<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>263040_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-02-28</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekblad 16 januari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8/geldigheidsdatum_15-10-2013">Artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en bijstand </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk6/64/Artikel60b/geldigheidsdatum_15-10-2013">Artikel 60b van de Wet werk en bijstand </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_15-10-2013">Artikel 147 Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening bestuurlijke boete bij recidive</vet></al><al></al><al>Nr. 13/18-2</al><al>de raad van de gemeente Bellingwedde;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 13 november
                        2012, gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de uitoefening van de bevoegdheid
                        tot verrekening als bedoeld in artikel 60b van de Wet werk en bijstand
                        bij verordening te regelen;</al><al><onderstreept>besluit: </onderstreept></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>"Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive"</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definitiebepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt onder een recidiveboete een bestuurlijke boete
                            verstaan als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en
                            bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene
                            bijstand gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit
                            tot oplegging van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel
                            4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende kan verzoeken om, in afwijking van het bepaalde
                                    in artikel 2, de verrekening te maximeren op 50% van dan
                                    geldende bijstandsnorm, zodat hiermee de huur dan wel
                                    hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag respectievelijk
                                    hypotheekrenteaftrek, en de kosten van gas, electra en water
                                    kunnen worden betaald.</al></li><li nr="2."><al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval
                                    afgewezen indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende
                                    gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn
                                    levensonderhoud te voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden
                                    op korte termijn kan verwerven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 2 verrekent het college het openstaande
                            boetebedrag met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de
                            Algemene wet bestuursrecht voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft
                                    voor de eventuele minderjarige belanghebbende(n); dan wel</al></li><li nr="b."><al>de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar
                                    het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat
                                    mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of
                                    behandeling to financieren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: "Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive".</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Bellingwedde</al><al>in zijn openbare vergadering van 20 december 2012.</al><al>De waarnemend griffier, De voorzitter,</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene Toelichting</label></kop><al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en
                            sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking. Met de wet krijgt het college de
                            plicht om een boete op te leggen indien sprake is van schending van de
                            inlichtingenplicht. De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze
                            situatie op te leggen verdwijnt. De hoogte van de boete is daarbij in
                            beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te veel aan bijstand
                            heeft ontvangen.</al><al>Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht
                            (recidive) dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te
                            veel ontvangen bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college daarbij
                            ook de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na oplegging van de
                            boete de bijstand volledig te verrekenen met de openstaande
                            boetevordering.</al><al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een <cursief>plicht
                            </cursief>tot volledige verrekening van de boetevordering. Bij
                            amendement is deze verplichting echter omgezet in een bevoegdheid, zodat
                            de gemeente de mogelijkheid heeft om daar waar volledige verrekening
                            onwenselijke effecten heeft (denk b.v. aan hogere maatschappelijke
                            kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening aan te passen, dan wel
                            bij de verrekening de beslagvrije voet volledig te respecteren. De Wet
                            werk en bijstand verplicht de gemeenteraad in dit kader bij verordening
                            nadere regels te stellen met betrekking tot het gebruik van deze
                            bevoegdheid.</al><al>Deze verordening voldoet aan deze opdracht tot regelgeving. Hiervoor
                            spreekt dat een en ander niet volledig past binnen een van de overige
                            verordeningen. De Handhavingsverordening (ex. artikel 8a Wet werk en
                            bijstand) ziet eigenlijk niet op aspecten die direct samenhangen met de
                            uitvoering van de Wet werk en bijstand, terwijl opname in de
                            Maatregelverordening (ex. artikel 8, eerste lid, onder b, Wet werk en
                            bijstand) wellicht te weinig verduidelijkt dat het hier niet gaat om het
                            opleggen van een maatregel, maar om het verrekenen van een
                            boetevordering.</al><al>Deze verordening is aangeboden door Stimulansz; die samen met de VNG en
                            Divosa zijn verzocht op dit punt een verordening op te stellen. Deze
                            verordening is bijna ongewijzigd overgenomen. In plaats van doorbetaling
                            van de huur rechtstreeks van de bijstand, wordt hier gekozen om dit aan
                            de betrokkenen zelf over te laten. Overigens is het de verwachting dat
                            deze verordening nauwelijks hoeft te worden toegepast, aangezien de
                            praktijk heeft uitgewezen dat recidive bij fraude niet vaak
                            voorkomt.</al><al>Opgemerkt zij nog dat de verordening enkel de verrekening regelt van
                            bijstandsafhankelijken die te maken krijgen met een door het college
                                <cursief>zelf </cursief>opgelegde recidiveboete. Is de recidiveboete
                            opgelegd op het moment dat belanghebbende elders bijstand ontvangt, dan
                            kan het boete opleggende college het bijstandsverstrekkende college
                            verzoeken om conform de regels van het boete opleggende college tot
                            verrekening over te gaan. Mocht belanghebbende tussentijds het
                            bijstandsverstrekkende college verzoeken de beslagvrije voet alsnog te
                            respecteren, dan is dit college bij de verrekening daaraan
                            gehouden.</al><al></al><al></al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><al><vet>Artikel 1 </vet></al><al>Behoeft geen nadere toelichting</al><al><vet>Artikel 2 </vet></al><al>Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
                            verrekening niet mogelijk is voorzover beslag op de vordering nietig zou
                            zijn. Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening
                            moet worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling
                            vindt in artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven geeft de Wet werk en bijstand
                            het college de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie maanden na
                            oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het college mag dus
                            de openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een wellicht
                            nog openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste
                            drie maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen.</al><al>In eerste instantie was deze verrekening — gelijk nog steeds in de IOAW
                            en IOAZ — als een verplichting opgenomen in de wet. De Kamer achtte
                            echter - juist bij bijstandsverlening — het risico reeel dat zich
                            situaties zouden kunnen voordoen waarbij de uiteindelijke totale
                            maatschappelijke kosten beduidend hoger lagen dan het met deze
                            invorderingsmethodiek bereikte resultaat. Reden voor de Kamer om de
                            gemeente in dit kader meer handelingsvrijheid te geven, om juist in deze
                            individuele situaties af te kunnen wijken van het principe. Vandaar dat
                            bij de verrekening met de bijstand niet gesproken wordt over een plicht,
                            maar over een bij verordening nader in te kaderen bevoegdheid.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om in lijn met deze bedoeling uit
                            te gaan van het principe van volledige verrekening, om vervolgens in
                            artikel 3 en 4 de mogelijkheden te benoemen om van dit principe af te
                            wijken.</al><al>Het spreekt voor zich dat het hier gaat om een maximum bedrag. Mocht het
                            recht van de belanghebbende op bijstand beperkter zijn dan bedraagt de
                            inhouding natuurlijk dit beperktere recht. Een bepaling zoals hier
                            opgenomen in artikel 3 is in dit geval waarschijnlijk niet nodig.</al><al><vet>Artikel 3 </vet></al><al>Zoals in de toelichting op artikel 2 aangegeven zijn in artikel 3 en 4
                            de mogelijkheden om van het in artikel 2 benoemde principe af te wijken
                            nader uitgewerkt. Artikel 3 voorziet daarbij in de mogelijkheid voor
                            belanghebbende om het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en
                            bij een eigendomswoning de hypotheekrente onder aftrek van de in dit
                            kader ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere
                            bijstand), en de kosten van gas, elektra en water te kunnen betalen.
                            Gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat
                            belanghebbende wanneer hij drie maanden van bijstand verstoken blijft
                            het risico loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in de
                            woonlasten uit huis wordt geplaatst met allerlei eventuele extra kosten
                            voor de maatschappij. Om dit te voorkomen voorziet deze bepaling in de
                            mogelijkheid dat het college het te verrekenen bedrag kan aanpassen,
                            zodat alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden
                            betaald.</al><al>In de beschikking kan de verplichting worden opgenomen dat de bijstand
                            ook daadwerkelijk aan deze kosten moeten worden betaald.</al><al>In het tweede lid van artikel 3 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot
                            betaling zonder meer wordt</al><al>geweigerd indien belanghebbende in redelijkheid over voldoende gelden
                            kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te
                            voorzien dan wel in redelijkheid deze gelden op korte termijn kan
                            verwerven.</al><al>Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Wet werk
                            en bijstand gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten
                            uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft
                            ontvangen in het kader van een immateridle schadevergoeding of bedragen
                            waarover belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de
                            openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn
                            echter wel gelden die belanghebbende in deze situatie kan aanspreken
                            voor zijn levensonderhoud, voor zover hij er in ieder geval in
                            redelijkheid over kan (gaan) beschikken.</al><al>lemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken,
                            indien het redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd
                            vermogensbestanddelen te gelde weet te maken ofwel op korte termijn werk
                            weet te aanvaarden.</al><al>Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op
                            die wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het
                            college in deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt
                            die naar hun card en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z'n
                            meubels of bed). En natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door
                            werk te aanvaarden, maar indien belanghebbende's afstand tot de
                            arbeidsmarkt heel groot is, is het niet reéel om te verwachten dat hem
                            dit op zeer korte termijn zal lukken. In dit soort situaties kan dus
                            niet met een beroep op het tweede lid een verzoek tot betaling zonder
                            meer worden afgewezen.</al><al>Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in
                            actie moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt
                            tevens in dat zo'n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening
                            kan worden gedaan, mocht bijvoorbeeld plots blijken dat uithuiszetting
                            dreigt of dat verwachte inkomsten uitblijven.</al><al><vet>Artikel 4 </vet></al><al>In artikel 4 zijn een tweetal situaties benoemd waarin het college
                            ondanks de in de wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij
                            verrekening in acht neemt. De genoemde omstandigheden betreffen
                            situaties die ook tijdens de parlementaire behandeling expliciet zijn
                            benoemd.</al><al><vet>Artikel 5 en 6 </vet></al><al>Behoeven geen nadere bespreking</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>