<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>272453_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei &amp; Eem</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-10</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem 2010</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-26</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, 110 en hoofdstuk XVIIb en Waterschapsbesluit hoofstuk 6.2</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluwepost 13-12-2009</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>134592</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2010. Deze verordening is ingetrokken met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al id="anker-doi">Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:
                26-11-2009</al><al id="anker-bbi">Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit:
                Veluwepost 13-12-2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem</al><al>2010’.</al><al>Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei &amp; Eem;</al><al>op voordracht van het dagelijks bestuur van 5 november 2009</al><al>gelet op de artikelen 110 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en hoofdstuk 6.2 van het</al><al>Waterschapsbesluit;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de:</al><al>‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem 2010’</al><al>Begripsbepalingen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; eem 2010</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al><al>b riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij</al><al>een gemeente;</al><al>c zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater,</al><al>niet zijnde een riolering;</al><al>d afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk in beheer</al><al>bij het waterschap;</al><al>e woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel</al><al>te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte</al><al>niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al><al>f bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen</al><al>terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.</al><al>g de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk</al><al>Belastingkantoor Rijn Midden te Harderwijk (Tricijn belastingen) aangewezen ambtenaar,</al><al>bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>h drinkwater: water als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet;</al><al>i ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, onttrokken grond– en oppervlaktewater</al><al>en opgevangen regenwater;</al><al>j waterleidingbedrijf: een bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Waterleidingwet;</al><al>k afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de Waterwet.</al><al>Bijlagen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening;</al><al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de</al><al>Waterschapswet.</al><al>Belastbaar feit en heffingsplicht</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>1 Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren</al><al>van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven</al><al>ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al>2 Aan de heffing worden onderworpen:</al><al>a ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik</al><al>heeft van die ruimte;</al><al>b ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die afvoert.</al><al>3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:</al><al>a in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die</al><al>door de ambtenaar belast met de heffing is aangewezen;</al><al>b in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven:</al><al>degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die</al><al>het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene</al><al>aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al><al>c in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte:</al><al>degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene</al><al>die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen</al><al>op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al><al>4 Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene bij wie die riolering</al><al>in beheer is, slechts voor die stoffen die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan</al><al>een heffing onderworpen.</al><al>5 De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><al>a aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden</al><al>en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen</al><al>die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al><al>b aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot behoud van het gebruik van</al><al>zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk</al><al>te voorkomen.</al><al>6 Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>1 De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd</al><al>bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>2 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van</al><al>het heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste</al><al>gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van</al><al>de heffingsplicht, nog volle etmalen overblijven.</al><al>3 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het</al><al>heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel driehonderdvijfenzestigste</al><al>gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de</al><al>heffingsplicht, nog volle etmalen overblijven. De heffingsplichtige kan, indien de situatie in de</al><al>vorige volzin zich voordoet een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met</al><al>de heffing.</al><al>4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de heffingsplichtige in de loop van het</al><al>heffingsjaar het gebruik van een woonruimte waarvoor de betaling van de heffing plaatsvindt</al><al>aan het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Rijn Midden te Harderwijk (Tricijn belastingen)</al><al>beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte die eveneens in het waterschapsgebied</al><al>ligt en waarvoor de betaling van de heffing eveneens aan het Gemeenschappelijk</al><al>Belastingkantoor Rijn Midden plaatsvindt en er vanuit de nieuwe woonruimte eveneens</al><al>wordt afgevoerd als bedoeld in artikel 1 onder d.</al><al>Heffingsjaar</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al>aangifte</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a</titel></kop><al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van bedrijfsruimten, wordt de</al><al>uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door:</al><al>a het uitreiken of toezenden van ene aangiftebiljet;</al><al>b het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen</al><al>op de wijze als bedoeld in artikel 5b.</al><al>Artikel 5b</al><al>Het doen van aangifte geschiedt door:</al><al>a het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden;</al><al>b het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende programmatuur gevraagde</al><al>gegevens.</al><al>Grondslag en heffingsmaatstaf</al><al>Algemeen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>1 Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid</al><al>van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al><al>2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar</al><al>worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>3 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op</al><al>basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting</al><al>van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid</al><al>vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het</al><al>heffingsjaar van 54,8 kilogram zuurstof.</al><al>4 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver,</al><al>zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald op basis van de</al><al>afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening.</al><al>Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheid</al><al>van:</al><al>a 1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink;</al><al>b 0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al><al>5 De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.</al><al>Meting, bemonstering en analyse</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met</al><al>behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering,</al><al>analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen</al><al>voorschriften.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van</al><al>het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.</al><al>3 De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><al>Pagina 4 van 9</al><al>a de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid</al><al>afvalwater;</al><al>b het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen die gedurende</al><al>de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al><al>4 De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de</al><al>daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar</al><al>belast met de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar</al><al>aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis</al><al>van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al><al>5 De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>a kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van één of</al><al>meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk</al><al>maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a</al><al>en b;</al><al>b beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en bemonstering kunnen geschieden</al><al>in afwijking van een of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,</al><al>indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde</al><al>in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>c beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden afgeweken van de in Bijlage I,</al><al>onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk</al><al>maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>d kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere voorschriften</al><al>geven.</al><al>6 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen</al><al>a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken;</al><al>b de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>c de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al><al>7 De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen</al><al>beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel,</al><al>in één geschrift te verenigen.</al><al>8 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in</al><al>de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de</al><al>desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in</al><al>verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.</al><al>Beperkte meting, bemonstering en analyse</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>1 Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het</al><al>aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting,</al><al>bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar</al><al>belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde</al><al>in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar</al><al>vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het onderzoek dienen te worden</al><al>betrokken;</al><al>b de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder etmaal van die tijdvakken,</al><al>hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al><al>c de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal</al><al>vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al><al>2 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in</al><al>de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de</al><al>desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien</al><al>Pagina 5 van 9</al><al>toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander</al><al>aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al><al>3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor</al><al>bezwaar vatbare beschikking.</al><al>Hoedanigheidscorrectie</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>1 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in</al><al>artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare</al><al>stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al><al>2 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij</al><al>voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>a de wijze van berekening van de correctie;</al><al>b de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie van toepassing is;</al><al>c de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting, bemonstering en analyse;</al><al>d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al><al>Tabel afvalwatercoëfficiënten</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met</al><al>betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel</al><al>daarvan worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen</al><al>tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt</al><al>dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar</al><al>1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water</al><al>kan worden bepaald.</al><al>2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule</al><al>A x B, waarbij:</al><al>A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van</al><al>de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met</al><al>de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik</al><al>per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen</al><al>water is gelegen.</al><al>3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan</al><al>de hand aan watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn</al><al>opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem</al><al>nader vast te stellen wijze.</al><al>4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede</al><al>lid wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in</al><al>artikel 122k van de Waterschapswet.</al><al>5 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar</al><al>voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige</al><al>aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met</al><al>toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan</al><al>die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid, beslist de ambtenaar</al><al>belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige</al><al>dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al><vet>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden</al><al>afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in</al><al>het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand</al><al>van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al><al>2 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop</al><al>onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig</al><al>deel van drie vervuilingseenheden.</al><al>3 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte</al><al>of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker</al><al>aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of</al><al>voor dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald aantal</al><al>vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al><al>4 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend</al><al>op basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op</al><al>drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid</al><al>gesteld.</al><al>Franchise en drempel</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><al>1 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van</al><al>stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat</al><al>het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt</al><al>bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend</al><al>op grond van de artikelen 7 tot en met 10, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al><al>2 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van</al><al>stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal</al><al>vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald</al><al>door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op</al><al>grond van de artikelen 7 tot en met 10, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al><al>Meetverplichting</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><al>1 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte</al><al>minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde</al><al>in artikel 7:</al><al>a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en</al><al>zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het</al><al>aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid bedoelde</al><al>aftrek te boven gaat;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil</al><al>gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden</al><al>met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek</al><al>te boven gaat.</al><al>Pagina 7 van 9</al><al>2 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte</al><al>1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in</al><al>artikel 7:</al><al>a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en</al><al>zink op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden</al><al>met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek</al><al>niet te boven gaat;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil</al><al>gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden</al><al>met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven</al><al>gaat.</al><al>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden</al><al>als berekend overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 13, voorzover deze van</al><al>toepassing zijn.</al><al>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><al>1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een</al><al>bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden</al><al>afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is</al><al>gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één</al><al>vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid</al><al>of minder bedraagt.</al><al>2. Indien de aanslag is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk</al><al>maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat</al><al>aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de</al><al>ambtenaar belast met de heffing. Een aanvraag als bedoeld in de vorige volzin kan worden</al><al>ingediend, indien de dagtekening van de aanslag binnen het desbetreffende kalenderjaar valt,</al><al>binnen een termijn die verstrijkt zes weken na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.</al><al>En, indien de dagtekening van de aanslag na het desbetreffende kalenderjaar valt, binnen</al><al>zes weken na de dagtekening van de aanslag.</al><al>Vervuilingswaarde van woonruimten</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een</al><al>woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde</al><al>van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd</al><al>wordt, op aanvraag van de heffingplichtige, gesteld op één vervuilingseenheid.</al><al>2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten</al><al>die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.</al><al>De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een</al><al>bedrijfsruimte danwel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al><al>3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon</al><al>ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid</al><al>vastgesteld met ingang van de eerste dag die volgt op de dag waarop die situatie is</al><al>ontstaan.</al><al>4 Indien de dagtekening van de aanslag ligt voor de datum van de in het eerste lid bedoelde</al><al>situatie kan de aanvraag om vermindering worden ingediend binnen zes weken nadat de situatatie</al><al>zich heeft voorgedaan. Indien de dagtekening van de aanslag ligt na de datum van in</al><al>het eerste lid bedoelde situatie kan de aanvraag om vermindering worden ingediend binnen</al><al>zes weken na de dagtekening van de aanslag.</al><al>Schatting</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar</al><al>geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><al>a meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in overeenstemming met</al><al>de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>b het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering en</al><al>analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10, eerste of vijfde lid, 11,</al><al>eerste lid, 15, eerste lid, of 16, eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>c het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemonstering en</al><al>analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vijfde lid, wel mogelijk is,</al><al>maar door de heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in dat</al><al>artikel is gedaan:</al><al>d niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in artikel 7, 8 of 9 bedoelde</al><al>toestemming.</al><al>Tarief</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 45,25 per vervuilingseenheid.</al><al>Wijze van heffing en termijnen van betaling</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><al>1. De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.</al><al>2. Aanslagen dienen, met in achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, te worden</al><al>betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening van de aanslag.</al><al>3. Voorlopige aanslagen waarvan de dagtekening in het desbetreffende heffingsjaar ligt en</al><al>waarvoor de heffingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven</al><al>door middel van automatische incasso, dienen te worden betaald in zoveel gelijke</al><al>maandelijkse termijnen als er na de dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende</al><al>heffingsjaar volle kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal</al><al>maandelijkse termijnen nooit minder dan twee bedraagt. Voor de overige voorlopige</al><al>aanslagen geldt onverkort de in lid 2 neergelegde hoofdregel.</al><al>4. Definitieve aanslagen die worden opgelegd aan de gebruiker van een bedrijfsruimte</al><al>waarvan de dagtekening in het desbetreffende jaar ligt en waarvoor een machtiging is</al><al>afgegeven om die bij wijze van automatische incasso af te schrijven, dienen te worden</al><al>betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de dagtekening van de aanslag</al><al>in het desbetreffende heffingsjaar nog volle kalendermaanden resteren, met dien</al><al>verstande dat het aantal maandelijkse termijnen nooit minder dan twee bedraagt. Voor</al><al>overige definitieve bedrijfsaanslagen geldt onverkort de in het tweede lid neergelegde</al><al>hoofdregel.</al><al>5. Tenzij op het aanslagbiljet anders is vermeld, dienen de aanslagen die in het desbetreffende</al><al>heffingsjaar worden opgelegd aan de gebruiker van een woonruimte, te worden</al><al>betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s van waterbedrijf Vitens</al><al>moeten worden betaald. In dat geval moet de aanslag worden betaald in vier kwartaaltermijnen.</al><al>Indien de heffingschuldige Vitens heeft gemachtigd tot automatische incasso</al><al>kan de aanslag worden betaald in tien gelijke termijnen. Indien een aanslag als</al><al>bedoeld in dit lid, die moet worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die</al><al>waarop de nota’s van Vitens moeten worden betaald, wordt opgelegd nadat reeds een</al><al>of meer van de nota’s van Vitens in dat jaar zijn verschenen, is de aanslag invorderbaar</al><al>in zoveel gelijke termijnen als na het opleggen van de aanslag in het desbetreffende belastingjaar</al><al>nog nota’s van Vitens verschijnen. Indien een aanslag als bedoeld in dit lid,</al><al>die moet worden betaald tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s van</al><al>Vitens moeten worden betaald, wordt opgelegd nadat de laatste nota van Vitens is verschenen,</al><al>geldt de in lid 2 neergelegde hoofdregel.</al><al>6. Aanslagen die worden opgelegd aan de gebruiker van een woonruimte waarvan op het</al><al>biljet niet is vermeld dat zij tegelijk met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s</al><al>van waterbedrijf Vitens moeten worden betaald, waarvan de dagtekening in het desbetreffende</al><al>jaar ligt en waarvoor een machtiging is afgegeven om die bij wijze van automatische</al><al>incasso af te schrijven, dienen te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse</al><al>termijnen als er na de dagtekening van de aanslag in het desbetreffende heffingsjaar</al><al>nog volle kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal maandelijkse</al><al>termijnen nooit minder dan twee bedraagt. Voor overige aanslagen die worden opgelegd</al><al>aan de gebruiker waarvan op het biljet niet is vermeld dat zij tegelijk met en op dezelfde</al><al>wijze als die waarop de nota’s van waterbedrijf Vitens moeten worden betaald</al><al>geldt onverkort de in het tweede lid neergelegde hoofdregel.</al><al>7. Het bedrag vermeld op een beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en</al><al>in verband met de vaststelling van een belastingaanslag is opgelegd dient te worden</al><al>betaald overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag.</al><al>8. Het bedrag vermeld op een beschikking inzake een bestuurlijke boete die separaat aan</al><al>de belanghebbende wordt bekendgemaakt, alsmede navorderingsaanslagen als bedoeld</al><al>in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, moeten worden betaald</al><al>in één termijn die vervalt een maand na de dagtekening van de boete respectievelijk</al><al>de navorderingsaanslag.</al><al>Nadere regels</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing</al><al>en de invordering.</al><al>Inwerkingtreding en citeertitel</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>1 De ‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem 2009’, vastgesteld bij besluit van</al><al>27 november 2008, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum</al><al>van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare</al><al>feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.</al><al>3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2010.</al><al>4 Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp;</al><al>Eem 2010’.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering op 26 november 2009</al><al>mr. G.P. Dalhuisen drs. J.M.P. Moons</al><al>secretaris dijkgraaf</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting op de verordening</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei &amp; Eem 2010</vet></al><al>A ALGEMEEN</al><al>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van 13 november</al><al>1969, Stb. 536) kreeg de zuiveringsheffing als doelstelling de financiering van de kosten van</al><al>maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel</al><al>18, eerste lid). De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van kosten).</al><al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder te verdelen in</al><al>actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van afvalwater, alsmede het verbranden van</al><al>zuiveringsslib) en passief beheer (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving, waterkwaliteitsbeheersplannen).</al><al>Deze activiteiten samen werden tot dusver geduid als de zorg voor de</al><al>kwaliteit van het oppervlaktewater.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei 2007,</al><al>Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al><al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 15a, eerste lid, van de Wet verontreiniging</al><al>oppervlaktewateren, een taak die bij het waterschap is ondergebracht. De financiering</al><al>daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak inzake het zuiveren van</al><al>afvalwater) gebeurt reeds met ingang van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor</al><al>de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van afvalwater behoren, zijn</al><al>samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor de beheersing van het oppervlaktewater</al><al>nu ondergebracht in de zorg voor het watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden</al><al>uit de opbrengst van de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de waterschapsomslagen</al><al>(artikel 117 van de Waterschapswet).</al><al>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Considerans</al><al>Bevoegdheid algemeen bestuur</al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de belastingverordening. Dit</al><al>vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding</al><al>van de belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>Wettelijke grondslag</al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing ligt in hoofdstuk</al><al>XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit nog enkele</al><al>nadere regels gesteld.</al><al>Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende begrippen en om</al><al>de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze begrippen een omschrijving gegeven in</al><al>artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al>Onderdeel a</al><al>Pagina 2 van 15</al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in artikel 6. In dat artikel</al><al>zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in de heffing worden betrokken, alsmede de</al><al>gewichtseenheden van die stoffen.</al><al>Pagina 3 van 15</al><al>Onderdeel b</al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt bedoeld in artikel</al><al>10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al>Onderdeel c</al><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het zuiveren of het</al><al>transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen,</al><al>persleidingen, vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve</al><al>van het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater (IBA’s) vallen</al><al>onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen</al><al>(zie onderdeel b, waarbij het begrip riolering is gedefinieerd).</al><al>Onderdeel d</al><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer</al><al>bij het waterschap.</al><al>Onderdeel e</al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke bewoonde ruimte</al><al>kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn bestemd om als</al><al>een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting</al><al>van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een</al><al>ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in</al><al>het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn.</al><al>Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als</al><al>kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer studentenhuizen</al><al>en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte</al><al>in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli</al><al>1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad</al><al>1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het arrest van de Hoge</al><al>Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB</al><al>1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al>Onderdeel f</al><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve formulering om</al><al>een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is moet als</al><al>een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een</al><al>bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457).</al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders. Hierbij ging het om</al><al>een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt.</al><al>Er stonden namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik</al><al>van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer</al><al>dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen</al><al>(Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). Of daar ook sprake</al><al>van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er</al><al>sprake was van het afvoeren van met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof</al><al>Arnhem 22 augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of</al><al>van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni</al><al>1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee verschillende personen in</al><al>gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere</al><al>een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat</al><al>en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><al>Onderdeel g</al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de Algemene wet inzake</al><al>rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het doen van uitspraak</al><al>op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer</al><al>de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepssing verklaard voor het heffen van belastingen</al><al>door waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen</al><al>aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing geschiedt bij een</al><al>Pagina 4 van 15</al><al>door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van aanslagen en</al><al>het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze functionaris</al><al>ook de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe (artikel 7 en verder).</al><al>Onderdeel h</al><al>Hoewel de Waterleidingwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet hier in het kader</al><al>van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke consumptie geschikt water worden verstaan.</al><al>Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs”</al><al>water voor het wassen van kleding vallen hier onder. Daarom wordt aangesloten bij het begrip</al><al>leidingwater zoals dat is omschreven in artikel 1, onderdeel b, van de Waterleidingwet.</al><al>Onderdeel i</al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op steeds grotere</al><al>schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik</al><al>wordt afgevoerd, dient het eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al>Onderdeel j</al><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, onderdeel</al><al>d, van de Waterleidingwet niet uitsluitend te voorzien in het leveren van water. Dergelijke</al><al>leveringen kunnen deel uitmaken van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld electrische</al><al>energie, warmte of aardgas.</al><al>Bijlagen</al><al>Artikel 2</al><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de hoedanigheid</al><al>van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de vervuilingswaarde van de stoffen</al><al>die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit</al><al>artikel 122g van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt</al><al>vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting, bemonstering, analyse en</al><al>berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 7, 8 en 9 van de verordening.</al><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal uitrzonderingen op</al><al>deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten,</al><al>glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en</al><al>minder, zijn eveneens in deze verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden</al><al>en minder kan onder voorwaaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden</al><al>plaatsvinden met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel</al><al>van meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de</al><al>Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet</al><al>worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>Belastbaar feit en heffingsplicht</al><al>Artikel 3</al><al>Eerste lid</al><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan</al><al>het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee primair een bestemmingsheffing met</al><al>een retributief karakter.</al><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of indirect afvoeren van</al><al>stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap. Om beheerder en daarmee</al><al>heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch</al><al>werk daadwerkelijk bij het waterschap berust. Dit is met name van belang in situaties waar sprake</al><al>is van zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het afvalwater onstaat in het gebied van het</al><al>Pagina 5 van 15</al><al>ene waterschap en wordt afgevoerd naar een zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap.</al><al>In een dergelijk geval is het ontvangende waterschap bevoegd om degene die de stoffen</al><al>heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ten</al><al>aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden opgelegd door verschillende waterschappen.</al><al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een medebeheersovereenkomst</al><al>tussen de betrokken waterschappen. waarin onder andere de wederzijdse financiële</al><al>verplichtingen worden vastgelegd. Het waterschap waar het afvalwater ontstaat wordt daardoor</al><al>ook beheerder van het ontvangende zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge</al><al>Raad 11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is noodzakelijk voor de</al><al>toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige heffing in hoofdstuk IV van de Algemene</al><al>wet inzake rijksbelastingen.</al><al>Tweede lid</al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende wijzen plaatsvinden.</al><al>Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object</al><al>van waaruit wordt afgevoerd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie gebruiker is. Ingeval</al><al>er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks</al><al>bestuur beleidsregels opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige</al><al>kan worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn</al><al>voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke beleidsregels kan de keuze</al><al>van het waterschap voor één van de gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt,</al><al>wat tot vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en</al><al>mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan</al><al>de leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz. 326).</al><al>Onderdeel a</al><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan is de gebruiker</al><al>van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte</al><al>aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat de belastingen,</al><al>waar onder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten</al><al>doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplchtig. Deze kan op grond</al><al>van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan bestaan dat studentenhuizen</al><al>met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als bedrijfsruimte,</al><al>waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan</al><al>worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544</al><al>en Hoge Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in</al><al>de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of</al><al>meer duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer</al><al>die in opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt</al><al>te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad</al><al>1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn gericht om die voor</al><al>kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke</al><al>gevallen is de verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al><al>Onderdeel b</al><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte plaats, dan is degene</al><al>die afvoert heffingsplichtig.</al><al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van de Wet verontreiniging</al><al>oppervlaktewateren welke is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel) afvoeren</al><al>vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien</al><al>bleek in de praktijk het achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler niet</al><al>altijd mogelijk te zijn, evenals het vastellen van indivuduele vervuilingswaarden indien de stoffen</al><al>van meer dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat degene</al><al>die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto dus de vervoerder) rechtstreeks in de</al><al>heffing kan worden betrokken.</al><al>Pagina 6 van 15</al><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit tankauto’s aan de heffing</al><al>onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van afvoeren anders dan vanuit een</al><al>woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk</al><al>onder de ratio van deze bepaling.</al><al>Derde lid</al><al>Onderdeel a</al><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere gebruikers, wijst de</al><al>ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de aanslag één van hen aan als belastingplichtige.</al><al>De criteria op grond waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in</al><al>beleidsregels.</al><al>Onderdeel b</al><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven aan een ander,</al><al>dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing</al><al>verhalen op degene die het in gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen</al><al>en dergelijke.</al><al>Onderdeel c</al><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere perioden aan wisselende,</al><al>opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld, kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing</al><al>verhalen op degenen aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al>Vierde lid</al><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringstechnisch werk van het</al><al>waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid voorziet er in dat in dergelijke</al><al>gevallen niet de gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt</al><al>betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit</al><al>objecten waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al><al>Vijfde lid</al><al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast het financieren van</al><al>het zuiveren van afvalwater, aan kan worden besteed.</al><al>Zesde lid</al><al>Het waterschap heeft er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om het afvoeren vanuit objecten</al><al>die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet,</al><al>anders dan de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, geen specifieke vrijstellingsbepaling</al><al>kent voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan een dergelijke vrijstellingsbepaling</al><al>worden opgenomen op de voet van artikel 122l van de Waterschapswet. Dit artikel</al><al>wordt ingevoerd door middel van de nog in procedure zijnde wijziging van de Waterschapswet.</al><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</al><al>Artikel 4</al><al>Eerste lid</al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten</al><al>de materiële belastingschuld door de regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar.</al><al>Dit heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd</al><al>(formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar</al><al>voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag</al><al>gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na</al><al>afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de belastingrechter.</al><al>Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad</al><al>1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad</al><al>1996, blz. 331) en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake zuiveringsheffing.</al><al>Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in het hefPagina</al><al>7 van 15</al><al>fingsjaar zelf op te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat</al><al>hierbij om:</al><al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar</al><al>te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de heffingsplicht in de</al><al>loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en</al><al>voor kleine bedrijfsruimten voorziet artikel 15, tweede lid, daar in);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de heffingsmaatstaf</al><al>in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde</al><al>en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid).</al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een waterschap in het heffingsjaar</al><al>wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</al><al>geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie vervuilingseenheden</al><al>en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing</al><al>is echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende</al><al>het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte</al><al>van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer</al><al>de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt</al><al>onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In</al><al>het tweede lid is aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op grond van artikel</al><al>122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig deel verschuldigd. Artikel</al><al>132 van de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan maken</al><al>op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden beslist bij voor bezwaar</al><al>vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige</al><al>fiscale rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming</al><al>van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. Het staat het waterschap ook vrij</al><al>om, op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te verlenen</al><al>zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al>Vierde lid</al><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit eveneens wordt</al><al>afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid van toepasssing. Er kan immers worden gesteld</al><al>dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van</al><al>de heffingsplicht. Dit resulteert dan in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al</al><al>betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Om</al><al>pragmatische redenen is in het vierde lid bepaald dat, in een bepaalde situatie, het tweede en het</al><al>derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Dit is het geval</al><al>wanneer de heffingplichtige verhuist van een woonruimte waarvoor de heffing wordt geïnd door</al><al>Tricijn belastingen (GBRM) naar een woonruimte waarvoor dit ook geschiedt.</al><al>Om redenen, die te maken hebben met de geautomatiseerde systemen waarmee de heffing</al><al>wordt geïnd, is er voor gekozen om dit niet te doen wanneer de heffingplichtige verhuist van- of</al><al>naar een woning waarvoor de aanslag wordt geïnd via de nota’s van Vitens. Uiteraard verhuist de</al><al>aanslag evenmin mee wanneer vanuit de nieuwe woning wordt geloosd op een oppervlaktewater:</al><al>dan is men voor die nieuwe woonruimte verontreinigingsheffing verschuldigd en geen zuiveringsheffing.</al><al>Heffingsjaar</al><al>Artikel 5</al><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit is wettelijk voorgeschreven</al><al>zodat een afwijkende regeling in de verordening niet meer mogelijk is.</al><al>Pagina 8 van 15</al><al>Grondslag en heffingsmaatstaf</al><al>Algemeen</al><al>Artikel 6</al><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar</al><al>worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf,</al><al>namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze</al><al>heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen en is gedefinieerd</al><al>in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8</al><al>kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die</al><al>worden genoemd in het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar.</al><al>In het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken. Het waterschap</al><al>heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te betrekken. Daartoe dient op grond</al><al>van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in</al><al>de verordening te worden opgenomen. Het vijfde lid van artikel 6 voorziet daar in.</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende stoffen en andere</al><al>stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die</al><al>stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch zuurstofverbruik</al><al>en het zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid</al><al>de zuurstofbehoefte die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één</al><al>persoon per jaar.</al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één persoon gemiddeld</al><al>per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek concludeerde de toenmalige</al><al>Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment geldende getalswaarde van 136 gram</al><al>zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht</al><al>met de meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd</al><al>naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om de hoeveelheid van</al><al>die stoffen die worden afgevoerd. Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid</al><al>van in het heffingsjaar afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink is één</al><al>afgevoerde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij arseen,</al><al>cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid.</al><al>Meting, bemonstering en analyse</al><al>Artikel 7</al><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de vervuilingswaarde</al><al>dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen ter zake van het afvoeren vanuit</al><al>bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere</al><al>wijze.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het aantal vervuilingseenheden</al><al>bepaald door middel van meting, bemonstering en analyse van het afvalwater. Daarbij</al><al>maakt het niet uit of dit elk etmaal geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><al>- de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al><al>- analysevoorschriften;</al><al>- berekeningsvoorschriften.</al><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de heffingsplichtige.</al><al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt vastgesteld.</al><al>Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de</al><al>kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988,</al><al>blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde</al><al>heffing.</al><al>Pagina 9 van 15</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden gedurende alle</al><al>dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder omstandigheden worden afgeweken. Zie</al><al>hierna onder artikel 8.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan moeten voldoen.</al><al>De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn een waarborg voor de in het</al><al>derde lid gestelde criteria. Als aan de voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan</al><al>hiervan onder omstandigheden worden afgeweken.</al><al>Vierde lid</al><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te gebruiken</al><al>apparatuur, vooraf megedeeld aan ambtenaar belast met de heffing.</al><al>Vijfde lid</al><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in Bijlage I opgenomen</al><al>voorschriften. Dit mag hij:</al><al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen aan de</al><al>voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook dan nog steeds</al><al>wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid</al><al>van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking genomen. Hiertegen</al><al>staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep open. Een belangrijk aandachtspunt</al><al>daarbij is wel dat wanneer de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking</al><al>en gebruik maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die</al><al>beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de heffingsplichtige</al><al>in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende</al><al>gegevens beschikt om de vereiste aangifte te kunnen doen.</al><al>De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk</al><al>op basis van schatting vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van</al><al>die schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren.</al><al>Zesde lid</al><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient te bevatten.</al><al>Zevende lid</al><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of bedrijfsonderdeel,</al><al>dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één geschrift combineren.</al><al>Beperkte meting en bemonstering</al><al>Artikel 8</al><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal meten, bemonsteren</al><al>en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat.</al><al>Het spreekt voor zich dat een lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.</al><al>De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie</al><al>kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar belast met de</al><al>heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare</al><al>beschikking, waartegen de volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de</al><al>voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de</al><al>beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de in de onderdelen a</al><al>t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>Pagina 10 van 15</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de model–meetbeschikking (brief van de Unie van Waterschappen</al><al>aan de leden–waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk 942196 AJBZ/EK, Belastingblad</al><al>1994, blz. 802) en de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling</al><al>van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van augustus</al><al>1998.</al><al>Hoedanigheidscorrectie</al><al>Artikel 9</al><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook zuurstofverbruik</al><al>tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar</al><al>zijn. Op grond van jurisprudentie komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van</al><al>niet meer dan 10%. Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale</al><al>chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV gecorrigeerd.</al><al>In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste 25%. De correctie die dan</al><al>plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid. De ambtenaar belast met de heffing (Tricijn belastingen)</al><al>heeft een Protocol T-correctie vastgesteld waarin de procedure is vastgelegd die ten</al><al>aanzien van de berekening van de T-correctie moet worden gevolgd.</al><al>In artikel 9 is bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van de T–correctie een aanvraag</al><al>moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare</al><al>beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale</al><al>rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige</al><al>met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te bevatten.</al><al>Tabel afvalwatercoëfficiënten</al><al>Artikel 10</al><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege blijven. Bij</al><al>verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het aantal vervuilingseenheden</al><al>van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel</al><al>is opgenomen in Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Eerste lid</al><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal</al><al>vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de vervuilingswaarde van</al><al>de afgevoerde stoffen.</al><al>Tweede lid</al><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het bedrijfsonderdeel afgevoerde</al><al>stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het aantal kubieke meters</al><al>in het heffingsjaar ingenomen water te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al>Derde lid</al><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct vast te stellen,</al><al>omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar.</al><al>Ook kan er sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In</al><al>dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar.</al><al>De wijze waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van de ambtenaar belast met de</al><al>heffing.</al><al>Pagina 11 van 15</al><al>Vierde lid</al><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het bedrijfsonderdeel.</al><al>Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde</al><al>ingenomen water (Besluit van 30 november 2002, Stb. 534).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar belast met de heffing</al><al>kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld.</al><al>De voorwaarden daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water.</al><al>Vijfde lid</al><al>De tabel klan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000 vervuilingseenheden en</al><al>meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een vervuilingswaaarde die lager is dan de</al><al>vervuilingswaarde die wordt gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al>Belasting van tuinbouwkassen</al><al>Artikel 11</al><al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente opstand</al><al>van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing betrokken op basis van</al><al>een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar</al><al>een afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van</al><al>tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde</al><al>op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge</al><al>perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen</al><al>thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen (artikel 21, vijfde lid,</al><al>Wet verontreiniging oppervlaktewateren).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan vijf vervuilingseenheden</al><al>bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten van artikel 15 van toepassing.</al><al>Franchise en drempel</al><al>Artikel 12</al><al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten ten aanzien</al><al>van de niet–zuurstofbindende stoffen een heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De</al><al>hoogte van deze aftrek is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater</al><al>met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte bij de aftrek is dat woonruimten</al><al>uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van zuurstofbindende stoffen en niet</al><al>voor het afvoeren van andere stoffen. Uit onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater</al><al>een, zij het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten</al><al>echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en bedrijfsruimten</al><al>is in artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van</al><al>huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.</al><al>Meetverplichting</al><al>Artikel 13</al><al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te verrichten naar</al><al>de samenstelling van het afvoeren van niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de</al><al>artikelen 7 en 8 staat dat de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel</al><al>van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel voor de</al><al>zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al><al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de andere stoffen in</al><al>beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot</al><al>de zuurstofbindende stoffen minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar</al><al>belast met de heffing echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stofPagina</al><al>12 van 15</al><al>fen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12, dienen meting, bemonstering en</al><al>analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 13.</al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen</al><al>meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het omgekeerde. Ten aanzien van de</al><al>andere stoffen dient in dat geval meting, bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf</al><al>aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije</al><al>grens als bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 13.</al><al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een voorbeeld.</al><al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van 900 vervuilingseenheden.</al><al>Ingevolge artikel 13 wordt het aantal vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit</al><al>geval (minder dan 1.000 vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf</al><al>voor die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. Stel echter dat het waterschap</al><al>aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid lood loost dat groter is dan de in artikel</al><al>12 bedoelde aftrek. Die aftrek bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden.</al><al>Het bedrijf zal dus moeten gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood</al><al>maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een</al><al>hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt afgevoerd met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden.</al><al>Daarop moet als gevolg van artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden gebracht.</al><al>De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,52 vervuilingseenheden.</al><al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier vervuilingseenheden)</al><al>en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden) wordt afgevoerd, geldt het volgende. In</al><al>dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek</al><al>van 2,43 voor arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) + (3 –</al><al>2,43) = 915,09 vervuilingseenheden.</al><al>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</al><al>Artikel 14</al><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13 berekende aantal vervuilingseenheden</al><al>aan zuurstofbindende stoffen voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder</al><al>meer van belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting, bemonstering</al><al>en analyse plaatsvindt;</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten</al><al>van toepassing zijn;</al><al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en geanalyseerd en</al><al>voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al><al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden afgevoerd</al><al>die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens van niet–</al><al>zuurstofbindende stoffen).</al><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen nauwkeurig.</al><al>Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld, moet worden uitgegaan van</al><al>niet afgronde waarden. De uiteindelijke totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens</al><al>de gebruikelijke afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de</al><al>keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of 20.</al><al>Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</al><al>Artikel 15</al><al>Eerste lid</al><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet.</al><al>Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden</al><al>minder dan vijf bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op</al><al>één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt.</al><al>Pagina 13 van 15</al><al>Tweede lid</al><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een vervuiligswaarde</al><al>van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een</al><al>aanslag voor drie vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop</al><al>van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder vervuilingseenheid</al><al>bedraagt.</al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor ontheffing of vermindering.</al><al>Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden één of</al><al>minder bedraagt, wordt op aanvraag van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid</al><al>gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de</al><al>Waterschapswet. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve</al><al>worden verleend.</al><al>Forfaits voor woonruimten</al><al>Artikel 16</al><al>Eerste lid</al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de vervuilingswaarde voor</al><al>een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de</al><al>woonruimte door één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>Tweede lid</al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor recreatiedoeleinden zijn</al><al>bestemd en zich bevinden op een voor recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt</al><al>geëxploiteerd. Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte</al><al>aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Derde lid</al><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één. Dit heeft gevolgen</al><al>voor de vervuilingswaarde. analoog aan artikel 4 wordt de verminderng van de vervuilingswaarde</al><al>etmaalnauwkeurig berekend.</al><al>Vierde lid</al><al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het heffingsjaar wordt opgelegd,</al><al>moet de verordening voorzien in een regeling waardoor aanspraak op vermindering kan</al><al>worden gemaakt. Dit gebeurt door middel van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid,</al><al>Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich</al><al>heeft voorgedaan, of, wanneer de aanslag is opgelegd nadat de betreffende omstandigheid zich</al><al>heeft voorgedaan, binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag. De vermindering kan</al><al>door de ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al>Schatting</al><al>Artikel 17</al><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde, in de onderdelen</al><al>a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld</al><al>door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting</al><al>tot meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in</al><al>overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren terzake van stoffen vanuit objecten</al><al>waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de</al><al>hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond waarvan</al><al>schatting kan plaatsvinden.</al><al>Pagina 14 van 15</al><al>Tarief</al><al>Artikel 18</al><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al>Wijze van heffing en termijnen van betaling</al><al>Artikel 19</al><al>Lid 1</al><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden geheven</al><al>(a) bij wege van aanslag (b) bij wege van voldoening op aangifte of (c) op andere wijze. Het gaat</al><al>hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de aard en de ingewikkeldheid van</al><al>de desbetreffende belasting af, welke van deze drie heffingstechnieken het meest doelmatig is.</al><al>Voorts kunnen overwegingen uit een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel</al><al>dat de belastingheffing voor de belastingplichtige met de minste pijn moet plaatsvinden, bepalend</al><al>zijn voor de keuze van de te hanteren heffingstechniek. Het gaat het bestek van deze toelichting</al><al>te buiten nader in te gaan op de werking en de voor– en nadelen van de genoemde drie heffingstechnieken.</al><al>Sommige waterschappen kiezen er uit oogpunt van efficiëncy voor, om de aanslagen</al><al>die worden geïnd door nutsbedrijven te heffen op andere wijze. In dat geval is de nota van het</al><al>nutsbedrijf tevens aanslagbiljet. Waterschap Veluwe heeft ervoor gekozen, om alle aanslagen</al><al>zuiverinsheffing te heffen bij wege van aanslag. Dat geldt ook voor aanslagen die worden geïnd</al><al>door waterbedrijf Vitens. Ook die belastingplichtigen krijgen dus jaarlijks een aanslagbiljet van Tricijn</al><al>toegezonden. Bij het zogeheten “echte meeliften” is in de belastingverordening bepaald dat de</al><al>nota’s van de meeliftpartners fungeren als aanslagbiljet.</al><al>Lid 2 t/m 8</al><al>Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de AWB in werking getreden. Hierbij is bepaald dat voor</al><al>bestuursrechtelijke geldschulden in beginsel een betaaltermijn van zes weken geldt (art 4:87</al><al>AWB). Deze regeling is in de plaats gekomen voor de regeling die voorheen in artikel 9 van de</al><al>Invorderingswet was opgenomen (betaaltermijn van 2 maanden). In beide gevallen mag (en</al><al>mocht) echter bij wettelijk voorschrift van deze regelingen worden afgeweken. Bij het redigeren</al><al>van de heffingsverordeningen voor 2009 is met deze wetswijziging reeds rekening gehouden, in</al><al>die zin dat alle betaaltermijnen in de belastingverordeningen zijn vermeld, zodat afdeling invordering</al><al>van Tricijn per 1 juli 2009 niet te maken kreeg met tussentijdse wijzigingen. Omdat het</al><al>geautomatiseerde systeem waarmee Tricijn de meeste aanslagen heft en int (IBS van Pink</al><al>Roccade) uitsluitend is afgestemd op maandelijkse betaaltermijnen, is besloten om de betaaltermijnen</al><al>vooralsnog onveranderd te laten.</al><al>De bepalingen in deze artikelleden spreken verder voor zich. Dat niet alle termijnen voor woningaanslagen</al><al>gelijk zijn vindt zijn oorzaak in het feit dat de inning in bepaalde deelgebieden wordt</al><al>verzorgd door waterbedrijf Vitens. De betaaltermijnen voor aanslagen die door waterbedrijf Vitens</al><al>worden geïnd sluiten uiteraard aan bij de betaaltermijnen die Vitens hanteert.</al><al>Nadere regels</al><al>Artikel 20</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht</al><al>(Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving (Stb. 1997, 510 en 580) komen</al><al>de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet</al><al>zijn toebedeeld aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur</al><al>van het waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor</al><al>die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het</al><al>waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>Pagina 15 van 15</al><al>– de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de belastingverordening</al><al>geregeld. Artikel 20 is thans in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige</al><al>kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing</al><al>en de invordering van de zuiveringsheffing.</al><al>Inwerkingtreding en citeertitel</al><al>Artikel 21</al><al>Eerste lid</al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum van</al><al>ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden voor de belastbare feiten die zich</al><al>voor die datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd</al><al>op basis van de oude verordening.</al><al>Tweede lid</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van het waterschapsbestuur</al><al>die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.</al><al>Dit geldt derhalve ook voor belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van</al><al>artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur tegen</al><al>betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling</al><al>daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten</al><al>treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag</al><al>na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het tijdstip van inwerkingtreding</al><al>nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de heffing op de voet van de nieuwe verordening</al><al>kan worden begonnen. Dat is slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van</al><al>ingang van de heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het derde</al><al>lid van artikel 21.</al><al>Derde lid</al><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die in de belastingverordening</al><al>moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen</al><al>met het tijdstip van inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting</al><al>op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de</al><al>verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch in werking</al><al>treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee duidelijk wordt op welk</al><al>moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de burgers worden opgelegd, een aanvang</al><al>nemen.</al><al>Vierde lid</al><al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 21 wordt de verordening voorzien van</al><al>een citeertitel.</al><al>– – – – –</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><plaatje><illustratie naam="microsoftword-wvezuiveringsheffing2010bijlagei.pdf (60 Kb)" id="i188143" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage><bijlage><plaatje><illustratie naam="microsoftword-wvezuiveringsheffing2010bijlageiidef.pdf (10 Kb)" id="i188144" formaat="pdf" type="tekst"></illustratie></plaatje></bijlage></regeling></body></cvdr>