<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>27300_1</dcterms:identifier><dcterms:title>LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 31ste mei 2000 ter uitvoering van artikel 11, vijfde lid, van de Landsverordening voortgezet onderwijs (P.B. 1979, no. 29)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheidrg:NederlandseAntillen">Nederlandse Antillen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-05-05</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheidrg:BestuursorgaanNederlandseAntillen">Gouverneur van de Nederlandse Antillen</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">P.B. 2000, no. 58</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2000-05-31</dcterms:issued><dcterms:alternative>Landsbesluit kerndoelen basisvorming</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Landsverordening voortgezet onderwijs (P.B. 1979, no. 29), artikel 11, vijfde lid </dcterms:source><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-07-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1998-08-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>n.v.t.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen </al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen </al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 31ste mei 2000 ter uitvoering van artikel 11, vijfde lid, van de Landsverordening voortgezet onderwijs (P.B. 1979, no. 29)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>De kerndoelen voor de vakken, genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Landsverordening voortgezet onderwijs (P.B. 1979, no. 29), worden vastgesteld overeenkomstig de bij dit landsbesluit gevoegde bijlage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die der uitgifte van het Publicatieblad, waarin het geplaatst is en werkt terug tot en met 1 augustus 1998.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Dit landsbesluit wordt aangehaald als: Landsbesluit kerndoelen basisvorming.</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>Bijlage</tussenkop><tussenkop>2 Kerndoelen per vak</tussenkop><tussenkop>2.1 Nederlands</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Nederlands op de Nederlandse Antillen is gericht op verdere ontwikkeling van het op de basisschool in gang gezette taalleerproces om de leerlingen in staat te stellen de Nederlandse taal zowel receptief als productief, zowel mondeling als schriftelijk te gebruiken, teneinde:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie en kennis te kunnen verwerven in:</al><lijst><li nr="-"><al>studiesituaties op school;</al></li><li nr="-"><al>vervolgopleidingen en cursussen;</al></li><li nr="-"><al>toekomstige beroepssituaties;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>te kunnen communiceren met anderen in formele en informele situaties over zakelijke en persoonlijke onderwerpen.</al></li></lijst><al>Verder is het onderwijs in het vak Nederlands erop gericht te bewerkstelligen dat de leerlingen gemotiveerd zijn te communiceren in het Nederlands.</al><al>Ten slotte wordt er bij het onderwijs in het vak Nederlands gestreefd naar:</al><lijst><li nr="c."><al>het verwerven van kennis van communicatiemiddelen en informatiebronnen en hun respectievelijke functies;</al></li><li nr="d."><al>het verwerven van het inzicht dat taal een wezenlijk onderdeel is van een cultuur.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen  beheersen  basistaalvaardigheden op het gebied  van  technisch luisteren (auditieve concentratie, klankonderscheiding, woord- en zinsintonatie, zinsgrenzen en andere auditieve functies), technisch lezen (o.a. decodeervaardigheid, omgaan met leestekens, zinsintonatie) schrijven en spreken (primaire gespreksconventies).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Informatievaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen informatie verwerven via schriftelijke mondelinge en audiovisuele bronnen en (geautomatiseerde) gegevensbestanden. Het betreft hier ook het verwerven van diverse soorten informatie uit het woordenboek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen uit deze informatiebronnen relevante inhoudselementen selecteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen deze inhoudselementen ordenen en verwoorden op een doel- en publiekgerichte wijze</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen software gebruiken om de betekenis van een woord of zin op te zoeken of een grammaticaoverzicht te raadplegen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen bij het schrijven, verbeteren en vormgeven van een tekst een tekstverwerkingsprogramma gebruiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen strategieën inzetten die op het bereiken van verschillende lees-, luister-, spreek- en schrijfdoelen zijn afgestemd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen compenserende strategieën inzetten, wanneer de eigen taal- en communicatieve kennis te kort schiet (bijv. informatie afleiden uit de context en de woordvorm; mobiliseren van voorkennis bij luisteren en lezen; voorspellend lezen en luisteren; een woordenboek gebruiken; vragen wat iets betekent; vragen om een langzamer spreektempo of herhaling; omschrijvingen en parafraseringen gebruiken).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen  kunnen reflecteren op  hun eigen strategiehantering en deze waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen zich oriënteren op een taak, een werkplanning maken, deze tijdens de uitvoering bewaken, op produkt en proces van hun werk reflecteren en een en ander waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen in groepsverband samenwerken bij het uitvoeren  van  een  gemeenschappelijke   opdracht,  waarbij leerlingen onderling de taken verdelen, elkaar helpen, rekening houden met elkaar, zich houden aan afspraken en een gemeenschappelijke presentatie verzorgen van het eindresultaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen reflecteren op het proces van samenwerking bij groepsopdrachten en daarbij opbouwende kritiek leveren, accepteren en benutten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen lichaamstaal, oogcontact, stemgebruik en gesticuleren hanteren en interpreteren, waarbij zij zich ervan bewust zijn dat deze per cultuur kunnen verschillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen non-verbaal gedrag bij zichzelf en anderen herkennen, het effect ervan onderkennen en het eigen non-verbale gedrag waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Leesvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen  kunnen  de kenmerken  van  een  aantal  tekstsoorten onderscheiden en daar bij het lezen gebruik van maken. Het betreft ten minste:</al><al>-het (geautomatiseerde) gegevensbestand</al><al>-de instructie</al><al>-het krantenartikel</al><al>-het invulformulier</al><al>-het naslagwerk</al><al>-de reclametekst</al><al>-de schoolboektekst</al><al>-het vraaggesprek</al><al>-fictionele teksten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen de functies van beeld en opmaak (titel, tussenkopjes, illustraties, lettertypes, tekst- en alineaindeling) in een tekst onderscheiden en kunnen laten zien hoe een tekst gestructureerd kan zijn met behulp van alinea's en door middel van een indeling in inleiding, kernstuk en slot.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen globaal lezen, selectief lezen en intensief lezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen in teksten ten minste aanwijzen:</al><al>-het doel van de schrijver</al><al>-het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte</al><al>-feiten</al><al>-meningen</al><al>-voorbeelden</al><al>-tegenstellingen</al><al>-oorzaak-gevolg-relaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Leesvaardigheid op scholen met Nederlands als instructietaal</al></entry><entry colname="col3"><al>19.De  leerlingen  kunnen  op  een  systematische  wijze  schoolboekteksten  lezen  en  kunnen de informatie uit deze teksten verwerken  met behulp van  het hiertoe benodigde  inzicht in  het Nederlandse taalsysteem.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen op een systematische manier vragen bij een tekst lezen en beantwoorden met behulp van het hiertoe benodigde inzicht in het Nederlandse taalsysteem. Ze herkennen aan de formulering van de vraag wat er van hen verwacht wordt en kunnen bepalen waar ze het antwoord kunnen vinden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.(Kijk- en) luistervaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen  kunnen  de kenmerken  van  een  aantal  tekstsoorten onderscheiden en daar bij het luisteren gebruik van maken. Het betreft ten minste:</al><al>-de instructie en uitleg</al><al>-het nieuwsbericht</al><al>-de monoloog</al><al>-het vraaggesprek</al><al>-de discussie</al><al>-de speelfilm en de televisieserie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen globaal, selectief en intensief luisteren en kijken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen in een voor hen bestemde uitleg of in een voor hen bestemd radio- of televisieprogramma ten minste aanwijzen:</al><al>-het doel van de spreker</al><al>-het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Luistervaardigheid op scholen met Nederlands als</al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen  kunnen  op systematische wijze vaklessen volgen.  Ze kunnen  de structuur van lessen doorzien,  structurerende woorden herkennen,  vragen stellen  en  beantwoorden met behulp van  het  hiertoe benodigde  inzicht in het Nederlandse taalsysteem.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Spreekvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen  kunnen  de kenmerken  van  een  aantal  tekstsoorten onderscheiden en daar bij het spreken gebruik van maken. Het betreft ten minste:</al><al>-de monoloog</al><al>-de dialoog</al><al>-de discussie</al><al>-het vraaggesprek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen op basis van gegeven of zelf verzamelde informatie voor een bekend publiek een korte, informatieve monoloog houden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen in verschillende min of meer formele situaties een dialoog voeren met als doel:</al><al>-informatie geven of krijgen</al><al>-naar een mening vragen of een mening geven</al><al>-tot handelen overhalen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen in klassen- of schoolverband aan een groepsgesprek deelnemen, met als doel:</al><al>-informatie geven of krijgen</al><al>-naar een mening vragen of een mening geven</al><al>-tot handelen overhalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Schrijfvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen  kunnen  de specifieke kenmerken van ten minste de volgende tekstsoorten onderscheiden en daar bij het schrijven gebruik van maken:</al><al>-het formulier</al><al>-de brief en de adressering</al><al>-het verslag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen op invulformulieren ten minste de volgende gegevens verstrekken:</al><al>-naam en geslachtsaanduiding</al><al>-adres</al><al>-nationaliteit</al><al>-leeftijd</al><al>-data</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen op basis van gegeven of zelf verzamelde informatie een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven om:</al><al>-een ontmoeting, bezoek of ander contact te arrangeren of af te zeggen</al><al>-korte mededelingen te doen, zoals bedanken, groeten en goede wensen overbrengen</al><al>-informatie te vragen of te geven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen een verslag schrijven en dit van een passende titel voorzien en  structureren met gebruikmaking van alinea's en tussenkopjes en door middel van een indeling in inleiding, kernstuk en slot.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen kunnen:</al><al>-een eigen tekst en die van een ander nakijken</al><al>-suggesties doen voor verbetering van een tekst</al><al>-een eigen tekst herschrijven, ook op basis van reacties van anderen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Taal en taal verschijnselen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De  leerlingen   kunnen   basisregels  op  het  gebied  van  demorfologie toepassen met betrekking tot:</al><al>-werkwoordsvervoeging (daartoe kunnen zij in een zin de persoonsvorm, het onderwerp en het gezegde herkennen)</al><al>-vorming van meervouden en verkleinwoorden</al><al>-samenstellingen en afleidingen</al><al>-de trappen van vergelijking</al><al>-het genus</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen kunnen  basisregels op het gebied van de syntaxis toepassen met betrekking tot:</al><al>-de woordvolgorde in de hoofdzin, de bijzin, de vraagzin, de ontkennende zin en inversie</al><al>-"er"-constructies van de volgende typen: topisch "er", kwantitatief "er" en "er" als deel van het voornaamwoordelijk bijwoord.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Taal en taalverschijnselen op scholen met Nederlands als instructietaal</al></entry><entry colname="col3"><al>36.De  leerlingen  kunnen  aantonen  dat  ze  een basiswoordenschat van   instructie-  en  algemene schooltaalwoorden receptief beheersen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>37.De leerlingen kunnen een relatie leggen tussen de koloniale geschiedenis en de aanwezigheid van de Nederlandse taal in de Nederlandse Antillen. Zij kunnen laten zien, dat zij zich bewust zijn van het belang, maar ook van de problematiek van  het Nederlands in het  hedendaagse Antilliaanse onderwijs. Verder hebben de leerlingen inzicht in de achtergronden van verschillen in gesproken taal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>G.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>38.De leerlingen kunnen het belang aangeven van het beheersen van de Nederlandse taal voor:</al><al>-vervolgmogelijkheden binnen en na de school</al><al>-het uitoefenen van een beroep</al><al>-het uitbreiden van hun algemene ontwikkeling</al><al>-praktische vaardigheden, zoals het lezen van advertenties, het invullen van aanmeldingsformulieren en het schrijven van sollicitatiebrieven in de toekomst.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.2 Spaans</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Spaans op de Nederlandse Antillen is gericht op communicatie waarbij: </al><lijst><li nr="-"><al>het aanbieden van de gelegenheid tot verbreding van de ontwikkeling van de leerling, zowel cognitief als sociaal-emotioneel (cultureel),</al></li><li nr="-"><al>het stimuleren van de leerlingen om de vreemde taal te leren,</al></li><li nr="-"><al>het verwerven van het inzicht dat taal een wezenlijk onderdeel is van de cultuur, zeer belangrijk zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen  kunnen informatie verwerven via schriftelijke, mondelinge en audiovisuele bronnen en (geautomatiseerde) gegevensbestanden in de Spaanse taal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen eenvoudige informatie opzoeken en kunnen omgaan met hulpmiddelen zoals woordenboeken, encyclopedieën, elektronische informatiesystemen en eenvoudige grammaticaoverzichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen  kunnen  strategieën  hanteren  die  hen in staat stellen de handelingen die genoemd worden in de kerndoelen voor  luister-, lees-, gespreks- en schrijfvaardigheid uit te voeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen compenserende interpretatiestrategieën inzetten, zoals het afleiden van de betekenis van woorden uit de context en het gebruik maken van de lay-out.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen compenserende productiestrategieën inzetten, zoals het gebruik van omschrijvingen en lichaamstaal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen  kunnen  de doelstellingen die voor hun vreem- de taalverwerving gelden, of die door hen nagestreefd worden, verwoorden. (Waarom leer ik Spaans?)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen de voor hen geschikte procedures en hulpmiddelen aangeven die nodig zijn bij het leren van Spaans. (Hoe leer ik Spaans?)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen zijn in staat om gesprekken in de Spaanse taal zodanig te sturen dat zij daar gezien hun beperkte taalvaardigheid optimaal aan kunnen deelnemen. Zij kunnen bijvoorbeeld om een langzamer spreektempo of om herhaling vragen en aangeven dat zij iets niet begrijpen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen bij de Spaanse taal aan projecten en activiteiten (bijv. een werkstuk) werken die meerdere lessen in beslag kunnen nemen. Zij kunnen daarbij hun eigen werk plannen en evalueren. Zij laten daarbij zien, zowel op het product als op het proces (de gehanteerde werkwijze) te kunnen reflecteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen zich op een voor hun eigen doeleinden adequate wijze op de hoogte stellen van de voortgang van hun eigen taalverwervingsproces. (Hun eigen werk kritisch beoordelen en daar lering uit trekken.)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen in groepsverband samenwerken  bij het uitvoeren van gemeenschappelijke opdrachten,  zoals bijvoorbeeld een project "Puerto Rico", "La cocina española" of "Palabras internacionales en el español". Daarbij kunnen zij onderling de taken verdelen, rekening houden met elkaar, elkaar helpen, zich houden aan afspraken en een gemeenschappelijke presentatie verzorgen van het eindresultaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.In contacten met de Spaanse taal laten de leerlingen zien dat zij enig inzicht hebben in het eigen karakter van de leefwereld in die landen waar het Spaans als voertaal gebruikt wordt. Zij hebben daartoe kennis gemaakt met cultuuruitingen die specifiek zijn voor het betreffende taalgebied.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.In contacten met gebruikers van de Spaanse taal kunnen de leerlingen omgangsvormen hanteren die in deze contacten adequaat zijn. Zij kunnen bijvoorbeeld op gepaste wijze begroeten, afscheid nemen en zich verontschuldigen (diverse varianten).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Luistervaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen begrijpen de betekenis van de aanwijzingen, waarschuwingen en aankondigingen in het verkeer en op reis, mits deze voldoen aan de volgende criteria:</al><al>-zij zijn gesteld in taal die eenvoudig is wat betreft structuur en vocabulaire;</al><al>-zij worden duidelijk ten gehore gebracht zonder storende misvormingen en bijgeluiden;</al><al>-het spreektempo is matig, maar niet onnatuurlijk langzaam;</al><al>-de spreker heeft geen sterk sociaal of regionaal gemarkeerd accent;</al><al>-de teksten zijn levensecht, d.w.z. dat zij authentiek zijn of zouden kunnen zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen relevante informatie selecteren uit functionele teksten die via radio, televisie, of telefoon ten gehore worden gebracht, zoals het weerbericht, verkeersinformatie en programma-aankondigingen, die voldoen aan de bovengenoemde criteria.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen begrijpen de hoofdzaak van interviews en monologen, verhalende en literaire of cultureel getinte teksten, mits deze teksten aansluiten bij en voortbouwen op de ervaringswereld van de leerlingen en hun ontwikkelingsniveau en voldoen aan de bovengenoemde criteria.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen begrijpen de socioculturele uitingen van de Spaanssprekende landen door middel van muziek/dans en liederen (salsa, merengue, joropo, cumbia, tango enz.) en spelen erop in.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Leesvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen de betekenis van aanwijzingen, opschriften, waarschuwingen en aankondigingen begrijpen, mits deze gesteld zijn in taal die eenvoudig is, wat betreft structuur en vocabulaire.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen relevante informatie opzoeken/begrijpen in functionele teksten, zoals folders, formulieren en advertenties, mits deze informatie gesteld is in taal die eenvoudig is wat betreft structuur en vocabulaire.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen gegevens uit functionele teksten (uitleg van folders, recepten) met elkaar vergelijken en uit deze vergelijking conclusies trekken, mits deze gegevens gesteld zijn in taal die eenvoudig is wat betreft structuur en vocabulaire.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen begrijpen de hoofdzaak van informatieve artikelen in kranten en tijdschriften, verhalende, literaire of cultureel getinte teksten en persoonlijke correspondentie, mits de betreffende teksten voldoen aan de volgende criteria:</al><al>-zij zijn eenvoudig wat betreft opbouw en vocabulaire;</al><al>-de belangrijke informatie is expliciet verwoord;</al><al>-zij sluiten aan bij en bouwen voort op de ervaringswereld (Caraïbisch gebied, Midden- en Zuid Amerika) van de leerlingen en hun ontwikkelingsniveau;</al><al>-zij zijn levensecht (cultureel leefpatroon): d.w.z. dat zij authentiek zijn of zouden kunnen zijn en dat zij zoveel mogelijk in hun originele lay-out (situaties) worden aangeboden;</al><al>-de persoonlijke correspondentie heeft betrekking op onderwerpen persoonlijk leven, school, studie en beroep, formele sociale contacten en vrije tijd;</al><al>-zij bevatten onderwerpen die zowel jongens als meisjes aanspreken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen hebben ervaring met extensief lezen van teksten die meerdere pagina's beslaan en die voldoen aan de eerder genoemde criteria. De ervaring wordt zichtbaar gemaakt in een leesdossier, d.w.z. een schriftelijk document waarin geregistreerd wordt welke langere teksten en eventuele eenvoudige boekjes de leerlingen in de basisvorming hebben gelezen en die het aanleren van de vreemde taal aantrekkelijk moeten maken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Gespreksvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen in voorspelbare, alledaagse gesprekssituaties (dialogen), zoals in winkels, bij de bank en in het verkeer, de volgende taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij die situatie past:</al><al>-informatie vragen en geven;</al><al>-naar een mening of oordeel vragen en een mening of oordeel geven;</al><al>-een voorkeur uitspreken en naar een voorkeur vragen;</al><al>-iets vertellen of beschrijven;</al><al>-positieve en negatieve gevoelens uiten;</al><al>-accepteren en weigeren;</al><al>-hulp vragen en aanbieden.</al><al>De leerlingen kunnen zich in gesprekssituaties uitdrukken op een bij de gesprekssituatie passende wijze, en wel zo, dat de bedoeling van de leerling zonder grote moeite begrepen kan worden, ook door iemand die de Spaanse taal als moedertaal spreekt en weinig of geen ervaring heeft met communicatiepartners met een andere taalachtergrond.</al><al>Dit impliceert een zekere mate van correctheid in uitdrukkingsvorm, woordgebruik en uitspraak, waarbij grammaticale correctheid een minder grote rol speelt, behalve waar grammaticale fouten daadwerkelijk verstoren.</al><al>Op eventuele vragen en opmerkingen van hun gesprekspartner reageren leerlingen met tenminste één zin zodanig dat de bedoeling begrijpelijk is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.In minder voorspelbare gesprekssituaties waarbij onderwerpen aanbod komen uit het persoonlijk leven, school/ studie en beroep, in informele sociale contacten en vrije tijd kunnen de leerlingen de volgende taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij de situatie past:</al><al>-informatie vragen en geven;</al><al>-naar een mening/oordeel vragen en een mening/oordeel geven;</al><al>-een voorkeur uitspreken/naar een voorkeur vragen;</al><al>-iets vertellen of begrijpen;</al><al>-positieve en negatieve gevoelens uiten;</al><al>-het houden of afnemen van eenvoudige interviews.</al><al>Bij de uitvoering van genoemde taalhandelingen dienen de leerlingen te voldoen aan de eisen zoals hiervoor beschreven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Schrijfvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen op invulformulieren (immigratieformulieren) ten minste de volgende gegevens verstrekken: naam en geslachtsaanduiding, data nationaliteit, type identiteitsbewijs en adres.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen een standaardbriefje schrijven met een verzoek om te reserveren of om inlichtingen te vragen in de toeristische sfeer.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven om:</al><al>-een ontmoeting, bezoek of ander contact te arrangeren of af te zeggen;</al><al>-korte mededelingen te doen, zoals bedanken, groeten en goede wensen overbrengen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen op creatieve wijze korte verhaaltjes, gedichtjes (ritmische poëzie) schrijven.</al><al>Bij de uitvoering van de kerndoelen moet rekening gehouden worden met de correctheid van het taalgebruik.</al><al>Grammaticale fouten moeten niet storend zijn bij het overkomen van de boodschap.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen weten in welke landen en gebieden de Spaanse taal als omgangstaal gebruikt wordt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen hebben inzicht in en kunnen de rol en het belang van het Spaans aangeven in internationale contacten, zowel op zakelijk en technologisch als op sociaal en cultureel gebied, binnen en buiten de Antillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen de rol en het belang van de Spaanse taal aangeven voor hun vervolgmogelijkheden binnen en na de school, met name met het oog op vervolgstudies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen aangeven welke rol de Spaanse taal speelt of kan spelen met betrekking tot hun vrijetijdsbesteding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen zijn op de hoogte van de mogelijkheden die de omringende Spaanssprekende landen bieden voor hun verdere persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De leerlingen hebben een realistisch beeld van het volk en de cultuur van de Spaanstalige landen, vooral die landen waarmee een intensief contact bestaat.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.3	Engels</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het Engels is op de Nederlandse Antillen gericht op communicatie, zowel receptief als productief. Dat wil zeggen: de leerling moet zowel mondeling als schriftelijk kunnen communiceren met anderen in alledaagse situaties over persoonlijke en zakelijke onderwerpen.</al><al>Hierbij is belangrijk:</al><lijst><li nr="1."><al>het aanbieden van de gelegenheid tot bredere ontwikkeling van de leerling, die houdingen, kennis, vaardigheden en strategieën verwerft, die op de toepassing van het geleerde betrekking hebben;</al></li><li nr="2."><al>het stimuleren van de interesse in andere talen;</al></li><li nr="3."><al>het verwerven van het inzicht dat taal een wezenlijk onderdeel is van de cultuur.</al></li></lijst><al>Daar waar de doeltaal tevens de instructietaal is, moet de doeltaal gericht zijn op verdere ontwikkeling van het taalleerproces dat op de basisschool is ingezet.</al><al>Bijvoorbeeld: het Nederlands op Curaçao en Bonaire; het Engels op St-Maarten en Saba</al><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen informatie  verwerven via schriftelijke, mondelinge en audiovisuele bronnen en (geautomatiseerde) gegevensbestanden in de Engelse taal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen eenvoudige informatie opzoeken en kunnen omgaan met hulpmiddelen zoals woordenboeken, encyclopedieën, elektronische informatiesystemen en eenvoudige grammaticaoverzichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen  kunnen  strategieën  hanteren  die hen  in staat stellen de handelingen die genoemd worden in de kerndoelen voor luister-, lees-, gespreks- en schrijfvaardigheid uit te voeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen compenserende interpretatiestrategieën hanteren, zoals het afleiden van de betekenis van woorden uit de context en uit hun kennis van andere talen en het voorspellen van de inhoud aan de hand van de vorm/lay-out.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen compenserende productiestrategieën toepassen, zoals het gebruik van omschrijvingen en lichaamstaal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen  kunnen  de doelstellingen die zij nastreven bij het leren van Engels, onder woorden brengen. ("Waarom leer ik Engels?")</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen de voor hen geschikte procedures en hulpmiddelen aangeven die nodig zijn bij het leren van Engels. ("Hoe leer ik Engels?")</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen bij Engels gezamenlijk aan projecten werken, ze kunnen daarbij hun eigen werk plannen en evalueren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen hun eigen leerproces evalueren en daaruit conclusies trekken met het oog op toekomstige activiteiten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen in groepsverband samenwerken bij het uitvoeren van gemeenschappelijke opdrachten zoals bijvoorbeeld "The Rastafarian Movement in the Caribbean" of "English Words in Papiamentu". Daarbij kunnen zij onderling de taken verdelen, rekening houden met elkaar, elkaar helpen, zich houden aan afspraken, en een gemeenschappelijke presentatie verzorgen van het resultaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen hebben enig inzicht in de socioculturele /eigenschappen van de leefwereld van Engelstalige landen en kunnen dit tonen in contacten met sprekers van de Engelse taal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen zijn in staat om gesprekken in de Engelse taal zodanig te sturen dat zij daar gezien hun beperkte taalvaardigheid optimaal aan kunnen deelnemen. Zij kunnen bijvoorbeeld om een langzamer spreektempo of om herhaling vragen en aangeven dat zij iets niet begrijpen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Leesvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen eenvoudige aanwijzingen, opschriften, waarschuwingen, aankondigingen e.d. begrijpen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen relevante informatie opzoeken in folders, menukaarten, tijdschema's, advertenties e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen uit functionele en informatieve teksten relevante gegevens halen, verwerken en toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen in informatieve teksten hoofd- en bijzaken onderscheiden, mits de betreffende teksten voldoen aan de volgende criteria:</al><al>-ze zijn eenvoudig wat betreft opbouw en vocabulair, de belangrijke informatie is expliciet verwoord;</al><al>-ze moeten aansluiten bij en voortbouwen op de belevingswereld van de Antilliaanse leerlingen en moeten die verruimen.</al><al>-ze moeten onderwerpen bevatten die zowel jongens als meisjes aanspreken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen een waardeoordeel uitspreken over de inhoud van een tekst.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.Leerlingen hebben ervaring met het lezen van langere teksten en eenvoudige boeken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Luistervaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen de betekenis begrijpen van vragen, instructies, waarschuwingen, aankondigingen en voorlichting in alledaagse situaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen relevante informatie selecteren uit functionele teksten via de media, via de telefoon en andere communicatiemiddelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen begrijpen de hoofdzaken van interviews en monologen, verhalende en literaire of cultureel getinte teksten, mits deze teksten aansluiten bij en voortbouwen op de ervaringswereld van de leerlingen en hun ontwikkelingsniveau en voldoen aan bovengenoemde criteria.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Gespreksvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen in alledaagse situaties:</al><al>-informatie vragen;</al><al>-informatie geven, bijvoorbeeld over de eigen cultuur;</al><al>-naar een mening of oordeel vragen;</al><al>-een mening of oordeel geven;</al><al>-iemand overtuigen;</al><al>-een voorwerp, een persoon en een situatie beschrijven;</al><al>-gevoelens uiten;</al><al>-iets kopen en iets bestellen;</al><al>-hulp vragen en hulp aanbieden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen in de sociale omgang:</al><al>-iemand begroeten;</al><al>-afscheid nemen van iemand;</al><al>-zich voorstellen;</al><al>-zich verontschuldigen en reageren op verontschuldigingen;</al><al>-bedanken en reageren op een dankzegging;</al><al>-feliciteren en reageren op felicitaties;</al><al>-iemand uitnodigen en op een uitnodiging reageren;</al><al>-iemand waarschuwen;</al><al>-iets accepteren en iets weigeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen zich in gesprekssituaties uitdrukken op een bij de gesprekssituatie passende wijze, en wel zo, dat de bedoeling van de leerling zonder grote moeite begrepen kan worden, ook door iemand die het Engels als moedertaal heeft en weinig of geen ervaring heeft met communicatiepartners met een andere taalachtergrond.</al><al>Dit impliceert een zekere mate van correctheid in uitdrukkingsvorm, woordgebruik en uitspraak, waarbij grammaticale correctheid een minder grote rol speelt, behalve waar grammaticale fouten daadwerkelijk verstoren. Op eventuele vragen van de gesprekspartner reageren de leerlingen met tenminste een zin zodanig, dat de bedoeling begrijpelijk is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Schrijfvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen:</al><al>-formulieren invullen</al><al>-een eenvoudig, zakelijk briefje schrijven</al><al>-een eenvoudig persoonlijk briefje schrijven</al><al>-op creatieve wijze hun gevoelens uiten bv. in gedichtjes, liedjes, korte verhaaltjes, toneelstukjes, e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.Leerlingen kunnen taalgebruiksregels toepassen om eenvoudige zinnen te schrijven. Grammaticale fouten moeten niet storend zijn bij het overkomen van de boodschap.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen weten in welke landen en gebieden het Engels als omgangstaal gebruikt wordt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen hebben inzicht in en kunnen de rol en het belang van het Engels aangeven in internationale contacten, zowel op zakelijk en technologisch als op sociaal en cultureel gebied.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen kunnen de rol en het belang van het Engels aangeven voor hun vervolgmogelijkheden binnen en na de school, met name met het oog op vervolgstudies en te kiezen beroepen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen aangeven welke rol het Engels speelt of kan spelen met betrekking tot hun vrijetijdsbesteding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen zijn op de hoogte van de mogelijkheden die de omringende Engelstalige landen bieden voor hun verdere persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen hebben een realistisch beeld van het volk en de cultuur van de Engelstalige landen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.4 Papiamentu</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Doel van het onderwijs in het vak Papiamentu is dat leerlingen zich kunnen ontwikkelen door middel van actief en passief taalgebruik met het oog op de vervolgopleiding, het werk en het functioneren in de maatschappij.</al><al>Dit omvat concreet:</al><al>Leerlingen kunnen verbaal goed optreden in een aantal verschillende taalsituaties.</al><al>Door middel van een overzicht, dat de leerling heeft ontwikkeld in taalgebruikssituaties, en de mogelijkheid die de leerling heeft om hierin op een doelmatige manier te functioneren krijgen leerlingen een uitgebreider inzicht in de maatschappij en kan de leerling zich daarin weerbaarder opstellen.</al><al>Leren denken over taal en taalgebruikssituaties draagt bij aan het leren denken in het algemeen.</al><al>Leerlingen ontwikkelen zich om onafhankelijk en flexibel te kunnen optreden.</al><al>Leerlingen leren ook hun sociale vaardigheden te ontwikkelen: verantwoordelijkheidsgevoel en vaardigheden om met elkaar samen te werken.</al><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen (geautomatiseerde) informatie  verwerven via schriftelijke, mondelinge en audiovisuele bronnen en gegevensbestanden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen uit deze informatiebronnen relevante inhoudselementen selecteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen deze inhoudselementen ordenen en verwoorden op een doel- en publiekgerichte wijze.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen de doelstellingen die voor het vak Papiamentu gelden, of die door hen nagestreefd worden, verwoorden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen  kunnen  strategieën  hanteren  die hen  in staat stellen de handelingen die genoemd worden in de kerndoelen voor luister-, lees-, gespreks- en schrijf vaardigheid uit te voeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen compenserende interpretatiestrategieën inzetten, wanneer de eigen taal- en communicatieve kennis tekort schieten (bijv. informatie afleiden uit de context en de woordvorm; mobiliseren van voorkennis bij luisteren en lezen; voorspellend lezen en luisteren; een woordenboek gebruiken; vragen wat iets betekent; vragen om een langzamer spreektempo of  herhaling; omschrijvingen en parafraseringen gebruiken).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen  hebben inzicht  in  hun verwervingsproces  en -niveau van het Papiamentu en kunnen dit waar nodig bijstellen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen reflecteren op hun eigen strategiehantering en deze waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen zich oriënteren op een taak, een werkplanning maken, deze tijdens de uitvoering bewaken, op product en proces van hun werk reflecteren en een en ander waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen in groepsverband samenwerken bij het uitvoeren van een gemeenschappelijke opdracht (zoals projecten en activiteiten; bijv. een werkstuk of excursie), waarbij leerlingen onderling de taken verdelen, elkaar helpen, rekening houden met elkaar, zich houden aan afspraken en een gemeenschappelijke presentatie verzorgen van het eindresultaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen reflecteren op het proces van samenwerking bij groepsopdrachten en daarbij opbouwende kritiek leveren, accepteren en benutten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen non-verbaal gedrag bij zichzelf en anderen herkennen, waarbij zij zich ervan bewust zijn dat deze per cultuur kunnen verschillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen non-verbaal gedrag zoals lichaamstaal, gesticuleren, oogcontact en stemgebruik interpreteren en hanteren, het effect ervan onderkennen en waar nodig verbeteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Luister- en kijkvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen  kunnen  door  te luisteren  en/of te kijken relevante informatie selecteren uit functionele teksten via radio, televisie, telefoon of andere elektronische media.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen begrijpen de hoofdzaak van interviews en monologen, verhalende en literaire of cultureel getinte teksten op hun niveau en binnen hun ervaringswereld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen een aantal tekstsoorten aan de hand van hun kenmerken onderscheiden en daar bij het luisteren gebruik van maken. Het betreft ten minste:</al><al>-de instructie en uitleg</al><al>-het nieuwsbericht</al><al>-de monoloog</al><al>-het vraaggesprek</al><al>-de discussie</al><al>-de speelfilm / de televisieserie</al><al>-de toneel- en liedtekst</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen globaal, selectief en intensief luisteren en kijken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen in een voor hen bestemde uitleg of in een voor hen bestemd radio- of televisieprogramma ten minste aangeven:</al><al>-het doel van de spreker</al><al>-het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Gespreksvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen in klas- of schoolverband</al><al>a.informatie vragen of geven;</al><al>b.naar een mening vragen en een eigen mening geven;</al><al>c.een voor hen aanvaardbaar resultaat bereiken (zoals overtuigen of  tot handelen overhalen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen in formele gesprekssituaties een dialoog voeren met als doel:</al><al>a.informatie vragen of geven;</al><al>b.naar een mening vragen en een eigen mening geven;</al><al>c.de gesprekspartner overtuigen;</al><al>d.iets van de gesprekspartner gedaan krijgen;</al><al>en daarbij hun woordkeus en toon aan de situatie aanpassen.</al><al>formele gesprekssituaties worden bedoeld: </al><al>-gesprekken waarin sprake is van een duidelijk statusverschil tussen de gesprekspartners;</al><al>-gesprekken met onbekende volwassenen</al><al>-gesprekken met officiële instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen in voorspelbare, alledaagse gesprekssituaties (dialogen), zoals in winkels, bij de bank en in het verkeer, de volgende mondelinge taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij die situatie past:</al><al>-informatie vragen en geven;</al><al>-naar een mening of oordeel vragen en een mening of oordeel geven;</al><al>-een voorkeur uitspreken en naar een voorkeur vragen;</al><al>-iets vertellen of beschrijven;</al><al>-positieve en negatieve gevoelens uiten;</al><al>-accepteren en weigeren;</al><al>-hulp vragen en aanbieden.</al><al>De leerlingen kunnen zich in gesprekssituaties uitdrukken op een bij de gesprekssituatie passende wijze, en wel zo, dat de bedoeling van de leerling zonder grote moeite begrepen kan worden. Dit impliceert een zekere mate van correctheid in uitdrukkingsvorm, woordgebruik en uitspraak, waarbij grammaticale correctheid een minder grote rol speelt, behalve waar grammaticale fouten daadwerkelijk storen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.In minder voorspelbare gesprekssituaties waarbij onderwerpen aan bod komen uit het persoonlijk leven, school / studie en beroep, in informele sociale contacten en vrije tijd kunnen de leerlingen de volgende taalhandelingen uitvoeren op een manier die bij de situatie past:</al><al>-informatie vragen en geven;</al><al>-naar een mening / oordeel vragen en een mening / oordeel geven;</al><al>-een voorkeur uitspreken / naar een voorkeur vragen;</al><al>-iets vertellen of begrijpen;</al><al>-positieve en negatieve gevoelens uiten;</al><al>-het geven of afnemen van eenvoudige interviews.</al><al>Bij de uitvoering van genoemde taalhandelingen dienen de leerlingen te voldoen aan de eisen zoals hiervoor beschreven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Leesvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen kritisch denken en praten over de aanpak en het resultaat van spreek-, luister- en kijktaken en hieruit conclusies trekken voor het uitvoeren van volgende taken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen  kunnen  de kenmerken  van  een  aantal  tekstsoorten onderscheiden en daar bij het lezen gebruik van maken. Het betreft tenminste:</al><al>-het (geautomatiseerde) gegevensbestand</al><al>-de instructie</al><al>-het krantenartikel</al><al>-het invulformulier</al><al>-het naslagwerk</al><al>-de reclametekst</al><al>-de schoolboektekst</al><al>-het vraaggesprek</al><al>-fictionele teksten (verhaal, toneelstuk en gedicht)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen de functies van beeld en opmaak (titel, tussenkopjes, illustraties, lettertypes, tekst- en alineaindeling) in een tekst onderscheiden en kunnen laten zien hoe een tekst gestructureerd kan zijn met behulp van alinea's en door middel van een indeling in inleiding, kernstuk en slot.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen globaal lezen, zoekend lezen, intensief lezen en studerend lezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen in teksten ten minste de volgende typen informatie aangeven en de betekenis van woorden afleiden uit de context:</al><al>-het doel van de schrijver</al><al>-het hoofdonderwerp en de hoofdgedachte</al><al>-feiten</al><al>-meningen</al><al>-voorbeelden</al><al>-tegenstellingen</al><al>-middel-doel-relaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen gegevens uit functionele teksten (uitleg van folders, recepten) met elkaar vergelijken en uit deze vergelijking conclusies trekken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Schrijfvaardigheid</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen  kennen  specifieke kenmerken  van  een aantal tekstsoorten en kunnen daar bij het schrijven rekening mee houden. Het gaat daarbij om de volgende tekstsoorten:</al><al>-de advertentie</al><al>-de brief</al><al>-het formulier</al><al>-het verslag</al><al>-het werkstuk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen zich voorbereiden op een schrijftaak. Het gaat daarbij om:</al><al>-brainstormen</al><al>-eigen ideeën en gedachten ordenen</al><al>-informatie selecteren, ordenen en verwerken</al><al>-de hoofdlijnen van de te schrijven tekst uitzetten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen een tekst structureren met een indeling in inleiding, kernstuk en slot en daarbij gebruik maken van alinea's en tussenkoppen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen op basis van gegeven of zelf verzamelde informatie teksten schrijven met als doel:</al><al>a.informatie geven of verkrijgen aan/van lezer;</al><al>b.de lezer overtuigen;</al><al>c.iets van de lezer gedaan krijgen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen kunnen een eigen tekst functioneel van beeld voorzien en de tekst verzorgd vormgeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.Bij het schrijven kunnen leerlingen zich houden aan regels en afspraken met betrekking tot spelling en interpunctie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen kunnen (eigen) tekst kritisch bezien en zo nodig verbeteren.</al><al>Hierbij gaat het om de volgende activiteiten: </al><al>-een (eigen) tekst nakijken en beoordelen, eventueel met behulp van een woordenboek;</al><al>-suggesties doen voor verbetering van een tekst;</al><al>-een eigen tekst herschrijven, ook op basis van reacties van anderen;</al><al>-conclusies trekken voor het uitvoeren van volgende schrijftaken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>36.De leerlingen kunnen bij het schrijven, verbeteren en vormgeven van teksten een tekstverwerkingsprogramma gebruiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Taal- en taalverschijnsel</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>37.De leerlingen kunnen aantonen enig inzicht te hebben in het ontstaan, de ontwikkeling en het belang van het Papiamentu in de samenleving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>38.De leerlingen kunnen laten zien enig inzicht te hebben in de lokale varianten van het Papiamentu en in de varianten van Aruba, Bonaire en Curaçao, de onderlinge verschillen en overeenkomsten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>39.De leerlingen kunnen aantonen enig inzicht te hebben in het eigen karakter en in enkele basisregels van het Papiamentu met betrekking tot de uitspraak, tonaliteit, woordvorming, zinsbouw en tekstconstructie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>G.Toekomst-orientatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>40.De leerlingen kunnen het belang aangeven van het beheersen van het beheersen van het Papiamentu voor:</al><al>-vervolgmogelijkheden binnen en na school</al><al>-het uitoefenen van een beroep</al><al>-het uitbreiden van hun algemene ontwikkeling</al><al>-praktische vaardigheden m.b.t. hun eigen mogelijkheden en interesses, zoals het lezen van boeken, kranten, advertenties, het invullen van aanmeldingsformulieren en het schrijven van sollicitatiebrieven in de toekomst.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.5 Wiskunde</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Wiskunde in de Basisvorming kent de volgende algemene doelstellingen.</al><al>Gericht op persoonlijke en maatschappelijke vorming:</al><lijst><li nr="a."><al>De wiskunde waarderen door gevoel te ontwikkelen voor wiskundige denkwijzen en plezier te beleven aan wiskundige activiteiten.</al></li><li nr="b."><al>Het opbouwen van vertrouwen in eigen kunnen op wiskundig gebied.</al></li><li nr="c."><al>Het vergroten van eigen wiskundige mogelijkheden door samenwerking met anderen na te streven.</al></li></lijst><al>Gericht op het vak:</al><lijst><li nr="d."><al>Een wiskundige werkhouding ontwikkelen, waarbij systematisch methodisch werken, generaliseren, kritisch beoordelen van gegevens en uitkomsten en het creatief bedenken van oplossingen aan de orde komen.</al></li><li nr="e."><al>Wiskundige taal begrijpen en kunnen gebruiken.</al></li><li nr="f."><al>Informatietechnologie gebruiken bij het oplossen van wiskundige problemen.</al></li></lijst><al>Gericht op het (vervolg)onderwijs en beroepskeuze:</al><lijst><li nr="g."><al>Het verwerven van inzicht in de toepassingsmogelijkheden van wiskunde bij andere vakken.</al></li><li nr="h."><al>Het verwerven van die basis en beroepsgerichte kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor vervolgopleidingen.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.Taalvaardigheden: de leerlingen kunnen bij het oplossen van problemen, waarin wiskundige aspecten een rol spelen, hun bevindingen onder woorden brengen en rapporteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.Rekenvaardigheden: de leerlingen kunnen problemen oplossen, waarbij zij om uitkomsten te berekenen kunnen kiezen tussen hoofdrekenen, de zakrekenmachine, handig rekenen of cijferen. Ze kunnen de daarbij noodzakelijke berekeningen correct uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.Informatievaardigheden: de leerlingen kunnen bij het oplossen van problemen, met betrekking tot de wiskundige aspecten relevante software gebruiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.Informatievaardigheden: de leerlingen kunnen bij het oplossen van problemen, waarin wiskundige aspecten een rol spelen, van belang zijnde informatie verzamelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.Informatievaardigheden: de leerlingen kunnen bij het verwerken van de informatie de vaardigheden uit het vakspecifieke domein E toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Technisch-instrumentele vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen  beheersen  de vaardigheden in de basisalgoritmen van de eerder genoemde vakspecifieke domeinen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen  kunnen  bij  een eenvoudige  onderzoeksvraag de benodigde gegevens verzamelen en bewerken d.m.v. het maken van tabellen, diagrammen en grafieken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen bij een eenvoudige onderzoeksvraagdek verzamelde gegevens beoordelen op hun betrouwbaarheid en bruikbaarheid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen  kunnen  bij problemen, waarin wiskundige aspecten een rol spelen, een eigen oplossingsstrategie, oplossingsweg en oplossingsniveau kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen relevante gegevens uit een situatie doelmatig weergeven in een geschikte wiskundige representatie (model).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen een bij het model passende oplossingsmethode correct uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen  kunnen  doelgericht  samen  leren  en   samenwerken bij  de oplossing van problemen,  waarin wiskundige aspecten een rol spelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Rekenen, meten, schatten</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen een zakrekenmachine adequaat hanteren, in het bijzonder bij het omzetten van breuken, procenten, wortels en machten in eindige decimale getallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen de uitkomst van een berekening en meting schatten, daarbij referentiematen gebruiken en de uitkomsten controleren op orde van grootte.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen werken met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, tijd, temperatuur, hoeken en geld en kunnen hiermee bewerkingen uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen rekenen met verhoudingen en schaal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen in betekenisvolle situaties negatieve getallen ordenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen begrijpen het verband tussen verhoudingen, breuken en decimale getallen en kunnen met gebruikmaking van rekenkundige modellen daarmee eenvoudige berekeningen uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Algebra, verbanden, grafieken en functies</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen eenvoudige verbanden tussen twee variabelen uit de werkelijkheid en veranderingen daarin, omzetten vanuit de werkelijkheid in de vormen verwoording, tabel, grafiek en formule en terug.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.Zij kunnen een vorm vervangen door een andere die hetzelfde verband beschrijft.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen deze verbanden aflezen, vergelijken, interpreteren en gebruiken bij het oplossen van concrete problemen met behulp van verwoordingen, tabellen, grafieken en formules.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen bij zo'n verband karakteristieke eigenschappen herkennen en interpreteren, als maximale en minimale waarden en welke waarden van de variabelen zinvol zijn in de gegeven situatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen regelmaat in getalpatronen en tabellen vaststellen, verwoorden en voortzetten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen bij een gegeven grafiek, eventueel op een gegeven interval, vaststellen of er sprake is van een constant, stijgend, dalend of een periodiek verband.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen uit specifieke punten, het verloop en de vorm van een grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen in een formule getallen substitueren voor variabelen. Zij kunnen de waarde van een overblijvende variabele berekenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen bij twee verbanden uit de werkelijkheid aangeven, eventueel in benadering, waar functiewaarden gelijk zijn en op welke intervallen de ene groter is dan de andere.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen eenvoudige computerprogramma’s gebruiken bij het oplossen van problemen waar verbanden tussen twee variabelen een rol spelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Meetkunde</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen kunnen vlakke afbeeldingen van ruimtelijke figuren zoals foto's, patroontekeningen, plattegronden, landkaarten, bouwtekeningen interpreteren, beschrijven, zich ruimtelijk voorstellen en al dan niet op schaal weergeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen concreet handelen aan de hand van voorstellingen van ruimtelijke figuren en tastbare voorwerpen. Zij kunnen aanzichten, uitslagen, patronen en dergelijke maken en vlakken uit ruimtelijke figuren op schaal natekenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen hoeken, lengten, oppervlakten en inhouden van vlakke en ruimtelijke objecten schatten, meten en berekenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen bij het tekenen, berekenen van hoeken en afstanden en redeneren gebruik maken van meetkundige begrippen, als evenwijdig, loodrecht en richting en van eigenschappen van hoeken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen kunnen regelmaat in en eigenschappen van meetkundige patronen en objecten beschrijven. Zij kunnen deze regelmaat en eigenschappen gebruiken bij het rekenen aan en het uitbreiden en veranderen van deze patronen en objecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De leerlingen kunnen bij het tekenen, berekenen, concreet handelen en redeneren, gebruik maken van instrumenten zoals liniaal, gradenboog, tekendriehoek, passer, zelfgemaakt gereedschap, en computer. Bij computergebruik in het bijzonder 2D- en 3D- tekenprogramma’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Informatieverwerking, statistiek en kans</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen kunnen bij  het oplossen van problemen uit  de problemen uit de werkelijkheid gebruik maken van visualiseringen van informatie. Daarbij kunnen zij beoordelen of de visualisering de informatie op een geschikte wijze in beeld brengt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>36.De leerlingen kunnen statistische representaties lezen en interpreteren en gegevens verwerken en bewerken in tabellen, grafieken of diagrammen. Zij kunnen deze met behulp van centrummaten karakteriseren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>37.De leerlingen kunnen gegevens ten behoeve van statistisch onderzoek systematisch verzamelen, beschrijven en ordenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>38.De leerlingen kunnen computerprogramma's gebruiken waarmee zij data met statistische middelen kunnen verwerken. Zij kunnen de bijbehorende output interpreteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>39.De leerlingen kunnen in eenvoudige praktische situaties, aan de hand van modellen verwachtingen uitspreken over mogelijke toekomstige gebeurtenissen en ontwikkelingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>40.De leerlingen kunnen de rol en het belang van wiskunde aangeven voor hun vervolgmogelijkheden binnen en na school, met name met het oog op vervolgstudies en te kiezen beroepen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>41.De leerlingen kunnen aangeven welke rol wiskunde speelt in hun vrijetijdsbesteding. Daarbij valt te denken aan strategieën in spelsituaties, maar ook aan het gebruik van wiskundige modellen bij het organiseren van toernooien en manifestaties.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.6 Mens en Natuur</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Mens en Natuur in de Basisvorming kent de volgende algemene doelstellingen.</al><al>Gericht op het vak:</al><lijst><li nr="a."><al>Het onderwijs is gericht op het verwerven van kennis en inzicht in natuurwetenschappelijke principes en verbanden betreffende situaties, verschijnselen en gebeurtenissen in de dagelijkse omgeving van de Antilliaanse leerling.</al></li><li nr="b."><al>Het onderwijs is gericht op het toepassen van geleerde vaardigheden bij leertaken in andere vakken en vakgebieden en op het toepassen van daar opgedane vaardigheden in het vak Mens en Natuur.</al></li><li nr="c."><al>Het onderwijs is gericht op het verwerven van de natuurwetenschappelijke methode waarmee wetenschappers problemen aanpakken, onder het gebruik van de daarbij horende taal en onderzoeksvaardigheden.</al></li></lijst><al>Gericht op persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke vorming:</al><lijst><li nr="d."><al>Het onderwijs is gericht op het kunnen toepassen van de geleerde natuurwetenschappelijke kennis en vaardigheden in praktijksituaties zoals die in het dagelijkse Antilliaanse leven voorkomen.</al></li><li nr="e."><al>Het onderwijs is gericht op het verwerven van inzicht in sociale en milieueffecten die toepassing van natuurwetenschappen in de Antilliaanse samenleving te weeg brengt.</al></li><li nr="f."><al>Het onderwijs is gericht op het ontwikkelen van basisvaardigheden zoals: samenwerken, samen leren, omgaan met verschillende leerstrategieën, uitvoeren van onderzoek, rapporteren, discussiëren, omgaan met moderne informatieve en communicatieve technieken, respecteren van andere meningen, respecteren van andere levende wezens en het leven in zijn totaliteit.</al></li></lijst><al>Gericht op vervolgonderwijs en beroepskeuze:</al><lijst><li nr="g."><al>Het onderwijs is gericht op het verwerven van kennis en inzicht in de aspecten van het vak, die een bijdrage kunnen leveren aan de keuze voor het vervolgonderwijs.</al></li><li nr="h."><al>Het onderwijs is gericht op het verwerven van kennis en inzicht in de aspecten van het vak, die de basis vormen voor verdere opleiding en/of beroepsuitoefening en die een rol spelen in de praktijk van beroepen in uiteenlopende sectoren.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen  verantwoord omgaan  met  materialen, instrumenten en organismen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen waarnemingen doen aan natuurwetenschappelijke verschijnselen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen uit voor hen geschikte bronnen informatie verzamelen, selecteren en/of ordenen en de resultaten presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen gegevens uit tabellen weergeven in diagrammen en omgekeerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen natuurwetenschappelijke grootheden, eenheden en relaties gebruiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen experimenten voorbereiden, uitvoeren, en de resultaten ervan verwerken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen mondeling en schriftelijk feiten en meningen verwoorden over natuurwetenschappelijke aspecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen  kunnen  de algemene  doelstelling  van de natuurwetenschappen verwoorden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen de betekenis van het vak Mens en Natuur voor zichzelf toelichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen een eigen voorkeur voor hun leerstrategie toelichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen hun eigen werk organiseren, evalueren en bijstellen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen aspecten van het vak Mens en Natuur in een maatschappelijke situatie herkennen en kunnen positieve en negatieve elementen hieraan onderscheiden; mede hierdoor kunnen zij een gemotiveerd standpunt bepalen en beslissingen nemen over het eigen gedrag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen  kunnen  ten aanzien van  het vak Mens en Natuur gesprekken voeren en samenwerken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen hun eigen mening over bepaalde onderwerpen in het vak Mens en Natuur verwoorden en kunnen respect opbrengen voor de mening van anderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Systemen en ordening</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen  kunnen beschrijven  hoe systemen  zijn  opgebouwd en functioneren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen binnen een systeem een ordening aanwijzen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Het menselijk lichaam</al></entry><entry colname="col3"><al>17.De  leerlingen  kunnen  aspecten van  ordening (bouw,  werking, functie en ligging) en samenwerkende systemen (ademhalingsstelsel, bloedvatenstelsel, spijsverteringsstelsel, uitscheidingsstelsel, beenderenstelsel, spierenstelsel) van het menselijk lichaam beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen aan de hand van een voorbeeld beschrijven dat onder wisselende omstandigheden het lichaam van de mens goed blijft functioneren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen de functie van de zintuigen beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen de werking van spiegels en positieve lenzen verklaren en een  eenvoudige tekening maken van de beeldvorming hierbij.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen de werking van verschillende optische instrumenten en het oog verklaren door metingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen uitleggen dat geluid een trilling is, die vanaf een bron via een tussenstof naar een ontvanger wordt overgebracht.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen voorbeelden beschrijven van geluidsoverlast.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen de bouw, werking, functie en ligging van het voortplantingsstelsel bij de mens beschrijven. Ze kunnen daarbij het verloop van bevruchting, zwangerschap en geboorte beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen manieren beschrijven om zwangerschap te voorkomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen de verschillende functies van seksualiteit verwoorden en verschillen in opvattingen daarover formuleren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven dat de eigenschappen en het gedrag van de mens worden bepaald door erfelijke factoren en het milieu.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Classificatie</al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen de bouw van stoffen en materialen beschrijven in termen van moleculen en atomen als bouwstenen en deze toepassen bij de beschrijving van fasen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen kunnen verschillende eigenschappen van een stof beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen uitleggen dat er zuivere stoffen en mengsels bestaan en kunnen hierbij voorbeelden noemen uit het dagelijks leven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden het verschil aangeven tussen levende, dode en levenloze aspecten van de natuur aan de hand van levensverschijnselen uit hun eigen omgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen organismen in groepen indelen op grond van verschillende criteria. De leerlingen kunnen de meest voorkomende organismen benoemen, met name die organismen die op de Nederlandse Antillen voorkomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen kunnen de ordening van cel tot organisme stapsgewijs beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Energie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De leerlingen kunnen uitleggen dat er verschillende vormen en bronnen van energie zijn, dat energie in verschillende vormen is vastgelegd en dat ze in elkaar kunnen worden omgezet.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen kunnen relaties leggen tussen het gebruik van verschillende vormen van energie en het milieu, het welzijn van de mens en de beperktheid van de energiebronnen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>36.De leerlingen kunnen beargumenteren hoe men veilig en zuinig met energie kan omgaan en waarom dit belangrijk is met betrekking tot de gezondheid van organismen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Energievormen</al></entry><entry colname="col3"><al>37.De leerlingen kunnen aan de hand van een tekening met eenvoudige onderdelen een elektrische schakeling maken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>38.De leerlingen kunnen stoffen indelen in goede en slechte stroomgeleiders.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>39.De leerlingen kunnen het energieverbruik van apparaten berekenen en kunnen een keuze maken tussen gelijksoortige apparaten ten aan zien van energieverbruik, veiligheid en milieuaspecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>40.De leerlingen kunnen uitleggen hoe elektrische energie opgewekt kan worden en vervolgens wordt gedistribueerd naar industrie en huishouden, met name op de Nederlandse Antillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>41.De leerlingen kunnen verschillende lichtbronnen en warmtebronnen benoemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>42.De leerlingen kunnen het ontstaan van schaduw verklaren en tekenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>43.De leerlingen kunnen aantonen dat wit licht uit verschillende kleuren bestaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>44.De leerlingen kunnen verschillende manieren van warmtetransport benoemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>45.De leerlingen kunnen de relatie leggen tussen temperatuur en faseverandering en deze faseverandering benoemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>46.De leerlingen kunnen stoffen indelen in goede en slechte warmtegeleiders en op grond hiervan toepassingen in het dagelijks leven met betrekking tot isolatie verklaren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Energieprocessen</al></entry><entry colname="col3"><al>47.De leerlingen kunnen uitleggen dat planten onder invloed van zonlicht voedsel voor hun eigen gebruik maken met stoffen uit de bodem en de lucht en dat deze stoffen ook weer kunnen worden omgezet in energie door verbranding en dat daarom alle levende organismen direct of indirect van planten afhankelijk zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>48.De leerlingen kunnen verbrandingsprocessen beschrijven en hierbij het belang van voldoende luchttoevoer uitleggen, evenals de gevaren die hiermee samenhangen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>49.De leerlingen kunnen aangeven op welke manieren men branden kan voorkomen en blussen en op welke principes deze berusten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Kracht, Beweging en Natuurrampen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>50.De leerlingen kunnen krachten beschrijven die een rol spelen bij natuurverschijnselen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>51.De leerlingen kunnen maatregelen noemen die genomen moeten worden voor, tijdens en na natuurrampen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>52.De leerlingen kunnen uitleggen waardoor gereedschappen menselijke handelingen kunnen vereenvoudigen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Krachten en druk</al></entry><entry colname="col3"><al>53.De leerlingen kunnen voorbeelden noemen van verschillende soorten krachten en druk en toepassingen ervan noemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>54.De leerlingen kunnen, aan de hand van voorwerpen die dagelijks gebruikt worden, bij hefbomen in evenwicht uitleggen op welke manier met een kleine kracht een grote kracht wordt gemaakt en omgekeerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beweging</al></entry><entry colname="col3"><al>55.De leerlingen kunnen van een rijdend voertuig de snelheid berekenen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>56.De leerlingen kunnen uitleggen dat bij het tot stilstand brengen van een rijdend voertuig verschillende factoren een rol spelen met het oog op de veiligheid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>57.De leerlingen kunnen uitleggen hoe bij botsen de effecten van de botsing kunnen worden verminderd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Natuurrampen</al></entry><entry colname="col3"><al>58.De leerlingen kunnen de koers van een orkaan volgen van begin tot eind en zij kunnen maatregelen noemen die genomen moeten worden voor, tijdens en na een orkaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>59.De leerlingen kunnen de drukveranderingen en luchtbewegingen tijdens een orkaan beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Milieubewustzijn</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>60.De leerlingen kunnen invloeden en activiteiten van de mens beschrijven die leiden tot veranderingen in ons milieu.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>61.De leerlingen kunnen uitleggen hoe ecosystemen beschermd kunnen worden en waarom dit belangrijk is voor mens en natuur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>62.De leerlingen kunnen uitleggen waarom water belangrijk is en gebruikt wordt voor vele processen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>63.De leerlingen beseffen dat grondstoffen en fossiele energievoorraden op aarde opraken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Water</al></entry><entry colname="col3"><al>64.De leerlingen kunnen beschrijven op welke manieren water kan voorkomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>65.De leerlingen kunnen argumenten opnoemen waarom we zuinig moeten omgaan met water en kunnen methoden beschrijven om deze bezuiniging te bereiken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>66.De leerlingen kunnen de waterkringloop beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>67.De leerlingen kunnen beschrijven hoe water gewonnen kan worden uit de beschikbare bronnen en hoe het gezuiverd kan worden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Leefomgeving</al></entry><entry colname="col3"><al>68.De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen beschrijven van lucht-, water- en bodemvervuiling en kunnen aangeven hoe men dit kan verminderen in de Nederlandse Antillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>69.De leerlingen kunnen uitleggen hoe ze verantwoord om kunnen gaan met stoffen in hun dagelijkse omgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>70.De leerlingen kunnen relaties leggen tussen verschillende soorten stoffen, hun eigenschappen en hun gebruik.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>71.De leerlingen kunnen toelichten hoe bij het gebruik van stoffen in hun omgeving rekening kan worden gehouden met het milieu.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>72.De leerlingen kunnen methoden beschrijven om afval te verwerken en kunnen voor- en nadelen van de verschillende methoden noemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Ecosystemen</al></entry><entry colname="col3"><al>73.De leerlingen kunnen uitleggen wat ecosystemen zijn en hoe ze zich ontwikkelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>74.De leerlingen kunnen aan de hand van concrete voorbeelden uitleggen dat organismen van elkaar afhankelijk zijn voor hun voedsel.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>75.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe handelingen van de mens het evenwicht in ecosystemen kunnen verstoren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>76.De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden aantonen dat planten en dieren zich aanpassen aan veranderende milieuomstandigheden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>77.De leerlingen kunnen uitleggen wat het broeikaseffect is en kunnen oorzaken en gevolgen daarvan opnoemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>78.De leerlingen kunnen beschrijven hoe het dunner worden van de ozonlaag kan worden voorkomen en hoe mensen zichzelf kunnen beschermen tegen de gevolgen hiervan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>79.De leerlingen kunnen uitleggen wat zure regen is en kunnen oorzaken en gevolgen daarvan opnoemen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Natuurparken</al></entry><entry colname="col3"><al>80.De leerlingen kunnen uitleggen dat natuurparken een beschermende functie voor de natuur hebben. De leerlingen kunnen uitleggen dat natuurparken belangrijk zijn voor recreatie en educatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op studie</al></entry><entry colname="col3"><al>82.De leerlingen  kunnen  uitleggen dat  kennis en vaardigheden uit het vak Mens en Natuur bij bepaalde vervolgopleidingen een rol spelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>83.De leerlingen kunnen studieeisen voor vervolgopleidingen met natuurwetenschappelijke aspecten in relatie brengen met hun persoonlijke capaciteiten en interesses.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op beroep</al></entry><entry colname="col3"><al>84.De leerlingen  kunnen uitleggen  dat  kennis en vaardigheden uit het vak Mens en Natuur bij bepaalde beroepssectoren een rol spelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op vrije tijd</al></entry><entry colname="col3"><al>85.De leerlingen  kunnen  de  betekenis  van kennis en  vaardigheden uit het vak Mens en Natuur bij vrijetijdsbesteding toelichten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.7 Informatiekunde</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak informatiekunde is erop gericht, dat de leerlingen zich oriënteren op de wereld van de informatisering, waarbij zij in dit vak en in andere vakken aan de hand van voorbeelden uit de praktijk:</al><lijst><li nr="a."><al>zicht krijgen op het proces van doelgerichte gegevensverwerving, -verwerking en -verstrekking;</al></li><li nr="b."><al>een functioneel beeld krijgen van gegevensverwerkende systemen en op grond daarvan kunnen omgaan met een dergelijk systeem;</al></li><li nr="c."><al>toepassingen van informatietechnologie leren kennen en gebruiken;</al></li><li nr="d."><al>inzicht verwerven in de maatschappelijke betekenis van informatietechnologie.</al></li><li nr="e."><al>bewust gemaakt worden van algemeen aanvaarde morele en maatschappelijke normen en waarden van informatietechnologie.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De  leerlingen  kunnen  een   informatievraag  formuleren  en daarbij het antwoord presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen m.b.v. het toetsenbord efficiënt en snel een tekst intypen of gegevens invoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen de volgende toepassingen van ICT gebruiken voor het verwerven, verwerken en verstrekken van gegevens en informatie:</al><al>-het maken van teksten;</al><al>-het inrichten van en werken met (geautomatiseerde) gegevensbestanden;</al><al>-het maken van spreadsheets;</al><al>-het zoeken van informatie door gebruik te maken van telecommunicatiemiddelen;</al><al>-het presenteren van informatie in verschillende vormen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen toepassingen van ICT gebruiken voor het verwerven, verwerken en verstrekken van gegevens en informatie binnen de andere vakken.</al><al>Dit houdt in dat leerlingen de computer leren gebruiken:</al><al>bij het vak Wiskunde:</al><al>-voor het verwerken van numerieke, statistische en grafische gegevens;</al><al>-voor het maken van berekeningen, oplossen van vergelijkingen en werken met ruimtemeetkundige figuren.</al><al>bij de Talen:</al><al>-voor het schrijven, verbeteren en vormgeven van teksten;</al><al>-voor het verwerven van informatie via (geautomatiseerde) gegevensbestanden;</al><al>bij het vak Techniek:</al><al>-voor het ontwerpen en experimenteren met modellen voor procesbesturing;</al><al>-voor het tekenen met behulp van informatietechnologische hulpmiddelen;</al><al>-voor het uitvoeren van proeven op het gebied van meten en regelen;</al><al>-voor het gebruik van hulpmiddelen voor telecommunicatie;</al><al>bij het vak Mens en Natuur:</al><al>-voor het simuleren van processen en weergeven in modellen;</al><al>-voor het verzamelen en verwerken van meetgegevens;</al><al>bij het vak Mens en Maatschappij:</al><al>-voor het verzamelen en verwerken van gegevens nodig voor het beantwoorden van een informatievraag;</al><al>-voor het gebruiken van telecommunicatiemiddelen bij het opzoeken van gegevens;</al><al>-voor het tekstverwerken voor het presenteren van de gegevens.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Technisch- instrumentele vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen met apparatuur en programmatuur omgaan. Dit houdt in dat:</al><al>-de leerlingen kunnen omgaan met besturingssystemen, menu- of shell- programma's en met behulp van een communicatieprogramma gegevensbestanden op afstand kunnen raadplegen;</al><al>-leerlingen kunnen omgaan met een stand alone PC en ook met een PC in een netwerk;</al><al>-leerlingen gebruik kunnen maken van helpfuncties en handleidingen;</al><al>-leerlingen de verschillende onderdelen van een computer kunnen gebruiken, zoals bijvoorbeeld toetsenbord, muis enzovoort.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.Leerlingen zijn in staat om met inzicht toepassingen van ICT te gebruiken voor het geven van een antwoord op (persoonlijke) informatievragen, en kunnen daarbij een gestructureerde werkwijze hanteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen  kunnen  een  eigen oplossingsstrategie  kiezen voor het beantwoorden van informatievragen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen relevante gegevens uit een situatie doelmatig weergeven en kunnen daarbij een geschikte representatie kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen bij het beantwoorden van een informatievraag een passende oplossingsmethode correct uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen  kunnen  doelgericht  samen  leren  en   samenwerken bij het oplossen van problemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Kennis en inzicht in gebruik van ICT</al></entry><entry colname="col2"><al>Gegevensverwerking</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen aangeven hoe in het algemeen een proces  van gegevensverwerving, -verwerking en -verstrekking verloopt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Gegevensverwerkende systemen</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen een functionele beschrijving geven van gegevensverwerkende systemen in het algemeen en kennen in het bijzonder de basisprincipes van de werking van een computer en van geautomatiseerde gegevensverwerking. Ze kennen de mogelijkheden en de beperkingen van computers.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Toepassingen</al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kennen toepassingsmogelijkheden van informatietechnologie en hebben kennis en inzicht in belangrijke concepten die nodig zijn om te kunnen omgaan met verschillende toepassingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Maatschappelijke betekenis</al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen  kunnen met voorbeelden  invloeden aangeven van ICT in verschillende sectoren van de samenleving.</al><al>Dit houdt tevens in dat de leerlingen:</al><al>-het belang kunnen aangeven van privacy van gegevens en beveiliging van informatie en informatiesystemen;</al><al>-regels kennen omtrent copyright van digitale gegevens en programmatuur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Gegevensverwerking</al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen  kunnen elektronische  informatiebronnen noemen op het gebied van studie, beroep en vrije tijd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Gegevensverwerkende systemen</al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen  kennen  verschillende  informatiesystemen  en  kunnen voorbeeldsgewijs aangeven welke systemen in welke setting gebruikt kunnen worden, daarbij kunnen ze o.a. ingaan op beveiliging van data en toegangsmogelijkheid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Toepassingen</al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen weten welke toepassingen van ICT relevant zijn voor verdere studie, voor diverse beroepsgroepen en vrije tijd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Maatschappelijke betekenis</al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen met voorbeelden  veranderingen en gevolgen aangeven die ICT teweegbrengt in het dagelijks leven, op school, in vrije tijd en in beroepsuitoefening.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.8 Mens en Maatschappij</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Het onderwijs in het vak Mens en Maatschappij is er op gericht de Antilliaanse leerlingen algehele kennis en inzicht te verschaffen in hun eigen gemeenschap en het eiland waarop zij wonen, de Nederlandse Antillen en de wijdere Caribische regio. Het geeft hen tevens een introductie in de algemene aspecten van de mondiale gemeenschap.</al></li><li nr="b."><al>Het vak integreert geselecteerde kennis, inzicht en vaardigheden uit de vakken geschiedenis, staatsinrichting, geografie en verschillende andere sociale wetenschappen zoals o.a. sociologie en politicologie en daarnaast economie.</al></li><li nr="c."><al>Het vak ontwikkelt ook een reeks algemene intellectuele en sociale vaardigheden waarmee de leerlingen beter in staat zullen zijn om effectief (doelgericht/resultaatgericht) te functioneren in hun samenleving en in hun latere studie/loopbaan.</al></li><li nr="d."><al>Het onderwijs in het vak Mens en Maatschappij is erop gericht dat voor leerlingen hun huidige en toekomstige bestaan in de samenleving meer wordt verhelderd en dat zij beter in staat worden gesteld als bewuste, verantwoordelijke en mondige individuen en leden van de samenleving te functioneren en de samenleving mede vorm te geven.</al></li><li nr="e."><al>Het onderwijs richt zich op het bevorderen van bepaalde waarden, normen en attitudes die essentieel zijn voor een evenwichtige ontwikkeling van onze eilandelijke samenlevingen, zoals onder andere tolerantie, nationaal bewustzijn, zelfbewustzijn, milieubesef, cultureel bewustzijn en arbeidsmoraal.</al></li></lijst><al>De kerndoelen van het vak Mens en Maatschappij zijn bedoeld voor de gehele Antillen en ook als zodanig geformuleerd. Maar het curriculum voorziet ook in de nodige flexibiliteit in de invulling van eilandelijke thema's en bijzonderheden, alsook van actuele vraagstukken en gebeurtenissen op internationaal vlak.</al><al>Bijzondere vermelding verdient ook dat het onderwijs rekening dient te houden met het feit dat het hier gaat om kleine eilanden met hun eigen, bijzondere problematiek. Het onderwijs in de basisvorming dient hierop geënt te zijn.</al><tussenkop>Gericht op het vak</tussenkop><al>Het onderwijs richt zich op:</al><lijst><li nr="f."><al>kennis van en inzicht in de wijze waarop de eigen samenleving geografisch, historisch en maatschappelijk vorm heeft gekregen;</al></li><li nr="g."><al>kennis van en inzicht in de ruimtelijke en historische dimensie van maatschappelijke vraagstukken en veranderingsprocessen;</al></li><li nr="h."><al>het kunnen verrichten van onderzoeksactiviteiten op het gebied van Mens en Maatschappijonderwijs;</al></li><li nr="i."><al>op een adequate wijze kunnen omgaan met geografische, historische en maatschappelijke informatie en informatiebronnen.</al></li></lijst><tussenkop>Gericht op persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijk functioneren</tussenkop><al>Het onderwijs richt zich op:</al><lijst><li nr="j."><al>kennis van en inzicht in de eigen betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken en veranderingsprocessen.</al></li><li nr="k."><al>het vermogen tot de ontwikkeling van een waardenbesef en het bepalen van een standpunt ten aanzien van maatschappelijke, ruimtelijke, historische en bestuurlijk-politieke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken, daarbij de eigen tijd en plaats als absolute norm relativerend.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>De leerlingen kunnen  onderstaande vaardigheden inzetten in relatie met de kerndoelen uit de domeinen B t/m G.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen alleen en in samenwerking met anderen een eenvoudig onderzoek verrichten op basis van een niet- complexe vraagstelling die gegeven is, of door henzelf of in samenwerking met andere leerlingen geformuleerd is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen uit voor hen geschikte bronnen, zoals boeken, databestanden, personen en instanties, informatie verzamelen, selecteren en/of ordenen, daarbij ook de computer functioneel gebruiken en de resultaten afrondend presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen kaarten gebruiken om zich te oriënteren en om zich te verplaatsen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen hanteren een kaartbeeld van de topografie van hun betreffende eiland, de Nederlandse Antillen, het Caribisch gebied, Zuid-, Midden- en Noord Amerika in de wereld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen met het oog op het verzamelen van informatie of het vormen van een mening een gesprek voeren of deelnemen aan een discussie en afronden met conclusies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen eigen standpunten verwoorden op basis van argumenten en/of via het signaleren van eigen waarden en normen. Zij kunnen daartoe in gegeven situaties onderscheid maken tussen feiten en meningen, oorzaak en gevolg, aanleiding en effecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen in het kader van interactief leren samenwerken aan opdrachten (iets maken, onderzoek verrichten etc.). Zij kunnen werken op basis van een zelfgemaakt plan, onderling taken verdelen, iets uitleggen aan een medeleerling en het resultaat gezamenlijk presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen vooraf gestelde, functionele criteria hanteren bij het zelf beoordelen van werkstukken en het verloop van het proces erbij betrekken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.De natuurlijke omgeving</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen hebben kennis van en inzicht in de geologie in het algemeen en de geologische vorming van de Nederlandse Antillen in het bijzonder.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen het weer, het klimaat en de vegetatie in het algemeen en voor het Caribisch gebied en de Nederlandse Antillen in het bijzonder beschrijven en verklaren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen de betekenis van de zeeën en de oceanen in het algemeen en voor het Caribisch gebied en de Nederlandse Antillen in het bijzonder analyseren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen de oorzaken verklaren en de gevolgen overzien van natuurrampen zoals vulkaanuitbarstingen, aardbevingen en tropische cyclonen en hebben inzicht in en zijn betrokken bij de maatregelen die men moet treffen bij deze natuurrampen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Natie en natievorming</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen  hebben  kennis  van en inzicht in de herkomst, de sociale positie en de rol die de afzonderlijke bevolkingsgroepen op de eilanden gespeeld hebben in het ontstaan en de vorming van de Antilliaanse samenleving;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen hebben kennis van en inzicht in en kunnen een standpunt innemen ten aanzien van de politiek-bestuurlijke ontwikkeling van de afzonderlijke eilanden en van de Antilliaanse natie vanaf de eerste bewoners tot heden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen de waarde van de democratie en de democratische grondrechten in het algemeen en binnen het vigerend politiek systeem in het bijzonder kritisch beoordelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen hebben kennis van en inzicht in emancipatorische processen in het algemeen en kunnen een kritische attitude ten opzichte hiervan vormen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Maatschappelijk-culturele verbanden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen de maatschappelijke verbanden van samenlevingen in het algemeen en de eigen samenleving in het bijzonder onderscheiden, alsmede hun eigen positie binnen dit geheel verduidelijken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen maatschappelijke ontwikkelingen en problemen onderkennen en analyseren en aan de hand hiervan een positieve attitude en betrokkenheid ontwikkelen ten aanzien van eigentijdse maatschappelijke problemen, met als uitgangspunten een rechtvaardiger samenleving en de vergroting van de eigen maatschappelijke redzaamheid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen de ontwikkeling van multiculturele samenlevingen op de Antillen beschrijven en verklaren en tevens verschijnselen zoals culturele verscheidenheid en identiteit onderscheiden, verklaren en op een positieve wijze hiermee omgaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen de bevolkingsontwikkeling in het algemeen en van de Antilliaanse eilanden in het bijzonder beschrijven en verklaren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen hebben kennis en inzicht in het ontstaan en de vorming van de ruimtelijke en sociale structuur van hun eigen directe leefomgeving en kunnen een eenvoudig onderzoek hierover uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Mens en bestaan</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen hebben kennis en inzicht in de ontwikkeling van de belangrijkste bestaansmiddelen en economische sectoren in de Nederlandse Antillen en op de onderscheiden eilanden, gelet op de oorzaken van hun aanwezigheid, hun actuele situatie en toekomstperspectieven met bijzondere aandacht voor het toerisme.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen onderkennen het belang en de functie van de arbeid voor het eigen bestaan en voor de algemeen maatschappelijke ontwikkeling.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen hebben kennis van en inzicht in het belang van de technologie voor het menselijk bestaan en hebben een eigen waardenbesef hierover ontwikkeld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Mens en milieu</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen de relatie tussen de algemeen maatschappelijke en economische ontwikkeling en de aantasting van het milieu op onze eilanden, zijnde "kleine eilanden", aangeven en hebben tevens een eigen persoonlijke houding hieromtrent ontwikkeld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen de hoofdoorzaken verklaren van een aantal belangrijke milieuproblemen op mondiaal niveau en onderkennen de gevolgen hiervan in het algemeen in de Nederlandse Antillen en hebben een kritische houding ten aanzien hiervan ontwikkeld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kennen de noodzaak van een duurzame ontwikkeling en staan hier positief tegenover.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>G.Globalisering</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen  begrijpen dat door de moderne communicatiemiddelen, transport en technologie de interactie tussen landen vergroot is en de wereld steeds meer een mondiale samenleving wordt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerling kunnen met behulp van de eigen, lokale concrete situatie een aanvang maken in de analyse van ontwikkeling en onderontwikkeling op internationaal niveau en een eigen houding ten opzichte hiervan bepalen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen de ontwikkeling van de Nederlandse Antillen in mondiale context plaatsen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>H.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op studie</al></entry><entry colname="col3"><al>31.Vanuit  de verkregen kennis,  inzichten en vaardigheden  van het vak  Mens en Maatschappij:</al><al>-hebben de leerlingen zicht op hun persoonlijke capaciteiten, interesses en waarden in verband met vervolgstudies;</al><al>-kennen de leerlingen de verschillende eisen die verdere studie stelt;</al><al>-kennen de leerlingen de betekenis van Mens- en Maatschappijonderwijs voor verdere studie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op beroep</al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen  kunnen  vanuit  de verkregen kennis, inzichten en vaardigheden van het vak Mens en Maatschappij:</al><al>-een relatie leggen met de praktijk van verschillende beroepen.</al><al>-de relevantie uitleggen van Mens- en Maatschappijonderwijs in verband met hun beroepskeuze.</al><al>-de betekenis van arbeid en arbeidsmarkt verduidelijken in verband met hun huidige en toekomstige positie in de samenleving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op vrije tijd</al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen  kunnen  vanuit  de verkregen kennis, inzichten kennis, inzichten en vaardigheden van het vak Mens en Maatschappij:</al><al>-het belang  van  vrije tijd  aangeven  in verband met hun eigen persoonlijke ontplooiing.</al><al>-de verschillende mogelijkheden voor vrije tijd aangeven.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.9 Verzorging</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>In het vak verzorging gaat men op de Antillen uit van een aantal zorgactiviteiten en is men erop gericht om:</al><lijst><li nr="-"><al>jongeren kennis, houdingen en vaardigheden aan te leren die noodzakelijk zijn om zichzelf en anderen in steeds wisselende leefsituaties te handhaven;</al></li><li nr="-"><al>jongeren te leren vanuit een eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid keuzen te maken;</al></li><li nr="-"><al>jongeren te leren beslissingen te nemen en zorg te dragen inzake verzorgende taken.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De  leerlingen   kunnen  begrip,  respect  en  tolerantie  tonen voor cultuurverschillen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen een onderzoek doen van beperkte omvang en daartoe informatie verwerven, verwerken, tot resultaten komen en deze presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen de basis rekenvaardigheden toepassen bij leeractiviteiten zoals: omrekenen van hoeveelheden, schatten, afrekenen of het maken van een begroting.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen bij verzorgende taken accuraat werken en vertonen daarbij een goede werkhouding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen veilig, hygiënisch, milieubewust en ergonomisch omgaan met materialen en apparatuur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen  kunnen  strategieën  hanteren  bij  de  opbouw van kennis, inzicht en vaardigheden uit het vak Verzorging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen zich  oriënteren  op  leertaken  en   verzorgende activiteiten; ze kunnen het doel ervan omschrijven, het werk plannen, voorbereiden, uitvoeren, bewaken en evalueren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen  kunnen  aan de hand van een vraagstelling een standpunt  innemen en daarbij argumenten hanteren, alsmede naar de standpunten en argumenten van anderen luisteren en deze kritisch beschouwen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen in groepsverband samenwerken bij de uitvoering van een gemeenschappelijke opdracht. Zij kunnen:</al><al>-onderling taken verdelen;</al><al>-elkaar helpen bij leeractiviteiten;</al><al>-rekening houden met onderlinge verschillen en standpunten;</al><al>-zichzelf en elkaar houden aan afspraken;</al><al>-een collectieve presentatie verzorgen van het eindresultaat.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Introductie van het vak Verzorging</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen  kennen  de basisstructuren  van  verzorging en economie   die  noodzakelijk  zijn   om  verantwoorde  afwegingen en keuzen te kunnen maken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen hebben inzicht in de structuur van de samenleving waar het gaat om sociaal-culturele, natuurlijke en technologische aspecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen hebben enig inzicht in de inhoud van het vak Verzorging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Gezondheid en welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De  leerlingen   kunnen  lichamelijke   en  sociaal-emotionele in de puberteit bij zichzelf onderkennen en waarderen en, mede in relatie met anderen, hanteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen elementaire vaardigheden voor lichaamsverzorging en hygiëne toepassen en kunnen het belang van een goede lichaamshouding en van beweging aangeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen het belang aangeven van de relatie met ouders, overige familie, vrienden en andere personen uit hun omgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen onderkennen de invloed van groepsnormen op het eigen gedrag en identiteit en van reclame en media op gangbare normen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen de genotmiddelen en bewustzijnsbeïnvloedende middelen herkennen en de uitwerking ervan op korte en lange termijn aangeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen factoren aangeven die van invloed zijn op het gebruik en misbruik van genotmiddelen en bewustzijnsbeïnvloedende middelen en kennen de grenzen die de wet hierbij stelt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen preventief handelen ter voorkoming van ongevallen binnen- en buitenshuis en kennen relevante veiligheidsvoorschriften.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen oorzaken van ziekte en verwonding aangeven en gedragsmogelijkheden noemen om de kans daarop te verkleinen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen het belang van een evenwichtige tijdsbesteding aan arbeid, rust en ontspanning aangeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Consument zijn en handelen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen hun eigen positie als consument aangeven ten aanzien van:</al><al>-het aandeel in en de invloed op gezinsbestedingen;</al><al>-het belang van jongens en meisjes als doelgroepen;</al><al>-factoren die het consumenten gedrag beïnvloeden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen als consument praktische kennis en vaardigheden toepassen:</al><al>-behoeften en middelen inventariseren en rangschikken;</al><al>-consumenteninformatie inwinnen en vergelijken;</al><al>-een besluitvormingsproces bij de aankoop van duurzame consumptiegoederen plannen en uitvoeren;</al><al>-koopovereenkomsten beoordelen;</al><al>-kredietaanbiedingen vergelijken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kennen de rechten en plichten van consumenten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen:</al><al>-een eenvoudig budget voor een primaire leefvorm opstellen en onderscheiden in posten;</al><al>-eigen inkomsten en uitgaven begroten en beheren;</al><al>-omgaan met gangbare betaalmiddelen;</al><al>-voor- en nadelen van sparen, verzekeren en lenen aangeven;</al><al>-aan de hand van voorbeelden aankoopbeslissingen beoordelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen de effecten noemen die huishoudelijke consumptie heeft op het milieu en maatregelen noemen die milieubeschadiging beperken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen de effecten noemen die natuurrampen hebben op de financiële situatie en weten hoe te handelen in geval van rampen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Arbeid en productie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen  kunnen  de plaats  beschrijven die betaalde en onbetaalde productie innemen in het economisch leven op de Antillen en zijn op de hoogte van hun huidige en toekomstige rol in de betaalde en onbetaalde productie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen beschikken over praktische kennis en vaardigheden die van belang zijn bij het handelen als deelnemer aan het productieproces.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Overheid en bestuur</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen  kunnen met  het oog op  hun  rol als burger de  van de overheid in het economisch leven en van een aantal belangrijke economische maatschappelijke vraagstukken beschrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen functies binnen de overheid noemen en aangeven welke voor hen in de huidige economische situatie van belang zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen kunnen werk in en buiten de formele sector in concrete situaties herkennen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>33.De leerlingen kunnen de belangrijkste inkomstenbronnen en uitgavenposten van de collectieve sector noemen uit het dagelijks leven en uit hun omgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>G.”Out of many one people"</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De leerlingen  kennen   het belang van "nationbuilding" voor een goede financiële en sociale opbouw van de Nederlandse Antillen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen kunnen aan de hand van concrete voorbeelden de betekenis van regionale- en internationale ontwikkelingen voor de Antilliaanse consumptie, export en werkgelegenheid toelichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>H.Zorg voor primaire levensbehoeften</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>36.De leerlingen kunnen:</al><al>-een evenwichtig voedselpakket samenstellen, gebaseerd op kennis van voedingsstoffen;</al><al>-de voor- en nadelen noemen van veel voorkomende voedselpatronen op de Nederlandse Antillen;</al><al>-de effecten noemen van de bereidingswijze op de voedingswaarde en de smaak van voedsel;</al><al>-de typische gerechten op de verschillende eilanden van de Nederlandse Antillen noemen, beschrijven en samenstellen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>37.De leerlingen kunnen verpakt voedsel beoordelen op samenstelling, voedingswaarde, informatie op etiketten, kwaliteit en prijs.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>38.De leerlingen kunnen voorbeelden van voedselbederf herkennen en kunnen hygiënische en andere maatregelen nemen om bederf van en besmetting via voedsel tegen te gaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>39.De leerlingen kunnen factoren aangeven die een rol spelen bij het kiezen van kleding en kennen de eigenschappen van de meest gebruikte textielgrondstoffen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>40.De leerlingen kunnen adequate onderhoudsmiddelen en onderhoudstechnieken kiezen voor eigen kleding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>41.De leerlingen kunnen woonwensen en -eisen opstellen ten aanzien van woning en woonomgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>42.De leerlingen kunnen aan de hand van informatie, eisen en wensen opstellen ten aanzien van de indeling en inrichting van een woonruimte en beoordelen op functionele criteria.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>43.De  leerlingen  kunnen  adequate  onderhoudstechnieken  en -middelen kiezen ten behoeve van de woonruimte.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>44.De leerlingen kunnen planten en dieren in en om het huis verzorgen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>I.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>45.De leerlingen  hebben inzicht in de plaats, de betekenis en de inhoud van het vak Verzorging met het oog op beslissingen over profielkeuze en vervolgopleiding.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.10 Techniek</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in de techniek in de Antilliaans basisvorming richt zich op een kennismaken met en een oriëntatie op die aspecten van techniek die van belang zijn voor een goed cultuurbegrip, voor het maatschappelijk functioneren en voor verdere technische ontwikkeling. Leerlingen verwerven hiertoe kennis en inzicht in de items materie, energie en informatie,  met name voor wat betreft het bewerken, transporteren en opslaan hiervan. Leerlingen leren techniek voort te brengen, "praktisch bezig te zijn", ze leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen en te maken en ze leren om te gaan met een aantal technische producten. Ze krijgen de gelegenheid eigen mogelijkheden en interesses ten aanzien van techniek te ontdekken. Techniekonderwijs dient in zijn uitwerking aantrekkelijk en zinvol te zijn voor meisjes en jongens.</al><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>De leerlingen kunnen onderstaande vaardigheden  inzetten in relatie met kerndoelen uit de domeinen B t/m D.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen technische problemen oplossen via een model voor probleemoplossend handelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen reflecteren op technische producten door gebruik te maken van een model voor systeemanalyse.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen samen met andere leerlingen technische maak- en onderzoeksopdrachten leren uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen ontwerp-, maak- of onderzoeks-op-drachten presenteren met gebruik van juiste technische benamingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen de maatschappelijke betekenis van technologische ontwikkeling onder woorden brengen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen met behulp van de computer:</al><al>informatie verzamelen;</al><al>practicummodellen aansturen;</al><al>technische tekeningen vervaardigen</al><al>technische processen simuleren</al><al>processen meten en regelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Techniek en samenleving</al></entry><entry colname="col2"><al>Dagelijks leven</al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen door middel van beperkt onderzoek relaties aangeven tussen technische ontwikkelingen en veranderingen in de Antilliaans/Caraïbische samenleving binnen het historische perspectief. Ze kunnen:</al><al>-enkele fundamentele ontwikkelingen in de techniek benoemen en consequenties daarvan aangeven voor het dagelijkse leven, zowel positief als negatief;</al><al>-met voorbeelden toelichten hoe mensen en situaties van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van nieuwe producten;</al><al>-een standpunt verwoorden over technische ontwikkelingen op basis van argumenten inclusief waarden en normen. Zij kunnen daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen, oorzaak en gevolg, aanleiding en effecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Natuurverschijnselen</al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen  kunnen  aangeven  welke  maatregelen  ze  bij evacuatie moeten treffen ter voorkoming van rampenschade aan gebouwen, telecommunicatiesystemen en elektrische voorzieningen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Nation Building</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen het belang aangeven van Nation Building binnen de eilanden van de Nederlandse Antillen, bijvoorbeeld voor telecommunicatie en transport.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrijfsleven</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen op grond van waarneming in hoofdlijnen het technisch functioneren van verschillende bedrijven schetsen: dienstverlenings-, handels- en productiebedrijven. Ze kunnen dit ten aanzien van:</al><al>-type bedrijf</al><al>-fasen in de bedrijfsvoering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Milieu</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen voorbeelden geven van de invloed van technische ontwikkelingen en technische productieprocessen op het milieu. Ze kunnen:</al><al>-effecten van technische toepassingen als vervuiling van het milieu (grond, lucht en water) en emissies (materialen en energie) uitleggen.</al><al>-effecten van technische toepassingen, zoals uitputting van grondstoffen en energievoorraden, uitleggen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Technische producten en</al></entry><entry colname="col2"><al>Materie</al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen  kunnen van technische producten  of systemen de gebruikte materialen en materiaaleigenschappen onderscheiden en relaties leggen tussen functionaliteit, bewerking en vormgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen van technische producten of systemen de soort en de eigenschappen van verbindingen onderscheiden en relaties leggen met materiaal, functionaliteit en vormgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Energie</al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen de gebruikte vormen van energietransport (mechanisch, pneumatisch, elektrisch en/of hydraulisch) benoemen en deze met gegeven onderdelen nabouwen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen energieomzettingen in een concrete situatie benoemen, bijvoorbeeld ten aanzien van zonne- en windenergie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen onderdelen van een koel- en isolatiesysteem benoemen en de functie  uitleggen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Informatie</al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen van een modern communicatiesysteem de delen, hun functie en hun samenhang (signaaloverdracht, -opslag en -omzetting) aangeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen van een stuur- en regelsysteem de onderdelen en hun functies aangeven, alsmede de samenhang ertussen. De kernwoorden zijn:</al><al>-signaalinvoer (sensor);</al><al>-signaalverwerking (interface, computer, PLC);</al><al>-signaaluitvoer (actuator).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen de manier van informatieverwerking van analoge- en digitale systemen met elkaar vergelijken en toelichten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen het gedrag van een regelsysteem praktisch onderzoeken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen computergestuurde modellen en een eenvoudige productiemachine besturen door middel van een stuurtaal.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Ontwerpen en maken van producten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedenken</al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen  kunnen  (niet complexe)  technische  ontwerp problemen oplossen  via een model voor probleemoplossend handelen. Het gaat hierbij om het oplossen van:</al><al>verbindingen- en constructieproblemen;</al><al>overbrengingsproblemen (omzetten van beweging en kracht);</al><al>besturingsproblemen (meten, sturen en regelen).</al><al>De oplossingen kunnen de vorm hebben van een ontwerp, een model, een prototype of een functioneel werkstuk, waarbij diverse materialen gebruikt kunnen worden zoals hout, textiel, kunststof, metaal of steen en modelbouwsystemen, als ook combinaties daarvan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Ontwerpen en maken</al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen een technisch ontwerp vervaardigen en daarmee een product maken.</al><al>Zij kunnen:</al><al>-een technisch probleem herkennen en specificeren;</al><al>-een technisch probleem herleiden tot een ontwerpopdracht;</al><al>-vaststellen van prioriteiten, mogelijkheden en randvoorwaarden voor het uitvoeren van een ontwerp;</al><al>-een eenvoudige schets, werktekening of uitslag maken van een ontwerp;</al><al>-een werkplan maken voor het uitvoeren van een ontwerp;</al><al>-bouwen van een ontwerp;</al><al>-ontwerpproces- en -product evalueren, rekening houdend met ontwerpeisen en randvoorwaarden;</al><al>-voorstellen doen voor verbetering van het ontwerp.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen gebruik maken van materialen, gereedschappen, apparatuur en eenvoudige machines. Zij kunnen:</al><al>-handelingen uitvoeren op het gebied van verspanen, vervormen, verbinden en samenstellen, waarbij van hout en/of kunststof en/of textiel en/of metaal en/of steen gebruik wordt gemaakt;</al><al>-bij eenvoudig technisch handelen de juiste gereedschappen, apparaten en hulpmiddelen kiezen en deze op correcte wijze gebruiken en onderhouden;</al><al>-eenvoudige handelingen uitvoeren volgens gegeven montage- en bedieningsinstructies;</al><al>-noodzakelijke metingen uitvoeren en gegevens van werktekeningen overbrengen op materialen;</al><al>-op een veilige en milieubewuste manier handelingen uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiken/ verbeteren</al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen  kunnen  het technische ontwerpproces  en  het product (werkstuk) evalueren, rekening houdend met ontwerpeisen en andere randvoorwaarden. Ze kunnen voorstellen doen voor verbetering.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen  kunnen  op grond van  concrete  informatie of waarneming voorbeelden geven van:</al><al>-beroepen waarbij van technische middelen gebruik wordt gemaakt;</al><al>-veranderingen in beroepen op de Antillen die door ontwikkelingen in de techniek zijn ontstaan;</al><al>-werkomstandigheden en werkverdeling tussen mannen en vrouwen in verschillende typen bedrijven;</al><al>-bestaande mogelijkheden van (technische) opleidingen binnen het reguliere onderwijs en binnen het bedrijfsleven;</al><al>-maatschappelijke effecten van technologische toepassingen in verschillende arbeidssituaties.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen hun technische capaciteiten en interesses onder woorden brengen in relatie tot vervolgstudie en vrije tijd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.11 Lichamelijke opvoeding</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Lichamelijke opvoeding in de basisjaren van het voortgezet onderwijs is er op gericht dat de leerlingen handelingsbekwaamheden ontwikkelen die hen in staat stellen deel te nemen aan bewegingssituaties om zodoende:</al><lijst><li nr="-"><al>hun bewegingsmogelijkheden uit te bouwen; vooral bewegingsactiviteiten die deel uitmaken van onze bewegingscultuur;</al></li><li nr="-"><al>zichzelf en anderen te leren kennen en accepteren als 'beweger';</al></li><li nr="-"><al>inzicht te krijgen in en zich bewust te worden van de instrumentele, sociale en maatschappelijke betekenis van lichamelijkheid, bewegen, sport en spel.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen:</al><al>-overleggen en samenwerken in teamverband en daarbij rekening houden met elkaars normen en waarden;</al><al>voldoen aan eisen van milieu, hygiëne, gezondheid en ergonomie;</al><al>doelmatig en veilig omgaan met materialen, gereedschappen en apparatuur voor sport en spel en daarbij rekening houden met zichzelf, met anderen en met de omgeving;</al><al>op een doordachte wijze keuzeproblemen oplossen in sport- en spelsituaties;</al><al>omgaan met spelregels en procedures;</al><al>reflecteren op eigen sport- en spelervaringen en -mogelijkheden;</al><al>reflecteren op mogelijkheden van vrijetijdsbesteding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Turnen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen</al><al>-onder leiding turnsituaties inrichten en aanpassen.</al><al>-risico's inschatten.</al><al>-eenvoudige bewegingsanalyses uitvoeren ten behoeve van zichzelf en anderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Balanceren</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen lopen, draaien, springen en afspringen in een serie op balk of bank en balanceren in vormen van acro-gym.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Springen</al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen</al><al>-vrije sprongen maken: met behulp van een minitramp rechtstandige-, hurk- en spreidhoeksprong.</al><al>-steunsprongen maken: met behulp van springplank of minitramp over de kast of bok hurkspreidsprong; keuze uit dievesprong, wendsprong of arabier.</al><al>-sprongen maken op de lange mat: zweefrol, radslag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zwaaien</al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen aan ringen, touwen of brug zwaaien:</al><al>-in strekhang;</al><al>-in buig- en strekhang;</al><al>-in strekhang;</al><al>-in steun;</al><al>-halve draai om de lengte-as aan twee van de drie genoemde toestellen;</al><al>-afsprong op twee van de volgende toestellen:</al><al>-ringen, rechtstandig achter neerspringen</al><al>-touwen, op verhoogd vlak met halve draai</al><al>-brug, uitwenden/uitflanken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Draaien/rollen</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen met behulp van trampoline, kast, reutherplank, ringen of (lange) mat draaibewegingen om de breedte-as en lengte-as uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Spelen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen kunnen samen met behulp van afgesproken regels een spelsituatie inrichten en op gang brengen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen een spel spelen met medespelers van uiteenlopend speelniveau.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen in spelsituaties de rol van scheidsrechter, spelleider, coach of jurylid vervullen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Slag- en loopspelen</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen  kunnen  vormen van softbal, kastiebal, slagbal of baseball uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Doelspelen</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen vormen uitvoeren van drie van de volgende spelen: voetbal, handbal, hockey, basketbal, korfbal of netbal en cricket.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Terugslagspelen</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen vormen van volleybal en een racketspel (tafeltennis of badminton) uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Bewegen en muziek</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen verschillende bewegingsvormen op muziek uitvoeren en kunnen (met anderen) eenvoudige situaties ontwerpen met gebruikmaking van muziek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen verschillende basis bewegingsvormen op muziek uitvoeren binnen de deelgebieden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Ritme en beweging</al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen  kunnen  dansen  met behulp van  de  volgende bewegingsvormen: lopen, veren, huppelpas, galoppas en kruispas.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Volksdansen</al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen drie dansen uitvoeren uit het volgende volksdansrepertoire: seu, dansa, merengue, wals, tumba, tambu, panom dance. Ook kunnen zij twee van de volgende figuren in een volksdans uitvoeren: frontcirkel, flankcirkel, rijen (al dan niet met paren).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Jazzdans</al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen een dans op moderne muziek uitvoeren met toepassing van tenminste drie van de volgende vormen: high/low kicks, heel/half draaien en pivoteren op de plaats en met verplaatsing, kickball-change.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Conditionele</al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen  kunnen op muziek vormen gericht op conditie vormen (aerobics,uitvoeren. Hierbij gaat het om: en variaties) loopvormen, springvormen, stretches, spierversterkende oefeningen, lenigmakende oefeningen en ademhalingsoefeningen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Atletiek</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen aangeven welke de basiskenmerken zijn van belasting en trainingen en kunnen deze toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen taken verrichten die het met elkaar beoefenen van atletieksituaties mogelijk maken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Lopen</al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen een voorgeschreven duurloop, sprint, estafettelopen, loop met tempowisselingen, loop in wisselende terreinomstandigheden uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Springen</al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen minimaal één verspringtechniek en één hoogspringtechniek uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Werpen/stoten</al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen minimaal één van de volgende werponderdelen uitvoeren:</al><al>-speerwerpen na een drie-pasritme;</al><al>-discuswerpen uit stand;</al><al>-kogelstoten uit stand en/of vanuit voortbeweging via een aanglijtechniek;</al><al>-balwerpen uit stand en/of vanuit voortbeweging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Zwemmen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen taken verrichten, die het met elkaar beoefenen van zwemsituaties mogelijk maken. Het gaat hierbij om het in acht nemen van veiligheidsregels, eenvoudige hulp bieden aan medeleerlingen en het maken en hanteren van regelafspraken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zwemslagen</al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen verschillende zwemslagen uitvoeren en onder water zwemmen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Overlevings aardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen  kunnen technieken uitvoeren om zich drijvende te houden en een medeleerling in het water vervoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Springen</al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen van verschillende vlakken afzetten en in het water komen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Waterspelen</al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen kunnen verschillende spelvormen in het water uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>G.Zelfverdediging</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen kunnen taken verrichten die het met elkaar beoefenen van zelfverdedigingssituaties mogelijk maken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Stoeispelen</al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen een tegenstander uit het evenwicht brengen, onder controle brengen en houden, een val opvangen, reageren op aanvallende acties en de basisregels van judo aangeven en toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Trefspelen</al></entry><entry colname="col3"><al>31.De leerlingen kunnen tijdens het trefspel iemand raken zonder zelf geraakt te worden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfverdediging in bedreigende situaties</al></entry><entry colname="col3"><al>32.De leerlingen  kunnen situaties herkennen die kunnen escaleren tot fysiek en seksueel geweld en  zijn in staat  de "uittestfase' te herkennen, kunnen een aantal preventieve maatregelen benoemen en toepassen teneinde bedreigende situaties redelijkerwijs te kunnen vermijden, kunnen in noodgevallen een aantal lichaamswapens (waaronder: schreeuwen, het gebruik van lichaamstaal, maar ook het kennen van kwetsbare plekken) effectief gebruiken, kunnen zich losmaken uit polsgrepen en omklemmingen en weten hoe hulpverlening, politie en justitie zijn in te schakelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>H.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op studie en beroep</al></entry><entry colname="col3"><al>33.De  leerlingen  kennen  die  onderdelen  en  werkwijzen  van sport, spel en dans die een bijdrage kunnen leveren aan de keuze voor een vervolgopleiding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>34.De leerlingen hebben vaardigheid in die sport-, spel- en dansonderdelen en -werkwijzen, die een basis vormen voor vervolgonderwijs en beroepsuitoefening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op vrije tijd</al></entry><entry colname="col3"><al>35.De leerlingen  hebben  een positieve attitude  ontwikkeld  tenaanzien van sport, spel en dans, zodat zij eventueel buiten school activiteiten ontplooien in deze richting.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.12 Beeldende Vorming</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Beeldende vorming is een verzamelbegrip voor activiteiten die met elkaar gemeen hebben dat ze het omgaan van de leerling met het visueel en/of tactiel waarneembare beeld intensiveren. Het onderwijs in vakken die behoren tot het gebied van de beeldende vorming is er opgericht, dat de leerlingen:</al><lijst><li nr="a."><al>hun kennis van en inzicht in de eigen omringende wereld binnen de Antilliaanse en Caribische context vergroten door belangrijke uiterlijke en inhoudelijke kenmerken van die wereld beeldend vorm te geven;</al></li><li nr="b."><al>hun voorstellingsvermogen en verbeeldingskracht vergroten door hun ervaringen, gevoelens, ideeën en meningen te verkennen, te ordenen en ook voor anderen zichtbaar te maken in zelfgemaakte beelden. Deze beelden zijn uniek en hebben per definitie waarde;</al></li><li nr="c."><al>hun vaardigheid in het beeldend vormgeven vergroten door het verwerven van een elementaire beheersing van beeldende middelen, waarbij zij leren deze afzonderlijk en in hun samenhang te onderzoeken, ervaring opdoen met het hanteren van diverse technieken en problemen oplossen via procesmatig vormgeven;</al></li><li nr="d."><al>inzicht verwerven in functies en betekenissen van beelden in de samenleving door eigen werk in relatie tot dat van anderen te beschouwen, waarbij zij leren hoe feitelijke informatie, waarden, normen en gevoelens via beelden kunnen worden overgedragen. Zij verwerven inzicht in de wijze waarop cultuurhistorische invloeden en culturele en maatschappelijke verschillen de vormgeving, inhoud en betekenis van beelden bepalen;</al></li><li nr="e."><al>zich bewust worden van de waarde van kunst- en cultuuruitingen: Antilliaanse, Caribische of uit andere relevante regio's.</al></li></lijst><al>Kerndoelen</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen  kunnen  de informatie  die relevant  is voor de productieve en reflectieve beeldende vorming verzamelen, verwerken en toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen  kunnen studie-, onderzoeks- en ontwerpvaardigheden toepassen in het beeldend proces.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen oriënteren, plannen, uitvoeren,  evalueren en reflecteren tijdens de productieve en reflectieve beeldende vorming.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>4.De  leerlingen  kunnen   door  middel  van   uitwisseling  van ideeën,  gedachten en meningen komen tot verrijking en verdieping van zowel het individuele beeldend proces als het groepsproces.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Vormgeving</al></entry><entry colname="col2"><al>Naar de waarneming</al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen  kunnen  kenmerken  van  wat  zij   waarnemen zichtbaar maken in eigen beeldend werk. Daarbij kunnen zij:</al><al>-waargenomen kenmerken verkennen en ordenen door schetsen;</al><al>-vorm, kleur, ruimtelijkheid en textuur betrekken bij de vormgeving;</al><al>-beeldende middelen toepassen die aansluiten bij de vormgeving die zij kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Naar de voorstelling</al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen  kunnen  vanuit beleving, fantasie en geheugen zich een voorstelling maken van een gegeven en ervaringen, gevoelens, ideeën en meningen zichtbaar maken in het eigen beeldend werk. Daarbij kunnen zij beeldende middelen toepassen die aansluiten bij de vormgeving die zij kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Gericht op toepassing</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen  kunnen  de gebruiksfunctie en de communicatieve functie tot uiting laten komen in de vormgeving. Zij kunnen daarbij beeldende middelen gebruiken op een wijze die aansluit bij de vormgeving die zij kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Beeldende middelen</al></entry><entry colname="col2"><al>Toepassing van middelen</al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen  hebben  elementaire vaardigheid  in het vormgeven door het (her)kennen van beeld- en vormgevingsaspecten en het gebruik van uiteenlopende materialen, technieken en gereedschappen. Zij kunnen hierbij experimenterend zowel als volgens instructie te werk gaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen kunnen een relatie leggen tussen de beeldende mogelijkheden van andere middelen, zoals computer en audiovisuele media en de beeldende vormgeving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Presentatie en illustratie</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen  kunnen  het proces waarin  hun eigen werk tot stand is gekomen, met woord of beeld illustreren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordeling</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen bij de beoordeling van het werk vooraf gestelde criteria toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Beschouwing</al></entry><entry colname="col2"><al>Kenmerken van een beeld en context</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen een beeld analyseren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen  weten dat  een beeld  niet los gezien  kan worden van de context.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen door confrontatie met het beeldend werk van anderen (medeleerlingen, kunstenaars uit de eigen regio of andere relevante regio's) hierin hun eigen culturele en maatschappelijke context herkennen en krijgen zo waardering voor het eigene.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen werk en werk van anderen</al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen  kunnen overeenkomsten en verschillen  tussen door henzelf gemaakt werk en door anderen gemaakt werk herkennen, verwoorden, verbeelden en waarderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Beeld en functie</al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen de vormgeving van een beeld in verband brengen met de functie ervan. Zij kunnen met woord of beeld illustreren dat waarden en normen door beelden kunnen worden bevestigd en doorbroken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Integratie Muziek Beeld Drama</al></entry><entry colname="col2"><al>Transformeren</al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen  kunnen  de ene expressieve vorm  transformeren naar een andere door gebruik te maken van:</al><al>-vormgevingsaspecten  die  overeenkomen  zoals ruimte, licht, kleur, ritme en compositie;</al><al>-associatie.</al><al>De transformatie kan plaatsvinden van klank naar beeld, van beeld naar drama, van drama naar klank en omgekeerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Integratie</al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen de verschillende expressieve vormen integreren tot een samenhangend geheel.</al><al>Daarbij wordt uitgegaan van:</al><al>-een thema/onderwerp</al><al>-een totaalproject waarbij ook andere vakgebieden betrokken worden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op studie en beroep</al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen  kennen die onderdelen en werkwijzen  van het vak, die een bijdrage kunnen leveren aan de keuze voor een vervolgopleiding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen hebben vaardigheid in die onderdelen en werkwijzen van het vak, die een basis vormen voor vervolgonderwijs en beroepsuitoefening.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op vrije tijd</al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen  hebben  een positieve attitude  ontwikkeld  ten aanzien van het vak, zodat zij eventueel buiten school activiteiten ontplooien in deze richting.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.13 Drama</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Drama heeft ten doel dat de leerlingen de eigen creatieve, dus scheppende mogelijkheden ontdekken en er bewust mee leren omgaan, opdat ze zichzelf kunnen uitdrukken en zinvol kunnen functioneren als lid van de samenleving.</al><al>Het is erop gericht dat de leerlingen:</al><lijst><li nr="a."><al>hun waarneming ontwikkelen, wat van fundamenteel belang is voor het begrijpen van zichzelf en anderen en voor de interactie met de samenleving. Dit stelt hen in staat hun zintuiglijk- en zelfbewustzijn te ontwikkelen, die de basis vormen van het begrip van menselijke relaties en hun omgeving.</al></li><li nr="b."><al>binnen dramatisch spel situaties en gebeurtenissen vormgeven, met gebruik van hun verbale en non-verbale uitdrukkingsmogelijkheden, gevoelens, ervaringen en ideeën.</al></li><li nr="c."><al>zich bewust worden van hun uniek potentieel tijdens het creëren en vormgeven van dramatische situaties die ontleend zijn aan de eigen sociale context.</al></li><li nr="d."><al>het eigene in de Antilliaanse cultuurelementen ontdekken, exploreren, analyseren en vormgeven binnen een dramatische context. In dit proces ontwikkelen ze een positief zelfbeeld, zelfvertrouwen en zelfdiscipline.</al></li><li nr="e."><al>zich de basisvaardigheden eigen maken die nodig zijn bij het vormgeven van gevarieerde dramatische contexten.</al></li><li nr="f."><al>als speler inzicht verwerven in hun eigen dramatische mogelijkheden in relatie tot het gebruik van elementen als tijd, ruimte, plaats, rol, handeling, motieven en verhaal/plot.</al></li><li nr="g."><al>als toeschouwer in het dramatisch gebeuren participeren, waarbij zij het spel van anderen waarnemen en er betekenis aan geven om daarna met de spelers over de gespeelde situatie te communiceren, te reflecteren en er een mening of standpunt over te verwoorden. In dit proces geven de leerlingen blijk van inzicht in de inhoud en de vorm van de presentatie. In de interactie ontwikkelen de leerlingen communicatieve vaardigheden.</al></li><li nr="h."><al>maatschappelijke thema's onderzoeken en hun creativiteit gebruiken om aspecten van deze inhouden in dramatisch spel om te zetten. In dit proces ontwikkelen de leerlingen een maatschappelijk bewustzijn en komen zij tot een emancipatoire houding ten opzichte van maatschappelijke problemen. In dit creatieve proces gebruiken zij hoofd (verstand), hart (gevoel, intuïtie) en hand (expressieve vaardigheden) in een totale benadering van het probleem in de situatie. Op deze wijze oriënteren de leerlingen zich sociaalactief op hun gemeenschap en krijgen zodoende meer greep op hun werkelijkheid.</al></li><li nr="i."><al>in contact komen met hun Antilliaanse culturele erfgoed en dit positief leren waarderen, opdat ze vanuit die positieve waardering als Antilliaan zichzelf ook positief ervaren als één volk en één natie.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen kunnen alleen of in samenwerking met anderen uit voor hen geschikte bronnen, zoals de eigen ervaring, personen, instanties, leefwereld, boeken, platen, beelden, schilderijen, foto's, films en liederen informatie verzamelen, selecteren en/of ordenen en de resultaten presenteren in de vorm van</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen door gerichte waarneming van mensen in hun leefwereld informatie krijgen over hun gedrag. Ze kunnen uit de verschillende gedragspatronen en emotionele uitingen van mensen afleiden wat er met hen aan de hand is.dramatisch spel.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen  kunnen  zelf  een onderzoekbare vraag of stelling formuleren bij onderwerpen en thema's die ze als uitgangspunt nemen voor dramatische spelsituaties die ze creëren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen met het oog op het verzamelen van informatie over een bepaald thema of het vormen van een mening over een bepaalde gebeurtenis een aantal gerichte vragen opstellen, die hen kunnen brengen tot de gewenste resultaten van hun onderzoek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen kunnen op eenvoudige wijze een eigen standpunt verwoorden over hun bevindingen. Ze kunnen daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen, oorzaak en gevolg, aanleiding en effecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen kunnen een ervaring of gebeurtenis omzetten in een dramatische spelsituatie, gebruik makend hun kennis van spelelementen als wie, wat, waar, wanneer en waarom.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen  kunnen,  uitgaande  van  het geselecteerde onderzoeksmateriaal, zelf een plan maken voor een presentatie en aan de uitvoering daarvan werken. Ze kunnen in dit proces onderling taken verdelen, iets uitleggen aan een medeleerling, de vormgeving van het te presenteren stuk gezamenlijk bepalen, deze in oefensituaties uitproberen en het resultaat gezamenlijk presenteren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen kunnen hun ervaringen met de presentatie evalueren naar vorm en inhoud en reflecteren op hun werkproces dat aan de presentatie voorafging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>9.De  leerlingen  kunnen  tijdens   het  werkproces  gesprekken voeren;  ze  kunnen  hun ideeën, gedachten en meningen  uitwisselen om te komen tot de ontplooiing van hun talenten, persoonlijkheid en expressiemogelijkheden, alsook tot een verrijking en verdieping van de inhouden die ze via dramatisch spel vormgeven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Vormgeving	Spelen en creëren</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen kunnen hun non-verbale en verbale uitingsmogelijkheden gebruiken om zowel afzonderlijk als in samenhang hun gevoelens, ervaringen en ideeën in dramatisch spel vorm te geven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen de verschillende elementen van drama tijd, ruimte, plaats, rol, motieven, handeling en verhaal/plot onderscheiden en deze integreren tijdens het spel in een gegeven of zelf verzonnen dramatische situatie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen kunnen tijdens het spelen:</al><al>-invoelen waar hun medespeler naar toe wil;</al><al>-inspelen op het spel van anderen;</al><al>-rekening houden met hun medespelers;</al><al>-voorzetten geven waar medespelers op kunnen reageren;</al><al>-samen met anderen werken naar een oplossing van het probleem/conflict in de dramatische situaties.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen eigen spelsituaties creëren en daarbij putten uit hun ervaringen, opgedaan in hun Antilliaanse leefwereld en cultuur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen met elkaar de informatie, verkregen uit de eigen ervaring, uitwisselen, exploreren, classificeren, interpreteren en selecteren om te komen tot de keuze van één of meer dramatische situaties die ze willen uitbeelden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen kunnen nadenken over een mogelijk begin, midden en eind van spelsituaties en kunnen gezamenlijk komen tot de oplossing of afronding van het probleem in de spelsituatie tijdens de voorbereiding van het spel.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen kunnen hun zelfbedachte spelsituatie met elkaar uitbeelden. Tijdens het uitbeelden van de dramatische situatie communiceren ze met elkaar vanuit hun rol. Vanuit de rolfiguur werken ze samen om de spelsituatie tot het afgesproken einde te brengen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen kunnen tijdens het uitbeelden van hun zelfbedachte spelsituatie:</al><al>gevarieerd en effectief gebruik maken van hun stem;</al><al>zich naar elkaar verstaanbaar maken in taal;</al><al>uiting geven aan hun gevoelens en gedachten, waarbij ze gebruik maken van non-verbale uitdrukkingsmogelijkheden zoals houding, mimiek, gebaar en beweging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Vormgeven</al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen kunnen bestaande, gegeven dramatische contexten uit het Antilliaanse, Caribische, Afrikaanse en wereldculturele erfgoed vormgeven. De dramatische contexten worden primair gehaald uit:</al><al>-de Antilliaanse orale en geschreven literatuur, zoals verhalen, poëzie, toneelstukken en liederen;</al><al>-de Antilliaanse geschiedenis;</al><al>-andere Antilliaanse kunst- en cultuuruitingen als beeldende expressie, dans en muziek;</al><al>-hedendaagse gebeurtenissen, met als informatiebronnen media zoals radio, televisie, De leerlingen ontwikkelen hierbij een eigen Antilliaanse stijl.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen kunnen vanuit de eigen Antilliaanse leefsituatie de overstap maken naar dramatische contexten uit de regio: Caribische eilanden en Latijns-Amerika, om vandaar te komen bij de rest van de wereld.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen kunnen scènes en rollen van bestaande toneelstukken vormgeven. - Ze gebruiken gevoelens, ervaringen, situaties, verhalen en teksten als bron.</al><al>-Ze kunnen handeling, motief, plaats, tijd, begin, midden, eind en de climax in een toneelstuk onderscheiden.</al><al>-Ze kunnen op eenvoudige wijze gebruik maken van vormgevingsmiddelen zoals beeldend: decor en rekwisieten, licht, kleur en kostuums; muziek: klank, ritme, liederen, volume, tempo; dans en beweging.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>21.De leerlingen kunnen een vormgegeven scène en rol presenteren aan publiek. Daarbij zijn ze in staat om de gebeurtenissen, gevoelens en ideeën door gespeelde handelingen verstaanbaar te maken aan de toeschouwers.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>22.De leerlingen kunnen bestaande dramatische contexten vanuit verschillende culturele achtergronden en stijlen vormgeven. Deze stijlen kunnen ze herleiden uit het aanbod van de Antilliaanse gemeenschap zelf, die met haar verschillende rassen/bevolkingsgroepen een multiculturele samenleving vormt. De leerling onderzoekt andere, nieuwe manieren van vormgeven en overstijgt hierbij het eigene.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Beschouwen</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>23.De leerlingen kunnen als toeschouwers van het spel de verbeelde spelwerkelijkheid vergelijken met de dagelijkse werkelijkheid. Ze kunnen nagaan:</al><al>-in hoeverre deze twee werkelijkheden met elkaar overeenkomen (getrouwe nabootsing van de realiteit).</al><al>-in hoeverre de spelwerkelijkheid een typering, omkering, vrije verbeelding of een metafoor is van de dagelijkse werkelijkheid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>24.De leerlingen kunnen als toeschouwers van het spel:</al><al>-verwoorden wat ze gezien hebben en waarover het spel en de gebeurtenissen gaan.</al><al>-de verschillende dramatische  elementen zoals wie, wat, waar, waarom en wanneer van elkaar onderscheiden.</al><al>-aangeven wat het thema,  de inhoud en  het probleem of conflict van het spel is.</al><al>-met elkaar in discussie gaan over de oplossing van het probleem of conflict in het spel.</al><al>-nieuwe alternatieve oplossingen bedenken voor het probleem.</al><al>-de wijze waarop de rolfiguren omgegaan zijn met het probleem of conflict vergelijken met hoe zij er persoonlijk mee omgegaan zouden zijn als dit probleem zich in de realiteit voorgedaan zou hebben.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>25.De leerlingen kunnen als spelers:</al><al>-verwoorden wat ze tijdens het spel gevoeld, gedacht en ervaren hebben.</al><al>-aan de hand van deze spelervaring de waarden en normen die naar voren zijn gekomen binnen de rol signaleren en interpreteren.</al><al>-vertellen wat ze anders zouden doen als zij zelf in de situatie waren van hun gespeelde rolfiguur.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op studie en beroep</al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen in dramatisch spel situaties uit de toekomstige beroepspraktijk uitbeelden die hen zicht bieden op de inhoud van het beroep. Ze ontdekken hierbij naar welk beroep hun interesse uitgaat en kunnen zo gericht kiezen voor een vervolgopleiding.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>26.De leerlingen kunnen in relevante situaties de interrelatie tussen de verschillende beroepen ontdekken en hun functie in de maatschappij en vanuit het inzicht in de betekenis en waarde van deze beroepen komen tot de keuze voor verdere studie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>27.De leerlingen kunnen op basis van kennis en vaardigheden verworven in dramatisch spel en vanuit hun ontwikkelde interesse, kiezen voor een verdere opleiding in het vak Drama, met als verder liggend doel de vorming van jongeren net als zij.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Oriëntatie op vrije tijd</al></entry><entry colname="col3"><al>28.De leerlingen  kunnen  in hun vrije tijd toneelstukken maken, waarbij ze op een positieve manier hun tijd invullen en constructief bezig zijn, terwijl ze hun maatschappelijke en emancipatorische vaardigheden ontwikkelen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Integratie Muziek/Beeld/ Drama</al></entry><entry colname="col2"><al>Transformatie</al></entry><entry colname="col3"><al>29.De leerlingen  kunnen  de ene  expressievorm  transformeren naar een andere expressievorm door gebruik te maken van:</al><al>-vormgevingsaspecten die overeenkomen zoals ruimte, licht, kleur, ritme en compositie;</al><al>-associatie.</al><al>De transformatie kan plaatsvinden van klank naar beeld, van beeld naar drama, van drama naar klank en omgekeerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Totale integratie	creatieve expressie</al></entry><entry colname="col3"><al>30.De leerlingen kunnen de verschillende expressievormen integreren tot een samenhangend geheel.</al><al>Daarbij wordt uitgegaan van:</al><al>-een onderwerp/thema</al><al>-een totaalproject, waarbij ook andere vakgebieden betrokken worden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.14 Muziek</tussenkop><tussenkop>Algemene doelstelling</tussenkop><al>Het onderwijs in het vak Muziek is er op gericht dat de leerlingen:</al><lijst><li nr="-"><al>vaardigheid verwerven in het zingen, spelen en componeren van muziek;</al></li><li nr="-"><al>vaardigheid verwerven in het luisteren naar en interpreteren van muziek;</al></li><li nr="-"><al>kennis en inzicht verwerven en kunnen toepassen in samenhang met het beluisteren, zingen, spelen en componeren van muziek.</al></li></lijst><al>Het vak Muziek heeft daarnaast in het algemeen tot doel:</al><lijst><li nr="-"><al>de algemene ontwikkeling van de leerling door het stimuleren van artistieke groei en expressie;</al></li><li nr="-"><al>.mogelijkheden te scheppen om kennis te nemen van muziek in het algemeen en de muziek van eigen cultuur in het bijzonder;</al></li><li nr="-"><al>.mogelijkheden te scheppen om actief deel te nemen aan de muzikale ontwikkelingen van de Antilliaanse cultuur.</al></li></lijst><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Elementaire vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen  kunnen  de informatie  die  relevant is voor  de productieve en receptieve muzikale vorming d.m.v. cognitieve-, (senso)motorische- en emotionele vaardigheden verzamelen, verwerken en toepassen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Strategische vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>2.De  leerlingen  kunnen  studie-  en   onderzoeksvaardigheden toepassen in het muzikale proces.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfregulerende vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen  kunnen  oriënteren,  plannen,  evalueren en reflecteren tijdens de productieve en receptieve muzikale vorming.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Sociale en communicatieve vaardigheden</al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen kunnen via uitwisseling van ideeën, gedachten en meningen  komen tot  verrijking en verdieping van het individuele muzikale proces en het groepsproces.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Uitvoeren</al></entry><entry colname="col2"><al>Vocale en Instrumentale ontwikkeling</al></entry><entry colname="col3"><al>5.Leerlingen kunnen een gevarieerd liedrepertoire (Antilliaans, Latijns-Amerikaans,  Afrikaans-Amerikaans,  Europees  etc.) individueel, in kleine en grote groepen op gehoor uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.Leerlingen  kunnen   een  gevarieerd  repertoire  (Antilliaans, Latijns-Amerikaans, Afrikaans-Amerikaans, Europees etc.) van instrumentale speelstukken individueel, in kleine en grote groepen op gehoor uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Muzikale tekens, symbolen en notaties</al></entry><entry colname="col3"><al>7. D.m.v.  traditionele  en  niet-traditionele  notatievormen kunnen leerlingen een breed repertoire van vocale en instrumentale muziek uitvoeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Muzikale stijlen en idiomen</al></entry><entry colname="col3"><al>8.Leerlingen  kunnen bij  het uitvoeren kritisch  gebruik maken  van hun kennis over muzikale stijlen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Relaties van muziek met buitenmuzikale gegevens en andere kunstvormen	</al></entry><entry colname="col3"><al>9.Leerlingen kunnen muziek uitvoeren aan de hand van buitenmuzikale gegevens  samen  met  andere  kunstvormen  in een multimedia performance.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Ensemble-techieken</al></entry><entry colname="col3"><al>10.Leerlingen kunnen samenwerken bij het instuderen en uitvoeren van muziek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Begrijpend luisteren</al></entry><entry colname="col2"><al>Luisteren, herkennen, onderscheiden</al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen  kunnen  luisterend  naar verschillende soortenmuziek een breed skala van muziekinstrumenten en muzikale elementen onderscheiden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Overeenkomsten en contrasten in muzikale stijlen en idiomen</al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen  kunnen analytisch luisteren naar muziek en tonen   inzicht  in  muzikale  stijlen  en  idiomen  door  het  beschrijven/bespreken  aan  de hand van  de muzikale  elementen en in termen van stemming, sfeer en effect.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Transformeren en functies van muziek</al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen  tonen inzicht  in functies  van  muziek  in  een multi-culturele samenleving.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Componeren</al></entry><entry colname="col2"><al>Exploreren, selekte ren en organiseren</al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen kunnen een compositie maken door geluiden te onderzoeken, te selecteren en samen te stellen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Communiceren en vastleggen van muzikale composities</al></entry><entry colname="col3"><al>15.De  leerlingen   kunnen   gebruik  maken van verschillende communicatiemogelijkheden  waaronder opnemen van eigen composities.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.15 Begeleidingslessen</tussenkop><tussenkop>Kerndoelen</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="28*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>DOMEINEN</al></entry><entry colname="col2"><al>SUBDOMEINEN</al></entry><entry colname="col3"><al>KERNDOELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.Algemene vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>In alle kerndoelendocumenten van de andere vakken en vakgebieden worden in domein A  algemene vaardigheden aangegeven.</al><al>Aangezien voor de begeleidingslessen geldt dat alle vaardigheden algemene vaardigheden zijn, is hiervoor domein A niet ingevuld. De algemene vaardigheden komen aan bod in de domeinen B, C B, C en D.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.Studievaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>1.De leerlingen  kunnen  laten  zien  dat de studievaardigheden beheerst worden.</al><al>Zij kunnen gebruik maken van studietechnieken en strategieën om mondelinge en schriftelijke informatie te verwerven, verwerken en bewerken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>2.De leerlingen kunnen hun leeractiviteiten organiseren en plannen.</al><al>-Zij kunnen zich oriënteren op hun leertaken (onder andere huiswerk) en een geëigende aanpak kiezen (in welke volgorde en op welke manier)</al><al>-Zij kunnen hun leeractiviteiten op tijd bijsturen.</al><al>-Zij zijn zich bewust van een eigen leerstijl.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>3.De leerlingen kunnen laten zien welke leerweg zij volgen en kunnen uitleggen hoe ze tot de oplossing van een probleem komen.</al><al>-Zij kunnen oplossingsmethoden kiezen.</al><al>-Zij kunnen oplossingsmethoden toepassen.</al><al>-Zij kunnen leer- en oplossingsstappen laten zien.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.Keuzevaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Leren kiezen</al></entry><entry colname="col3"><al>4.De leerlingen hebben vaardigheden in het maken van keuzen ontwikkeld, waaronder specifiek de keuze voor studie en beroep.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>5.De leerlingen onderkennen de stappen die ze moeten nemen om zo goed mogelijk te kunnen kiezen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>6.De leerlingen overzien en aanvaarden de consequenties van een keuze.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>7.De leerlingen durven beslissingen te nemen ten aanzien van hun studie- en beroepsloopbaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Zelfconcept verheldering</al></entry><entry colname="col3"><al>8.De leerlingen  hebben  een reëel beeld  van zichzelf voor wat betreft hun capaciteiten, interesses, eigenschappen, normen en waarden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Omgaan met invloed uit omgeving</al></entry><entry colname="col3"><al>9.De leerlingen  zien in  dat  eigen  keuzen  beïnvloed  worden door anderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Horizonverruiming</al></entry><entry colname="col3"><al>10.De leerlingen  kunnen  zich  een duidelijk beeld  vormen van het onderwijsaanbod en de keuzemogelijkheden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>11.De leerlingen kunnen afwegingen maken met betrekking tot de consequenties van hun keuzen, de mogelijkheden die ze uitsluiten, de richting die ze uitgaan en de mogelijkheden die ze hebben.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>12.De leerlingen hebben bij het kiezen van een vervolgtraject zicht op beroepensectoren en beroepseisen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>13.De leerlingen kunnen de relatie leggen tussen de beroepensectoren en de beroepseisen aan de ene kant en hun eigen capaciteiten, interesses, eigenschappen en waarden aan de andere kant.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.Sociaal- emotionele vaardigheden</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>14.De leerlingen  onderkennen lichamelijke, intellectuele en sociaal-emotionele veranderingen en nemen een positieve houding aan ten aanzien van deze veranderingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>15.De leerlingen ontwikkelen een positief zelfbeeld en leren vorm te geven aan een eigen identiteit.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>16.De leerlingen leren zich bewust te worden van hun eigen problemen, deze te analyseren en zelf oplossingen te vinden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Omgaan met anderen</al></entry><entry colname="col3"><al>17.De leerlingen  leren zich open te stellen voor anderen en zich in anderen in te leven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>18.De leerlingen ontwikkelen verbale en non-verbale communicatiemogelijkheden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>19.De leerlingen ontwikkelen het inzicht, de attitudes en de vaardigheden die nodig zijn voor het goed kunnen functioneren in een groep.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.Toekomstoriëntatie</al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al>20.De leerlingen  kunnen  de vaardigheden  die  zij  hebben verworven bij de domeinen 'studievaardigheden', 'keuzevaardigheden' en 'sociaal-emotionele vaardigheden' aanwenden bij alle keuzen die zij voor hun studie, beroep en vrije tijd moeten maken.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING OP DE KERNDOELEN VOOR DE BASISVORMING</tussenkop><al>De kerndoelen voor de Basisvorming beschrijven algemene kwaliteiten van leerlingen in termen van kennis, inzicht en vaardigheden. Deze kwaliteiten omvatten de onderwijsdoelen die de scholen voor voortgezet onderwijs op de Nederlandse Antillen ten minste dienen te realiseren in de periode die in de Landsverordening Voortgezet Onderwijs voor de Basisvorming is uitgetrokken. Het gaat bij de Basisvorming om algemene vorming die voor de leerlingen noodzakelijk is voor hun zinvol functioneren als lid van de samenleving, maar die tevens de basis moet leggen voor hun verdere persoonlijke ontwikkeling en verdere studie en/of beroepsvorming. De kerndoelen vormen de neerslag van de bij de invoering van de Basisvorming nagestreefde inhoudelijke vernieuwing. Deze is er op gericht de onderwijsinhouden beter te doen aansluiten bij de sociaal-culturele omstandigheden op de eilanden en bij de economische en de technologische modernisering. Het streven daarbij is om onderwijs te creëren dat de maatschappelijke weerbaarheid van de mens en de sociale rechtvaardigheid bevordert. In de kerndoelen is dit vertaald op het niveau van de vakken in een aantal uitwerkingen in vakgebonden kerndoelen. Per vak zijn daarnaast algemene kerndoelen geformuleerd. Een aantal van deze algemene kerndoelen is vakoverstijgend en dient dientengevolge zoveel mogelijk in samenhang te worden beschouwd. Deze kerndoelen zijn per vak verwerkt in Domein A. </al><al>Kenmerkend voor de inhoud van de Basisvorming en de kerndoelen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het verwerven van vaardigheden: onder andere, een onderzoekende houding, het kunnen verwoorden van standpunten, omgaan met informatie, samenwerking met anderen;</al></li><li nr="-"><al>samenhang tussen de vakken en vakgebieden, onder meer door het geïntegreerd aanbieden van vakken.</al></li></lijst><al>De kerndoelen per vak zijn steeds geordend in een aantal samenhangende domeinen en waar nodig in subdomeinen. Deze vormen in combinatie met de inhoudelijke kerndoelen tevens het uitgangspunt voor de leerplannen die voor elk vak beschikbaar zullen zijn, als hulpmiddel en suggestie bij de concrete inrichting van het onderwijs in de scholen. Daarnaast fungeren de kerndoelen als kader voor het kiezen door de scholen van de meest geëigende lesmethoden, en als referentiepunt voor de toetsing van de resultaten van de Basisvorming. De kerndoelen zijn normstellend voor zowel de schooltoetsen als voor de centrale toetsen. </al><al>Aangezien de kerndoelen door vakdocenten zijn opgesteld in de voor docenten bekende terminologie, behoeven de kerndoelen geen verdere toelichting. Enige onduidelijkheid zou echter kunnen bestaan over de inhoud van de in kerndoel 36 van het vak Nederlands genoemde basiswoordenschat. Bij het bepalen uit welke algemene schooltaalwoorden deze basiswoordenschat minimaal moet bestaan, kan als richtlijn de door het Departement van Onderwijs samengestelde “Woordenlijst schooltaalwoorden in de Basisvorming” worden gehanteerd. Bij het opstellen van de centrale toetsen met betrekking tot kerndoel 36 zullen de in voornoemde lijst opgenomen woorden als uitgangspunt worden genomen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>