<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>232429_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten
                2012 </dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bellingwedde</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-03</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Streekblad 18 januari
                2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening lijkbezorgingsrechten 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:HTTP://WETTEN.OVERHEID.NL/BWBR0005416/TITELIV/HOOFDSTUKXV/3/ARTIKEL229/GELDIGHEIDSDATUM_18-08-2014">artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de
                Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de heffingen de invordering van lijkbezorgingsrechten
                            2012</vet></al><al></al><al>Nr. 8/9-2 </al><al>De raad van de gemeente Bellingwedde;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        19 juli 2011, nr. 8/9-1;</al><al>gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de
                        Gemeentewet ;</al><al>gezien het advies van 19 juli 2011;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al>Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten
                        2012</al><al>(hierna: de Verordening lijkbezorgingsrechten 2012 )</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>begraafplaats: de Algemene begraafplaats te Veelerveen;</al><al>graf: een zandgraf of een keldergraf;</al><al>grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of
                            meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders
                            kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand;</al><al>asbus: een bus ter berging van as van een overledene;</al><al>urn: een voorwerp ter berging van een of meerdere asbussen;</al><al>particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon
                            het uitsluitend recht is verleend tot: </al><al>het doen begraven en begraven houden van lijken;</al><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder
                            urnen;</al><al>het doen verstrooien van as;</al><al>algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid
                            wordt geboden tot het doen begraven van lijken;</al><al>particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of
                            rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: </al><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder
                            urnen;</al><al>het doen verstrooien van as;</al><al>algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarin
                            gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of
                            zonder urnen;</al><al>particuliere gedenkplaats: een plaats waarvoor aan een natuurlijk
                            persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om
                            overledenen te gedenken;</al><al>verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid;</al><al>particuliere verstrooiingsplaats: een plaats waarvoor aan een natuurlijk
                            persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om daarop as
                            te doen verstrooien;</al><al>grafbedekking: gedenkteken of grafbeplanting op een graf, gedenkplaats
                            of verstrooiingsplaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik
                            van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten
                            in verband met de begraafplaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten
                            behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de
                            bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><al>De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen
                            in de bij deze verordening behorende tarieven.</al><al>Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de
                            tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het
                            belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De onderhoudsrechten, bedoeld in 3.1, sub a en 3.1, sub b van de
                            tarievenbijlage, worden geheven op grond van aanslag.</al><al>Andere rechten dan die bedoeld in 3.1, sub a en 3.2, sub b van de
                            tarievenbijlage worden geheven door middel van een gedagtekende
                            schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het
                            gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de
                            schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten</titel></kop><al>De onderhoudsrechten, bedoeld in 3.1, sub a en 3.1, sub b van de
                            tarievenbijlage zijn verschuldigd bij de aanvang van het
                            belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                            belastingplicht.</al><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt
                            zijn de rechten bedoeld in 3.1, sub a en 3.1, sub b van de
                            tarievenbijlage verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor
                            dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de
                            belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten</titel></kop><al>Andere rechten dan die bedoeld in 3.1, sub a en 3.1, sub b van de
                            tarievenbijlage zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening
                            of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of
                            inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de rechten worden betaald binnen 14 dagen na de dagtekening van
                            het aanslagbiljet of de schriftelijke kennisgeving.</al><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen
                            kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De 'Verordening op de heffingen en invorderingen van begrafenisrechten
                            voor het gebruik van de algemene begraafplaats in de gemeente
                            Bellingwedde van 12 maart 1968, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit
                            van 13 december 1989, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14,
                            tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande
                            dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                            datum hebben voorgedaan.</al><al>Indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in
                            artikel 14, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, blijft
                            de in het eerste lid genoemde verordening gelden voor de in de
                            tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover de
                            heffing van de rechten hiervoor in die periode plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening lijkbezorgingsrechten
                            2012. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 september 2011. </al><al>De griffier, De voorzitter,</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> Toelichting op de Verordening lijkbezorgingsrechten 2012</label></kop><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De Verordening lijkbezorgingsrechten 2012is gebaseerd op de tekst
                                van de Gemeentewet en de Wet op de lijkbezorging. Zij is ook
                                afgestemd op de modelbeheersverordening begraafplaatsen.</al><al>Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat
                                de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de
                                duidelijkheid, is overgenomen.</al><al></al><tussenkop>B Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De lijkbezorgingsrechten worden geheven op basis van artikel 229,
                                eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet.</al><al>De verschillende rechten dragen zowel kenmerken van gebruik- als
                                genotsretributies in zich en op sommige punten hebben de rechten
                                kenmerken van leges. Gebruiksretributies worden geheven voor het
                                gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst
                                bestemde gemeentebezittingen, -inrichtingen of -werken. Enkele
                                voorbeelden zijn: het gebruik van de aula, de rouwkamer etc.
                                Genotsretributies zijn rechten ter zake van het genot van door of
                                vanwege de gemeente verleende diensten. Op grond van de bij de
                                verordening lijkbezorgingsrechten behorende tarievenbijlage kan
                                bijvoorbeeld voor de volgende diensten worden geheven:
                                lijkschouwing, begraven, et cetera.</al><al>Sommige rechten, zoals het recht voor het inschrijven of overboeken
                                van graven, hebben het karakter van leges. Ondanks dat karakter
                                hebben wij gemeend uit een oogpunt van overzichtelijkheid, die
                                rechten te moeten opnemen in de Verordening lijkbezorgingsrechten. </al><al>Daardoor worden alle heffingen voor het gebruik van de begraafplaats
                                en voor de daarmee samenhangende diensten in één verordening
                                geregeld.</al><al><cursief>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </cursief></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de
                                Verordening voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving
                                opgenomen in artikel 1. De begripsomschrijvingen zijn identiek aan
                                de omschrijving van gelijkluidende begrippen in de
                                beheersverordening begraafplaatsen van 8 april 2004. Dat is van
                                belang voor een eenduidige uitleg van beide verordeningen. </al><al><cursief>Artikel 2 Belastbaar feit</cursief></al><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor rechten
                                worden geheven. Er is voor gekozen om in artikel 2 een zeer algemene
                                omschrijving van het belastbaar feit op te nemen. Naast deze
                                algemene omschrijving is voor iedere dienst afzonderlijk een verdere
                                omschrijving van het belastbare feit opgenomen in de
                                tarievenbijlage.</al><al><cursief>Artikel 3 Belastingplicht</cursief></al><al>Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is
                                gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht om te
                                voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige
                                aangewezen zou kunnen worden.</al><al>Aannemelijk is dat de aanvrager van het gebruik van de begraafplaats
                                en van de diensten, verleend bij het begraven, belastingplichtig is.
                                De kring van belastingplichtigen omvat onder meer de erfgenamen en
                                andere nabestaanden, uitvaartondernemers en instellingen van
                                weldadigheid welke zich, belasten met lijkbezorging. </al><al>Ten tweede is er de belastingplicht voor rechten voor het gebruik
                                van de begraafplaats en de diensten verleend na de voltooiing van de
                                begrafenis. Dit zijn met name de jaarlijks terugkerende
                                onderhoudsrechten indien deze rechten niet zijn afgekocht.
                                Belastingplichtig zijn de erfgenamen en andere nabestaanden, omdat
                                ten behoeve van hen de dienst wordt verleend. Echter, omdat het een
                                jaarlijks terugkerend recht is, is het minder eenvoudig steeds een
                                belastingplichtige daarvoor in de heffing te betrekken, omdat zij op
                                den duur in verband met verhuizing, overlijden e.d. moeilijk zijn te
                                traceren. Het verdient dan ook aanbeveling te bewerkstelligen dat
                                men het onderhoudsrecht afkoopt.</al><al>In het arrest van 9 februari 1955, nr. 11 932, BNB 1955/125
                                preciseert de Hoge Raad de aanwijzing van de belastingplichtige voor
                                het onderhoud van eigen (met ingang van 2010: particuliere) graven
                                door te spreken over de rechthebbende. Dat is degene aan wie het
                                uitsluitend recht is verleend om lijken in een eigen (particulier)
                                graf te doen begraven en begraven te houden c.q. zijn
                                rechtsopvolger( s). In zijn arrest van 25 oktober 2002, nr. C00/282,
                                Belastingblad 2003, blz. 765, besliste de Hoge Raad dat graftekens
                                e.d. door natrekking eigendom van de eigenaar van de grond zijn. De
                                wetgever heeft daarop ingegrepen door invoering van artikel 32a van
                                de Wet op de lijkbezorging per 1 januari 2010. De grafbedekking
                                blijft eigendom van de rechthebbende op het graf. Voor zover de
                                grafbedekking door het arrest was overgegaan op de eigenaar van de
                                grond, herstelt artikel 84b van de wet de oude situatie (ingevoerd
                                bij Reparatiewet BZK 2010, Stb. 2011, 4; artikel XIV, onderdeel F).
                                Overigens had het arrest van de Hoge Raad geen gevolgen voor de
                                belastingplicht voor het onderhoudsrecht, omdat de dienst wordt
                                geleverd aan de genothebbende tot het graf, de rechthebbende in de
                                zin van artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging.</al><al>Ten derde zijn er de lijkschouwingsrechten. De wetgever bepaalt dat
                                de belanghebbende lijkschouwing kan vragen. Deze belanghebbende
                                dient als belastingplichtige te worden aangemerkt, omdat hij degene
                                is die de lijkschouwing heeft aangevraagd. Onder de huidige Wet op
                                de lijkbezorging komt het schouwen van lijken door de gemeentelijke
                                lijkschouwer op verzoek van belanghebbenden overigens slechts zeer
                                sporadisch voor.</al><al>Bij de andere rechten die op basis van artikel 229, eerste lid,
                                onderdelen a en b, van de Gemeentewet kunnen worden geheven, dient
                                eveneens de aanvrager als belastingplichtige te worden aangemerkt. </al><al><cursief>Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief
                                </cursief></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Voor een toelichting verwijzen wij naar de Verordeningen
                                gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Maatstaf van de
                                heffing en Belastingtarief.</al><al><onderstreept>Lijkbezorging op kosten van de gemeente</onderstreept></al><al>In artikel 21 van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat indien
                                niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging, de
                                burgemeester daarvoor zorgdraagt. De kosten daarvan komen als gevolg
                                van artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging ten laste van de
                                gemeente. De gemeente heeft verschillende mogelijkheden om deze
                                kosten te dekken. Zij kan de opbrengst van de goederen die bij een
                                lijk worden aangetroffen hiervoor aanwenden. Zij heeft ook de
                                mogelijkheid om de kosten te verhalen op de nalatenschap en, bij
                                ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten die op grond
                                van de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot
                                onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest. </al><al>De Wet werk en bijstand is voor zover mogelijk met betrekking tot
                                het kostenverhaal van overeenkomstige toepassing.</al><al><onderstreept>Tariefdifferentiatie</onderstreept></al><al>Sinds 1 januari 1995 hebben gemeenten meer vrijheid bij de keuze van
                                de maatstaf van heffing en is de jurisprudentie dat de heffing zich
                                moet richten naar het gebruik of genot in beginsel niet meer van
                                toepassing (inwerkingtreding van de Wet materiële
                                belastingbepalingen). </al><al>De jurisprudentie die betrekking heeft op de oude wetgeving is
                                geheel in lijn met de overige jurisprudentie op dit terrein. Zo
                                heeft de Hoge Raad beslist dat tariefdifferentiatie in het recht
                                voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts is
                                toegestaan als er sprake is van verschil in genot bij dat onderhoud.
                                Een tariefdifferentiatie voor het algemene onderhoud van de
                                begraafplaats tussen algemene graven en eigen (nu: particuliere)
                                graven kan volgens de Hoge Raad alleen als de infrastructuur rond de
                                eigen (particuliere) graven uitgebreider is dan rond de algemene
                                graven (Hoge Raad 7 mei 1997, nr. 31 920, Belastingblad 1997, blz.
                                451).</al><al>De Hoge Raad zet deze lijn voort in zijn uitspraak van 28 februari
                                2003, nr. 37 716, Belastingblad 2003, blz. 462 (Zaanstad), hoewel
                                die betrekking heeft op de wetgeving na 1 januari 1995. In dit
                                arrest oordeelt de Hoge Raad dat een verschil in tarief voor
                                algemeen onderhoud van de begraafplaats tussen eigen (particuliere)
                                graven en algemene graven alleen geoorloofd is als er een
                                rechtvaardigingsgrond is. Na verwijzing oordeelt Hof Den Haag dat
                                aanleiding voor een tariefdifferentiatie bijvoorbeeld kan zijn dat
                                de infrastructuur van de begraafplaats bij eigen (particuliere)
                                graven uitgebreider is dan bij algemene graven. Op de Algemene
                                begraafplaats van Zaandam is dit echter niet het geval. Het Hof
                                oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De tarieven voor
                                eigen (particuliere) graven zijn onverbindend voor zover de in de
                                tarieven begrepen component voor het algemene onderhoud de in de
                                tarieven voor de algemene graven begrepen component voor het
                                algemene onderhoud overtreffen. (Hof ‘s-Gravenhage 10 december 2003,
                                nr. 03/00687, LJN: AO1414). Daarmee wijkt de Hoge Raad af van
                                uitspraken over andere heffingen (zie bijv. Hoge Raad 25 oktober
                                2002, nr. 36 638, LJN: AD8499, over rioolrechten). Bedacht moet
                                echter worden dat ook onder de nieuwe wetgeving een
                                tariefdifferentiatie gemotiveerd moet worden (verbod van
                                willekeur).</al><al>Met betrekking tot de verordening lijkbezorgingsrechten van de
                                gemeente Grootegast heeft het Hof Leeuwarden beslist dat voor het
                                afgeven van een vergunning voor het plaatsen van een grafsteen geen
                                gedifferentieerd tarief mag worden geheven, afhankelijk van de
                                aanschafprijs van die steen (Hof Leeuwarden 4 september 1992, nr.
                                968/90, Belastingblad 1993, blz. 114).</al><al><onderstreept>Kostendekkendheid</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 229b Gemeentewet mag de verordening
                                lijkbezorgingsrechten niet meer dan kostendekkend zijn. Een
                                opbrengstoverschrijding leidt echter niet zonder meer tot
                                onverbindendheid van de verordening. Zie daarvoor Hoge Raad 3
                                november 1999, nr. 34616, LJN: AA2917, VNG-45, Belastingblad 2000,
                                blz. 15) en Hoge Raad 10 april 2009, nr. 43747, LJN: BC3691,
                                VNG-2977. </al><al><cursief>Artikel 5 Belastingjaar </cursief></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Voor zover in de verordening tarieven zijn opgenomen die per jaar
                                worden geheven is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar.
                                Het betreft hier de rechten voor onderhoud van een particulier graf,
                                van een particulier urnengraf, of van een particuliere gedenk- of
                                verstrooiingsplaats en van grafbedekking.</al><al><cursief>Artikel 6 Wijze van heffing </cursief></al><al>In artikel 233 Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke belastingen
                                kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening
                                op aangifte en op andere wijze.</al><al>In deze verordening is uitgegaan van verschillende heffingswijzen
                                voor de periodiek te verlenen diensten en voor de incidenteel te
                                verlenen diensten.</al><al>Bij de periodiek te verlenen diensten wordt geheven bij wege van
                                aanslag (eerste lid). Met betrekking tot de incidenteel te verlenen
                                diensten is gekozen voor de heffing op andere wijze (tweede lid).
                                Die diensten lenen zich voor betaling dadelijk na de
                                dienstverlening. De heffing vindt dan plaats door middel van
                                uitreiking of toezending van een gedagtekende kennisgeving waarop de
                                verschuldigde belasting wordt vermeld.</al><al><cursief>Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                    tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten </cursief></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de rechten die worden
                                geheven voor periodiek te verlenen diensten.</al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Blijkens de redactie van het eerste lid zijn de rechten verschuldigd
                                bij het begin van het belastingjaar of bij het begin van de
                                belastingplicht, zo dit later is.</al><al>Daarmee ontstaat bij tijdvakheffingen de materiële belastingschuld
                                niet pas aan het einde van het belastingjaar, maar al bij het begin
                                ervan. De belastingschuld kan dan in de loop van het belastingjaar
                                worden geformaliseerd. Aangezien de materiële belastingschuld in
                                beginsel ontstaat bij het begin van het belastingjaar, zijn
                                tariefverhogingen in de loop van het belastingjaar niet mogelijk. </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In de lid twee zijn regels gegeven die betrekking hebben op
                                wijzigingen gedurende het kalenderjaar in de belastingplicht. In de
                                verordening is gekozen voor een tijdsevenredige herleiding per
                                maand, waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend.</al><al><cursief>Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld voor de overige
                                    rechten</cursief></al><al>De overige rechten van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de
                                aanvang van de dienstverlening dan wel bij de aanvang van het
                                gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. Dit betekent dat
                                op dat moment tot heffing kan worden overgegaan.</al><al><cursief>Artikel 9 Termijnen van betaling </cursief></al><al>Voor een algemene toelichting verwijzen wij naar de Verordeningen
                                gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Termijnen van
                                betaling.</al><al><cursief>Artikel 10 Kwijtschelding </cursief></al><al>Kwijtschelding van lijkbezorgingsrechten vindt doorgaans niet
                                plaats, maar is juridisch wel mogelijk. De betaling zal in de meeste
                                gevallen geen problemen geven omdat veel mensen een
                                begrafenis-/overlijdensrisicoverzekering hebben. Ook is terugval op
                                de Wet werk en bijstand (WWB) mogelijk.</al><al><cursief>Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester
                                    en wethouders </cursief></al><al>Voor een toelichting verwijzen wij naar de Verordeningen
                                gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) – Nadere regels
                                door het college van burgemeester en wethouders, en naar de
                                Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen.</al><al><cursief>Artikel 12 Overgangsrecht en artikel 13 Inwerkingtreding en
                                    artikel 15 Citeertitel </cursief></al><al>Deze artikelen spreken voor zich en vragen geen nadere
                                toelichting.</al><al></al><tussenkop>C Toelichting op de tabel</tussenkop><al><vet>Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten </vet></al><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verlenen van een
                                uitsluitend recht op graven, urnengraven en dergelijke. Een recht op
                                een graf kan ingevolge artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging
                                gevestigd worden, hetzij voor onbepaalde tijd, hetzij voor de tijd
                                van minstens 10 jaren. Een voor bepaalde tijd verleend uitsluitend
                                recht op een graf kan worden verlengd. De beheerder van de
                                begraafplaats kan de termijn van verlenging stellen op ten minste 5
                                en ten hoogste 20 jaren. De uitgifte- en verlengingstermijnen hebben
                                wij afgestemd op de modelbeheersverordening begraafplaatsen. Het
                                verlenen van het recht om met uitsluiting van anderen lijken in een
                                bepaald graf te doen begraven en begraven te houden is de belaste
                                dienst en niet het begraven zelf.</al><al>De Wet op de lijkbezorging noemt niet met zoveel woorden de
                                mogelijkheid om een uitsluitend recht te vestigen op de ruimte waar
                                een asbus is bijgezet of de plaats waarop as wordt verstrooid. Omdat
                                het vestigen van een recht op een urnengraf, urnennis of
                                verstrooiingsplaats niet wettelijk is geregeld, gelden er ook geen
                                eisen voor wat betreft de uitgiftetermijn van een dergelijk recht.
                                Een gemeente kan hiervoor zelf een termijn stellen. Het verdient
                                echter aanbeveling om ook bij een urnengraf en een urnennis te
                                kiezen voor een uitgiftetermijn van 10 jaren. Op grond van van
                                artikel 66 van de Wet op de lijkbezorging mag een asbus zonder
                                toestemming van de rechthebbenden namelijk pas na tien jaar worden
                                verstrooid. </al><al><vet>Hoofdstuk 2 en 3 Begraven en cremeren </vet></al><al>In deze hoofdstukken zijn regelingen opgenomen voor het begraven of
                                cremeren van lijken en voor het begraven of cremeren van
                                overblijfselen van lijken (na het ruimen van een graf). Voor het
                                begraven en cremeren op buitengewone uren is een apart tarief
                                opgenomen. Gezien de extra kosten, zoals gemaakte overuren door het
                                gemeentepersoneel, is het mogelijk hiervoor een hoger recht te
                                heffen. Wat onder buitengewone uren wordt verstaan dient ingevuld te
                                worden door de gemeente. Daarbij kan ook worden verwezen naar een
                                eventuele beheersverordening van de algemene begraafplaats. Het is
                                denkbaar dat voor een gemeentelijk crematorium het begrip
                                buitengewone uren wordt uitgebreid, bijvoorbeeld in verband met het
                                in of buiten werking stellen van de verbrandingsoven.</al><al>In de tarieventabel is ook een apart tarief opgenomen voor het
                                begraven of cremeren van kinderen beneden één jaar en voor kinderen
                                beneden de 12 jaar. Gemeenten hoeven hier echter geen onderscheid te
                                maken. </al><al><vet>Hoofdstuk 4 Bijzetten van asbussen en urnen </vet></al><al>Het bijzetten van een asbus of een urn is een apart in de tabel
                                opgenomen dienst. Na de crematie kunnen de stoffelijke resten ook
                                worden verstrooid. Daarvoor is een tarief opgenomen in hoofdstuk 5.
                                De Wet op de lijkbezorging biedt nabestaanden ook de mogelijkheid om
                                de as mee naar huis te nemen. Ook daarvoor is een apart tarief
                                opgenomen in onderdeel 4.2.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Verstrooien van as </vet></al><al>Na de verbranding wordt de as geborgen in een bus. Artikel 59,
                                eerste lid van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat de as niet
                                eerder dan na één maand nadat zij in een bus is geborgen, kan worden
                                verstrooid. Verstrooiing kan plaatsvinden in of op particuliere
                                graven, dan wel als het door of in opdracht van de houder van het
                                crematorium gebeurt op een permanent daartoe bestemd terrein
                                (artikel 66a Wet op de lijkbezorging).</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Grafbedekking en onderhoud </vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>De regeling in dit hoofdstuk maakt het mogelijk rechten te heffen
                                voor het afgeven van vergunningen voor het stichten van grafkelders,
                                gedenktekenen en kruisen, het aanleggen van graftuinen, het planten
                                van bomen of andere gewassen, het plaatsen van zerken en het
                                onderhoud van al deze voorwerpen voor zoveel de algemene
                                begraafplaats betreft. Hiervoor worden bij een plaatselijke
                                beheersverordening (beheersverordening begraafplaatsen)
                                voorschriften gegeven. De kosten van het onderhoud van de algemene
                                voorzieningen van de begraafplaats mogen in aanmerking worden
                                genomen voor de heffing van onderhoudsrechten. Deze voorzieningen
                                staan mede ten dienste van de graven, door onder andere bezoek te
                                faciliteren en ongewenst bezoek te weren (Hof Leeuwarden 24-12-1999
                                nr. 391/99).</al><al>Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk om voor het algemene
                                onderhoud aan de begraafplaats alleen te heffen bij eigen graven en
                                niet bij algemene graven. Het karakter van het grafrecht laat een
                                differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de
                                begraafplaats slechts toe indien die differentiatie zich richt naar
                                het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud
                                (Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37716, LJN: AF5108, VN 2003/15.31).
                                Dit arrest wijkt af van de uitspraak van de Hoge Raad van 25 oktober
                                2002, nr. 36638, LJN: AD8499, Belastingblad 2002, blz. 1226
                                (Spijkenisse), betreffende rioolrecht. Daarin heeft de Hoge Raad
                                beslist dat het karakter van een retributie zich niet verzet tegen
                                een differentiatie van het tarief anders dan naar het genot. Zie ook
                                de toelichting op artikel 5.</al><al><onderstreept>Afkoop onderhoudsrecht</onderstreept></al><al>Met betrekking tot het onderhoudsrecht kan gesteld worden dat het
                                niet gemakkelijk is om een belastingplichtige aan te wijzen. In veel
                                gevallen is het moeilijk de belastingplichtigen te bereiken,
                                aangenomen dat zij nog in leven zijn. Het is dan ook aan te bevelen
                                voor een gemeente om een som ineens ter afkoop van het
                                onderhoudsrecht te stimuleren.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Lijkschouwing </vet></al><al>De gemeente kan voor het schouwen van lijken rechten heffen. De Wet
                                op de lijkbezorging bepaalt dat het college van burgemeester en
                                wethouders gelegenheid moet bieden voor het schouwen van lijken. Zij
                                benoemt daartoe een of meerdere gemeentelijke lijkschouwers. Bij het
                                vermoeden van een niet-natuurlijke dood moet de behandelende arts
                                dit doorgeven aan de gemeentelijke lijkschouwer. Indien geen
                                behandelende arts aanwezig is, treedt altijd de gemeentelijke
                                lijkschouwer op.</al><al>Hof Arnhem vindt dat bij lijkschouwing door een gemeentelijke
                                lijkschouwer, gelet op de wettelijke bepalingen, geen sprake is van
                                dienstverlening waarvoor een recht (leges) kan worden geheven. In
                                het betreffende geval ging het om lijkschouwing bij euthanasie. Het
                                hof vindt het individuele belang bij de lijkschouwing slechts
                                bijkomstig. Het algemene belang treedt op de voorgrond (Hof Arnhem
                                24 januari 2006, nr. 04/01076, LJN: AV2207). Wij beseffen dat lang
                                niet in alle gevallen waarin een gemeentelijke lijkschouwer optreedt
                                sprake is van dienstverlening, bijvoorbeeld (ook) niet als de
                                lijkschouwing gebeurt op rechterlijk gezag. Er kunnen zich echter
                                gevallen voordoen, waarin het individuele belang wel op de voorgrond
                                treedt. </al><al> Daarom hebben wij de bepaling gehandhaafd, temeer daar uit de
                                wetsgeschiedenis blijkt dat gemeenten hiervoor een recht kunnen
                                heffen (Kamerstukken II 1975/76, nr. 6, blz. 5; artikel 29o van de
                                oude Wet op de lijkbezorging, en Kamerstukken II 2007/08, 30696, nr.
                                9, pag. 20, waar staat: ‘Reeds op basis van de huidige wet is het
                                voor nabestaanden mogelijk om een lijkschouw en identificatie te
                                verzoeken. De kosten komen voor rekening van de nabestaanden. Het
                                wetsvoorstel brengt hierin geen verandering.’).</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Inschrijven en overboeken van particulier graf,
                                    particuliere urnennis, particuliere gedenkplaats of particuliere
                                    verstrooiingsplaats </vet></al><al>Een gemeente kan ook voor het inschrijven en het overboeken van een
                                particulier graf in een daartoe bestemd register rechten heffen.
                                Particuliere graven zijn graven waarvoor op grond van artikel 28 van
                                de Wet op de lijkbezorging het uitsluitend recht is verleend. </al><al>Wat over het inschrijven of overboeken van particuliere graven is
                                opgemerkt geldt tevens voor het inschrijven of overboeken van
                                particuliere urnengraven, urnennissen, gedenkplaatsen en
                                verstrooiingsplaatsen. </al><al><vet>Hoofdstuk 9 Opgraven of ruimen </vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het opgraven van een
                                lijk en het ruimen of schudden van een graf.</al><al>Opgraven (en weer opnieuw begraven)</al><al>Ingeval van overbrenging naar een ander graf op dezelfde of op een
                                andere algemene begraafplaats binnen de gemeente wordt normaal
                                gesproken het normale tarief voor het begraven berekend. Alleen
                                indien weer wordt begraven in hetzelfde graf kan een verlaagd tarief
                                in de rede liggen, omdat het graf immers al is gedolven.</al><al><onderstreept>Ruimen (en verwijderen van de menselijke
                                    resten)</onderstreept></al><al>Onder ruimen wordt verstaan het openen van graven en het daaruit
                                opgraven en naar een andere plaats overbrengen van de menselijke
                                resten. Het verschil met het opgraven is allereerst dat bij het
                                ruimen een andere bestemming aan de menselijke resten (de wet noemt
                                het dan ‘overblijfselen van het lijk’) wordt gegeven. De
                                overblijfsen van het lijk worden namelijk niet meer begraven in de
                                zin van de Wet op de lijkbezorging. De bestemming is meestal een
                                speciale beenderverzamelplaats of de menselijke resten worden alsnog
                                gecremeerd. Als uitdrukkelijk om herbegraven of crematie wordt
                                verzocht, is het logisch dat ook een recht voor begraven,
                                onderscheidenlijk cremeren verschuldigd is. Hiervoor is in de
                                onderdelen 2.4 en 3.4 een tariefbepaling opgenomen. Van belang is
                                dat bij de formulering wordt aangesloten bij de wettelijke
                                formulering ‘overblijfselen van lijken’.</al><al>Op de tweede plaats is het verschil tussen ruimen en opgraven dat
                                het graf pas kan worden geruimd na verloop van de wettelijk
                                voorgeschreven grafrusttermijn van 10 jaren, genoemd in artikel 31,
                                tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. Het ruimen van graven is
                                niet aan wettelijke termijnen gebonden. De beheerder van de
                                begraafplaats bepaalt wanneer wordt geruimd. In beginsel gebeurt dat
                                niet op verzoek. Voor het op verzoek afzonderen van de
                                overblijfselen van een lijk na ruiming van een graf ten behoeve van
                                crematie of herbegraving, kunnen alleen rechten worden geheven als
                                een afzonderlijk tarief voor die dienst is opgenomen (Hoge Raad, 28
                                februari 2003. nr. 37238, Belastingblad 2003, blz. 464). In
                                onderdeel 9.6 is voor deze dienst daarom een tarief opgenomen. Voor
                                de herbegraving of crematie zelf, zijn in de onderdelen 2.4 en 3.4
                                tarieven opgenomen. In onderdeel 9.7 is een tarief opgenomen voor
                                het beschikbaar houden van een asbus na ruiming van een graf.</al><al>Een bijzondere vorm van het ruimen van graven is het ‘schudden’ van
                                graven. Het schudden van een graf wil zeggen dat de overblijfselen
                                van een lijk uit het graf verzameld worden en onder datzelfde graf
                                worden gelegd. Daarmee kan de ruimte in dat graf (weer) maximaal
                                benut worden. Juridisch valt het schudden niet onder artikel 29
                                (opgraving), maar onder artikel 31 (ruimen) van de Wet op de
                                lijkbezorging (Kamerstukken II 2005/06, 30696, nr. 3, pag. 12).
                                Daarvoor kan dus het tarief van onderdeel 9.5 worden toegepast.</al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige diensten </vet></al><al>De hier geregelde rechten zijn aan te merken als genots- en
                                gebruiksretributies. De diensten bedoeld in hoofdstuk 10 kunnen
                                worden gezien als het verstrekken van benodigdheden voor de
                                begraving of crematie vanwege de gemeente.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>