<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta>
    <owmskern>
      <dcterms:identifier>232893_1</dcterms:identifier>
      <dcterms:title>Inspraakverordening </dcterms:title>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type>
      <dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator>
      <dcterms:modified>2012-12-05</dcterms:modified>
    </owmskern>
    <owmsmantel>
      <dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekblad 17 februari 2010</dcterms:isFormatOf>
      <dcterms:alternative>Inspraakverordening</dcterms:alternative>
      <overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy>
      <dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject>
      <dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights>
      <dcterms:issued>2010-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0005416/TITELIII/HOOFDSTUKIX/ARTIKEL150/GELDIGHEIDSDATUM_27-03-2013&amp;artikel=150">Gemeentewet, artikel 150</dcterms:source>
    </owmsmantel>
    <cvdripm>
      <overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum>
      <overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft>
      <overheidrg:kenmerk>Inspraakverordening</overheidrg:kenmerk>
      <overheidrg:redactioneleToevoeging>
        <al>Geen</al>
      </overheidrg:redactioneleToevoeging>
    </cvdripm>
  </meta>
  <body>
    <intitule>Inspraakverordening</intitule>
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>nr. 1/10-2</al>
          <al>de r a a d van de gemeente Bellingwedde;</al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 oktober 2009, nr.
                        1/10-1; </al>
          <al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al>
          <al>b e s l u i t :</al>
          <al>vast te stellen de “Inspraakverordening”.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
          <al>Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al>
          <al>beleidsvoornemen: het voornemen van een bestuursorgaan tot het vaststellen
                        of wijzigen van beleid;</al>
          <al>Bro:Besluit ruimtelijke ordening;</al>
          <al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al>
          <al>inspraakprocedure: de wijze waarop aan de inspraak gestalte wordt
                        gegeven;</al>
          <al>Wro: Wet ruimtelijke ordening.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Onderwerp van inspraak</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1.">
              <al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                        inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.</al>
            </li>
            <li nr="2.">
              <al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al>
            </li>
            <li nr="3.">
              <al>Geen inspraak wordt verleend:</al>
              <lijst>
                <li nr="a.">
                  <al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                vastgesteld beleidsvoornemen;</al>
                </li>
                <li nr="b.">
                  <al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                verboden;</al>
                </li>
                <li nr="c.">
                  <al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het
                                bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;</al>
                </li>
                <li nr="d.">
                  <al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening
                                en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;</al>
                </li>
                <li nr="e.">
                  <al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is
                                dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al>
                </li>
                <li nr="f.">
                  <al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de
                                verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de
                                samenleving;</al>
                </li>
                <li nr="g.">
                  <al>inzake de voorbereiding van bestemmingsplannen als bedoeld in
                                artikel 3.8 Wro, voorzover deze plannen naar inhoud, omvang en
                                locatie van beperkte betekenis zijn;</al>
                </li>
                <li nr="h.">
                  <al>inzake de voorbereiding van besluiten op grond van artikel 3.6, lid
                                1, onder a en b van de Wro (wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen
                                in bestemmingsplannen);</al>
                </li>
                <li nr="i.">
                  <al>inzake de voorbereiding van structuurvisies als bedoeld in artikel
                                2.1 Wro;</al>
                </li>
                <li nr="j.">
                  <al>inzake de voorbereiding van projectbesluiten als bedoeld in artikel
                                3.10 Wro;</al>
                </li>
                <li nr="k.">
                  <al>inzake de voorbereiding van bestemmingsplannen als bedoeld in
                                artikel 3.13, lid 1 Wro;</al>
                </li>
                <li nr="l.">
                  <al>inzake de voorbereiding van beheersverordeningen als bedoeld in
                                artikel 3.38 Wro.</al>
                </li>
              </lijst>
            </li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Inspraakgerechtigden</titel>
          </kop>
          <al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Inspraakprocedure</titel>
          </kop>
          <al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.</al>
          <al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                        inspraakprocedure vaststellen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Eindverslag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1.">
              <al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                        op.</al>
            </li>
            <li nr="2.">
              <al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a.">
                  <al>- een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al>
                </li>
                <li nr="b.">
                  <al>- een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling
                                of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al>
                </li>
                <li nr="c.">
                  <al>- een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt
                                aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het
                                beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al>
                </li>
              </lijst>
            </li>
            <li nr="3.">
              <al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                        openbaar.</al>
            </li>
            <li nr="4.">
              <al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al>
            </li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Slotbepaling</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1.">
              <al>De Inspraakverordening vastgesteld bij raadsbesluit van 8 april 2004
                        wordt ingetrokken.</al>
            </li>
            <li nr="2.">
              <al>Deze verordening treedt één dag na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al>
            </li>
            <li nr="3.">
              <al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Inspraakverordening’.</al>
            </li>
          </lijst>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Bellingwedde </al>
          <al>in zijn openbare vergadering van 28 januari 2010;</al>
          <al>De griffier, De voorzitter,</al>
        </slotformulering>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Algemene toelichting </label>
          </kop>
          <al>Op grond van artikel 150 van de Gemeentewet is de gemeenteraad verplicht een
                        verordening vast te stellen waarin regels worden gesteld met betrekking tot
                        de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van
                        gemeentelijk beleid worden betrokken. De huidige Inspraakverordening dateert
                        van 10 februari 2004 en is niet meer actueel.</al>
          <al>Aanleiding om de Inspraakverordening te wijzigen vormt de inwerkingtreding
                        van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit
                        ruimtelijke ordening (Bro) per 1 juli 2008. </al>
          <al>Omdat in de Wro deels nieuwe ruimtelijk planologische instrumenten zijn
                        opgenomen waarover overleg en/of inspraak moet/kan worden gevoerd is het
                        noodzakelijk de Inspraakverordening te wijzigen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikelsgewijze toelichting</label>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</label>
          </kop>
          <al>Onder b. Beleidsvoornemen: </al>
          <al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                        bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                        zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                        maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze worden
                        gebaseerd.</al>
          <al>Onder d. Inspraak: </al>
          <al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                        opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                        Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding van het
                        gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                        belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                        kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een
                        belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor beleidsvoorbereiding
                        noodzakelijke belangenafweging.</al>
          <al>Onder e. Inspraakprocedure: </al>
          <al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                        ingevolge artikel 150 Gemeentewet bij de raad. In artikel 4, eerste lid van
                        de Inspraakverordening is bepaald dat de uniforme openbare
                        voorbereidingsbesluit, zoals weergegeven in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Het tweede lid geeft het
                        bestuursorgaan de ruimte om een andere procedure te volgen. Het
                        bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                        regeling en organisatie van de inspraak.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</label>
          </kop>
          <al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn
                        eigen bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding
                        van gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in
                        artikel 1:1, eerste lid Awb. Het omvat in elk geval de raad, het college en
                        de burgemeester. </al>
          <al>Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een besluit in de zin van
                        de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al>
          <al>Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger kan zijn als inspraak geschiedt
                        door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door
                        de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde
                        beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak wordt geregeld. </al>
          <al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                        wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Een voorbeeld hiervan is de
                        voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                        bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b van de Woningwet (zie
                        artikel 12, vierde lid Woningwet).</al>
          <al>In het derde lid zijn in vergelijking met de oude Inspraakverordening enkele
                        nieuwe aspecten opgenomen. Deze nieuwe aspecten worden per geval
                        toegelicht.</al>
          <al>Onder g. Bestemmingsplannen, voorzover deze plannen naar inhoud, omvang en
                        locatie van beperkte betekenis zijn:</al>
          <al>Eén van de doelen van de Wro is dat de wettelijke proceduretijd voor een
                        bestemmingsplan aanzienlijk wordt verkort. Daarbij is dan de vraag
                        gerechtvaardigd of het altijd zinvol is om een niet wettelijk verplichte
                        inspraakronde te houden, waardoor de proceduretijd wordt verlengd. De
                        wenselijkheid van een inspraakprocedure voor bestemmingsplannen wordt vooral
                        bepaald door de inhoud, omvang en locatie van het bestemmingsplan. Wanneer
                        het niet noodzakelijk is om een (extra) inspraakronde te houden moet dit om
                        de tijd ook vermeden worden. Anderzijds wanneer het wel noodzakelijk wordt
                        geacht om inspraak te verlenen kan hier juist tijd mee worden gewonnen omdat
                        daarmee wellicht zienswijzen in de formele procedure worden voorkomen.
                        Daarom is er voor ingrijpende bestemmingsplannen wel een inspraakronde
                        nodig, maar kan dit bij bestemmingsplannen die naar inhoud, omvang en
                        locatie beperkt zijn vermeden worden. De vraag is dus, wanneer is er sprake
                        van een bestemmingsplan waarvoor geen inspraak nodig is? Daarbij worden
                        onder meer de volgende zaken betrokken:</al>
          <al>Wat is de omvang van het plangebied?</al>
          <al>Wat wordt er mogelijk gemaakt?</al>
          <al>Wat is de impact op de omgeving?</al>
          <al>Zijn er veel of weinig omwonenden?</al>
          <al>Is hetgeen mogelijk wordt gemaakt iets nieuws, of ook al gebruikelijk in de
                        omgeving?</al>
          <al>Dit is een afweging die per bestemmingsplan moet worden gemaakt. Wanneer
                        getwijfeld wordt of een bestemmingsplan beperkt is, kan dit aan het college
                        voorgelegd worden. Op grond van het eerste lid behoud het college altijd de
                        mogelijkheid om zelf te bepalen of een bestemmingsplan wel of geen inspraak
                        behoeft. Dit doet weliswaar afbreuk aan de gewenste eenduidigheid, maar
                        biedt wel de benodigde flexibiliteit die nodig is om, daar waar een (extra)
                        inspraakronde overbodig is en alleen maar leidt tot vertraging, in te kunnen
                        spelen op de plaatselijke omstandigheden van het geval. Grote plannen, zoals
                        een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied vallen dus niet onder
                        deze uitsluiting. In beginsel zal bij dit soort grote plannen altijd
                        inspraak plaatsvinden. </al>
          <al>Onder h. Wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen:</al>
          <al>Op de voorbereiding van wijzigings- en uitwerkingsplannen is ook afdeling
                        3.4 Awb van toepassing. De regelingen waaraan deze plannen moeten voldoen
                        zijn opgenomen in het globale bestemmingsplan, ook wel moederplan genoemd.
                        Dit moederplan is vastgesteld via de gangbare procedure, waardoor de
                        regelingen voor de wijzigings- en uitwerkingplannen reeds ter beoordeling
                        van de burgers ter inzage heeft gelegen. Omdat voorafgaand aan de
                        wijzigings- en uitwerkingsplannen al een bestemmingsplanprocedure is gevoerd
                        is het niet nodig inspraak te verlenen.</al>
          <al>Onder i. Structuurvisies:</al>
          <al>Bij het vaststellen van een structuurvisie is er sprake van een
                        verantwoordingsplicht. Dat wil zeggen dat in de structuurvisie moet worden
                        aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties bij de
                        totstandkoming zijn betrokken (art. 2.1 en 2.2 Bro). Als in de
                        Inspraakverordening niets is geregeld, dan is afdeling 3.4 van de Awb van
                        toepassing (zes weken terinzagelegging met de mogelijkheid tot het indienen
                        van zienswijzen door belanghebbenden).</al>
          <al>Er is geen verplichting in de Wro en/of Bro opgenomen voor overleg met
                        overlegpartners. Er wordt zonder meer vanuit gegaan dat overheidsniveau’s
                        elkaar informeren over en betrekken bij dit soort beleidsvoornemens. Dit is
                        ook raadzaam, om te voorkomen dat de provincie of het rijk in het verdere
                        proces van de planvorming met hun instrumenten (bijvoorbeeld een aanwijzing)
                        de plannen dwarsbomen. Dit kunnen zij overigens alleen doen indien er sprake
                        is van een provinciaal dan wel rijksbelang.</al>
          <al>Wanneer er kaderstellende uitspraken over milieu(beoordelingsplichtige)
                        activiteiten of over ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijke significante
                        effecten in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998 in de structuurvisie
                        worden gedaan, dan gelden daarvoor de wettelijke (inspraak)procedures zoals
                        opgenomen in de Wet milieubeheer.</al>
          <al>Gelet op de reeds voorgeschreven procedure waarbij burgers, belanghebbenden,
                        maatschappelijke organisaties en overlegpartners worden betrokken bij de
                        totstandkoming van de structuurvisie is het niet noodzakelijk om daar
                        voorafgaand nog een inspraakronde te bieden.</al>
          <al>Onder j. Projectbesluiten:</al>
          <al>De raad heeft aangegeven dat slechts bij hoge uitzondering de procedure voor
                        een projectbesluit wordt gevoerd in plaats van een partiële herziening.
                        Verder zal het bij projectbesluiten in zijn algemeenheid niet gaan om
                        grootschalige ontwikkelingen. Bovendien zal een projectbesluit slechts
                        toegepast worden op een moment dat er sprake is van een spoedeisend
                        (algemeen) belang. Dit noodzaakt er dan ook toe dat er geen inspraak wordt
                        verleend, immers daarmee zou de snelheid van de procedure worden
                        vertraagd.</al>
          <al>Onder k. Bestemmingsplannen die volgen op een projectbesluit:</al>
          <al>Als vervolg op een projectbesluit moet er een bestemmingsplan of
                        beheersverordening worden vastgesteld waarin het projectbesluit is verwerkt.
                        Artikel 3.14 Wro bepaalt dat er geen zienswijzen kunnen worden ingediend
                        tegen dat deel van het bestemmingsplan dat zijn grondslag vindt in het
                        projectbesluit. Bovendien heeft het projectbesluit reeds een procedure
                        doorlopen waarbij burgers hun bezwaren kenbaar konden maken. Het (opnieuw)
                        geven van een inspraakmogelijkheid is daarom overbodig en zelfs grotendeels
                        een wassen neus.</al>
          <al>Onder l. Beheersverordeningen:</al>
          <al>Een beheersverordening kan alleen opgesteld worden voor die delen van het
                        grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt
                        voorzien. Het beoogt een eenvoudig instrument te zijn voor laagdynamische
                        gebieden. Juist omdat er geen nieuwe ontwikkelingen worden voorzien is een
                        inspraakronde niet noodzakelijk.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</label>
          </kop>
          <al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de
                        tekst van artikel 150 Gemeentewet. </al>
          <al>Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd als ‘degene
                        wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Deze definitie
                        heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 4 Inspraakprocedure</label>
          </kop>
          <al>Conform artikel 150, tweede lid Gemeentewet, met als bedoeling uniformering
                        en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 Awb van toepassing
                        verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is de
                        inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                        beleidsvoornemen kunnen de inspraakgerechtigden gedurende zes weken
                        schriftelijk of mondeling hun inspraakreactie kenbaar maken. In de meeste
                        gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. </al>
          <al>Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden
                        aangepast. Bijvoorbeeld de zesweken termijn kan in sommige gevallen door het
                        bestuursorgaan te lang worden bevonden. Deze termijn zou in de verordening
                        kunnen worden aangepast of bij besluit van het bestuursorgaan op grond van
                        het tweede lid.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 5 Eindverslag </label>
          </kop>
          <al>In het eerste lid is bij de verslaglegging gekozen om af te wijken van de
                        procedure van afdeling 3.4 Awb. In artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts
                        bepaald dat een eindverslag wordt gemaakt van hetgeen mondeling naar voren
                        is gebracht. </al>
          <al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                        inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                        afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter
                        inzage gelegd? etcetera.</al>
          <al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                        bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                        schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de
                        MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met
                        een korte, zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en
                        vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben
                        gebracht.</al>
          <al>Onderdeel c schrijft voor dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de
                        inspraakreacties wordt gedaan.</al>
          <al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                        gebruikelijke wijze openbaar maakt. Het ligt voor de hand om diegenen die
                        hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast
                        kan het eindverslag eventueel gepubliceerd worden in de (streek)krant of op
                        de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan
                        gekozen worden voor een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om
                        tijdens een eventuele inspraakavond al duidelijkheid te verschaffen omtrent
                        de communicatie.</al>
          <al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                        vermelden in zijn burgerjaarverslag. Dit is ook wettelijk vastgelegd in
                        artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b van de Gemeentewet. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel 6 Slotbepaling</label>
          </kop>
          <al>In het eerste lid wordt bepaald dat de bestaande Inspraakverordening wordt
                        ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt is de datum waarop
                        deze verordening in werking treedt (zie het tweede lid).</al>
          <al>In het tweede lid is aangegeven op welk moment de Inspraakverordening in
                        werking treedt. De verordening zal op ….. gepubliceerd worden en treedt in
                        werking op ….</al>
          <al>In het derde lid is de citeertitel van de verordening aangegeven. Er wordt
                        geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de
                        Inspraakverordening slechts voor een jaar geldt.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>
