een nieuwe stemming gehouden.</al><al>
	5. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de</al><al>
	Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen</al><al>
	behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd.</al><al>
	6. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de</al><al>
	voorzitter.</al><al>
	7. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de</al><al>
	uitslag vernietigd.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 31. Herstemming over personen</al><al>
	1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft \verkregen,</al><al>
	wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al><al>
	2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is</al><al>
	verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede</al><al>
	stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de</al><al>
	meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een</al><al>
	tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal</al><al>
	plaatshebben.</al><al>
	3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond</al><al>
	het lot.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 32. Beslissing door het lot</al><al>
	1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing</al><al>
	moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes</al><al>
	geschreven.</al><al>
	2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze</al><al>
	gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.</al><al>
	3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens</al><al>
	naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 4. RECHTEN VAN LEDEN</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 33. Amendementen</al><al>
	1. Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen</al><al>
	indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in</al><al>
	één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal</al><al>
	plaatsvinden. Er kan alleen beraadslaagd worden over amendementen die ingediend zijn</al><al>
	door leden van de raad die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering</al><al>
	aanwezig zijn.</al><al>
	2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een</al><al>
	lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).</al><al>
	3. Elk amendement of subamendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te</al><al>
	kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het</al><al>
	oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge</al><al>
	indiening kan worden volstaan.</al><al>
	4. Intrekking, door de indiener(s), van het amendement of subamendement is mogelijk,</al><al>
	totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 34. Moties</al><al>
	1. Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al><al>
	2. Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de</al><al>
	voorzitter worden ingediend.</al><al>
	3. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk</al><al>
	met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.</al><al>
	4. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt</al><al>
	plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.</al><al>
	5. Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de besluitvorming door de</al><al>
	raad heeft plaatsgevonden.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 35. Voorstellen van orde</al><al>
	1. De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een</al><al>
	voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.</al><al>
	2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.</al><al>
	3. Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al><al>
	4. Bij het staken der stemmen is het ordevoorstel afgewezen.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 36. Initiatiefvoorstel</al><al>
	1. Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij</al><al>
	het presidium worden ingediend.</al><al>
	2. Het presidium bepaalt de wijze en datum van de behandeling.</al><al>
	3. Indien het voorstel rechtstreeks door de raad kan worden behandeld, wordt het voorstel</al><al>
	geplaatst op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep</al><al>
	hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de</al><al>
	daaropvolgende vergadering geplaatst.</al><al>
	4. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende</al><al>
	voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met</al><al>
	het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of</al><al>
	onderwerp dient te worden behandeld;</al><al>
	5. De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel, niet</al><al>
	zijnde een voorstel voor een verordening.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 37. Voorstel van het college aan de raad</al><al>
	1. Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de agenda van de</al><al>
	raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.</al><al>
	2. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies</al><al>
	terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het</al><al>
	voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 38. Interpellatie</al><al>
	1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel</al><al>
	van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de</al><al>
	vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke</al><al>
	omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te</al><al>
	stellen vragen.</al><al>
	2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de</al><al>
	overige leden van de raad en de wethouders. Bij de behandeling van de ingekomen</al><al>
	stukken van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het</al><al>
	verzoek in stemming gebracht. Slechts een meerderheid van minimaal 2/3 van het aantal</al><al>
	aanwezige raadsleden kan het verzoek afwijzen. De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens</al><al>
	de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.</al><al>
	3. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad,</al><al>
	de burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe</al><al>
	verlof geeft.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 39. Schriftelijke vragen</al><al>
	1. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een</al><al>
	toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of</al><al>
	mondelinge beantwoording wordt verlangd. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor</al><al>
	gestelde worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd.</al><al>
	2. De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo</al><al>
	spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de</al><al>
	burgemeester worden gebracht.</al><al>
	3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig</al><al>
	dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in</al><al>
	de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen</al><al>
	kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de</al><al>
	vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt,</al><al>
	waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een</al><al>
	antwoord.</al><al>
	4. De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de</al><al>
	griffier aan de leden van de raad toegezonden.</al><al>
	5. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende</al><al>
	raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de</al><al>
	behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen</al><al>
	omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad</al><al>
	anders beslist.</al><al></al><al>
	Artikel 40. Vragenhalfuur</al><al>
	1. Aan het begin van de raadsvergadering is er een vragenhalfuur, tenzij er bij de voorzitter</al><al>
	geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat het</al><al>
	vragenhalfuur op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip</al><al>
	het vragenhalfuur eindigt.</al><al>
	2. Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, meldt dit onder</al><al>
	aanduiding van het onderwerp ten minste 24 uur voor aanvang van het vragenhalfuur bij</al><al>
	de voorzitter. De vragen dienen kort geformuleerd en van spoedeisende aard te zijn.</al><al>
	De voorzitter kan na overleg met het presidium weigeren een onderwerp tijdens het</al><al>
	vragenuur aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht</al><al>
	aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de</al><al>
	orde komt.</al><al>
	3. De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen tijdens het</al><al>
	vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.</al><al>
	4. De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college,</al><al>
	voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad.</al><al>
	5. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen</al><al>
	aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.</al><al>
	6. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller</al><al>
	desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.</al><al>
	7. Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij</al><al>
	aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over</al><al>
	hetzelfde onderwerp.</al><al>
	8. Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen</al><al>
	interrupties toegelaten.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 41a. Inlichtingen</al><al>
	1. Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen</al><al>
	169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek</al><al>
	daartoe door tussenkomst van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de</al><al>
	burgemeester.</al><al>
	2. De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een afschrift van dit</al><al>
	verzoek krijgen.</al><al>
	3. De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de</al><al>
	daarop volgende vergadering gegeven.</al><al>
	4. De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering,</al><al>
	waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al><al>
	Artikel 41b. Enquêtevoorstel</al><al>
	1. Elk lid van de raad kan een voorstel doen om een onderzoek in te stellen naar het</al><al>
	door het college van burgemeester en wethouders gevoerde bestuur. Artikel 155a tot</al><al>
	en met artikel 155f van de Gemeentewet is van toepassing, evenals raadsbesluit d.d.</al><al>
	15 september 2005, nr, 47, tot vaststelling van de verordening op het</al><al>
	onderzoeksrecht van de raad van de gemeente Schoonhoven.</al><al>
	2. Een voorstel als bedoeld in het eerste lid moet, om in behandeling te kunnen worden</al><al>
	genomen, schriftelijk worden ingediend bij de voorzitter.</al><al>
	3. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering,</al><al>
	tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het</al><al>
	voorstel op de agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst.</al><al>
	4. De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel</al><al>
	als bedoeld in het eerste lid.</al><al></al><al>
	HOOFDSTUK 5. BEGROTING EN REKENING</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 42. Procedure begroting</al><al>
	Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek,</al><al>
	de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die de raad, op</al><al>
	voorstel van het presidium, vaststelt.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 43. Procedure jaarrekening</al><al>
	Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het</al><al>
	onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de</al><al>
	jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad,</al><al>
	op voorstel van het presidium, vaststelt.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 6. LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 44. Verslag en verantwoording</al><al>
	1. Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de</al><al>
	gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar</al><al>
	lichaam of van een gemeenschappelijk orgaan ingesteld op grond van de Wet</al><al>
	gemeenschappelijke regelingen of in een andere organisatie of institutie, heeft het recht</al><al>
	om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het</al><al>
	sluiten van de vergadering verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur of</al><al>
	gemeenschappelijk orgaan aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit</al><al>
	verslag kan de voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie.</al><al>
	2. Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke</al><al>
	vragen stellen. Artikel 39 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>
	3. Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter</al><al>
	verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de</al><al>
	raad over het toestaan daarvan. Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 7. BESLOTEN VERGADERING</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 45. Algemeen</al><al>
	Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige</al><al>
	toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de</al><al>
	vergadering.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 46. Procedure</al><al>
	De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de</al><al>
	presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.</al><al>
	(Gemeentewet art 23) Nadat de deuren gesloten zijn, beslist de raadscommissie/raad</al><al>
	vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.</al><al>
	Procedure:</al><al>
	1. De vergadering wordt in openbaarheid geopend.</al><al>
	2. De voorzitter deelt mee dat verzocht is in beslotenheid te vergaderen.</al><al>
	3. De voorzitter verzoekt belangstellenden en anderen die niet bij de vergadering</al><al>
	aanwezig hoeven te zijn, de zaal te verlaten en sluit daarna de deuren.</al><al>
	4. Na het sluiten van de deuren vergewist de voorzitter zich ervan, dat de</al><al>
	discussie in de zaal niet buiten de zaal te volgen is.</al><al>
	5. Na het sluiten van de deuren stelt de voorzitter voor te beslissen dat met</al><al>
	gesloten deuren wordt vergaderd.</al><al>
	6. Op de agenda voor een besloten vergadering wordt daarom als tweede punt (na</al><al>
	de opening) opgenomen: Vaststellen van de beslotenheid van de vergadering.</al><al>
	7. Tijdens een besloten vergadering wordt als laatste punt voor de sluiting de</al><al>
	oplegging van de geheimhouding geagendeerd. De raad beslist</al><al>
	overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de</al><al>
	inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden.</al><al>
	8. Daarom wordt op de agenda voor een besloten vergadering als laatste punt</al><al>
	voor de sluiting opgenomen: Opleggen geheimhouding.1</al><al>
	De geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die bij de</al><al>
	vergadering aanwezig is en door een ieder die op een andere wijze kennis heeft</al><al>
	van de stukken.</al><al>
	9. Hiervan wordt expliciet melding gemaakt in het verslag. Dit verslag van het</al><al>
	besloten deel is niet openbaar.</al><al>
	Wanneer sluiting van de deuren voorzienbaar is, dat kan op de agenda van de</al><al>
	vergadering worden aangegeven wordt dat bij een bepaald agendapunt de deuren</al><al>
	worden gesloten en dat ‘naar verwachting’ daarover in beslotenheid zal worden</al><al>
	vergaderd. Het onderwerp wordt in die gevallen in algemene termen aangegeven,</al><al>
	omwille van de openheid.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 47 Verslag</al><al>
	1. De besluitenlijst, dan wel het verslag van een besloten vergadering wordt niet verspreid,</al><al>
	maar ligt uitsluitend voor de leden ter inzage.</al><al>
	2. De besluitenlijst, dan wel het verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten</al><al>
	vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een</al><al>
	besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. De vastgestelde</al><al>
	besluitenlijst, danwel het verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 48. Opheffing geheimhouding</al><al>
	1. De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al><al>
	2. Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid,</al><al>
	of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding</al><al>
	op te heffen wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding</al><al>
	heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg</al><al>
	gevoerd.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 8. TOEHOORDERS EN PERS</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 49. Toehoorders en pers</al><al>
	1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen</al><al>
	bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al><al>
	2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de</al><al>
	orde is verboden.</al><al>
	1 De besloten vergadering kan met de volgende formule worden afgesloten: “De raadscommissie besluit</al><al>
	geheimhouding op te leggen omtrent het in deze vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de</al><al>
	stukken die daarbij aan de commissie zijn overgelegd”. Voor de commissie is dit (wat betreft de stukken die</al><al>
	door het college aan de raad zijn overgelegd) een extra zekerheid. Meestal gaat het dan in een besloten</al><al>
	vergadering over stukken waarop het college geheimhouding heeft opgelegd. De raadscommissie kan deze</al><al>
	geheimhouding niet opheffen. Dat kan alleen de raad (zie art. 55, derde lid, Gemeentewet). Met andere</al><al>
	woorden: ook zonder deze formule blijft de door het college opgelegde verplichting tot geheimhouding van</al><al>
	kracht. Het kan echter zijn, dat er in een commissie extra informatie is verstrekt, of dat ook over andere</al><al>
	‘geheime’ zaken is gesproken. De formule waarmee de commissie de vergadering afsluit, dekt ook deze</al><al>
	onderwerpen.</al><al>
	* zie ook notitie Geheimhouding gemeente Schoonhoven 2013</al><al></al><al>
	Artikel 50. Geluid- en beeldregistraties</al><al>
	Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel</al><al>
	beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich</al><al>
	naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van</al><al>
	pers aantasten.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 51. Gebruik mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen</al><al>
	In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering gebruik,</al><al>
	alsmede het standby houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen</al><al>
	toegestaan, mits deze geen inbreuk maken op de orde van de vergadering.</al><al>
	 </al><al>
	HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 52. Uitleg reglement</al><al>
	In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het</al><al>
	reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.</al><al>
	 </al><al>
	Artikel 53. Inwerkingtreding</al><al>
	1. Het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad</al><al>
	van de gemeente, vastgesteld bij raadsbesluit van 1 maart 2012, wordt ingetrokken.</al><al>
	2. Dit Reglement treedt in werking 1 maart 2013.</al><al>
	Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Schoonhoven</al><al>
	van 28 maart 2013.</al><al>
	 </al><al>
	 </al><al>
	de griffier,                                         de voorzitter,</al><al>
	P.A.M. Goedvolk                              A.F. Bonthuis </al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>