<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xml:lang="nl-NL" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>209889_1</dcterms:identifier><dcterms:title>2012 Bouwverordening van de gemeente Naarden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Naarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-21</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="www.naarden.nl">gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="www.wetten.nl">artikel 147 jo. 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="www.wetten.nl">artikel 8 van de Woningwet</dcterms:source><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:alternative>Bouwverordening van de gemeente Naarden 2012</dcterms:alternative><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2012-05-25</dcterms:issued></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV12.027</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bouwverordening gemeente Naarden 2012</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Naarden;</al><al> </al><al>gelezen het raadsvoorstel van 23 mei 2012, nummer RV12.027;</al><al>gelet op artikel 147 jo. 149 Gemeentewet en artikel 8 van de Woningwet:</al><al> </al><al>b e s l u i t :</al><al>- de Bouwverordening van de gemeente Naarden 2010 in te trekken;</al><al>- de Bouwverordening van de gemeente Naarden 2012 als volgt vast te</al><al>stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><titeldeel><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><structuurtekst><al>1 Inleidende bepalingen .............................................................................................. 7</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen............................................................................. 7</al><al>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) .............................................................................. 7</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente.................................................. 7</al><al>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen ....................................................... 7</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)....................................................... 7</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) ..................................... 7</al><al>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)....................................................... 7</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</al><al>(vervallen) ............................................................................................. 7</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek .................................................................................... 8</al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om</al><al>bouwvergunning ..................................................................................... 8</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) ...................................................................... 8</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens</al><al>en standplaatsen (vervallen) ................................................................... 8</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) ..................................................... 8</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) ......................... 8</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen) ....... 8</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) ............................... 8</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen)............ 8</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) .................................................................... 8</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem ............................................. 9</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen.................................. 9</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige</al><al>bepalingen (vervallen)............................................................................. 9</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling ............................................................................ 9</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer Brandblusvoorzieningen.... 9</al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen).................................................................... 9</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten ..................................... 9</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn ............................................................... 9</al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.................... 9</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn ..................................... 9</al><al>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn...........................10</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg.................................................................................10</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining</al><al>van straathoeken...................................................................................10</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn ......................................................................11</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn ................12</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn..................................12</al><al>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn ........................12</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen..........................................................13</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen ........................................................................13</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken.....................................................................13</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen ....................................................................13</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse</al><al>hoofdtransportleidingen..........................................................................13</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn .................................................14</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn ..............................................14</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn ..............14</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen............................15</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken ............................................15</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen ..............15</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken ......................................15</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte...............................15</al><al>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte .................16</al><al>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten</al><al>bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid .............16</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen...........16</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen).......................................17</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen) ...................................17</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen).................17</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen) ..........................................17</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)............................17</al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties (vervallen) ........................17</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) ................................17</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen) ..................................17</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) ..............................17</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen......................................................17</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid ..................................................................................17</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten ......................17</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding......................................................17</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet ................................................17</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet ......................................................17</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering .............................................17</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering ......................................17</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen ........</al><al>...........................................................................................................17</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de</al><al>nutsvoorzieningen..................................................................................17</al><al>3 De melding.............................................................................................................. 18</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)……………………………………….………………………………18</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen) ...................................................................18</al><al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een</al><al>bouwwerk ............................................................................................................... 18</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van</al><al>bouwwerkzaamheden (vervallen).............................................................18</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden...................................18</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) ..................................18</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw ......................................................................18</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de</al><al>bouwwerkzaamheden .............................................................................18</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.......................18</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten........................................................................18</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein ..................................................................18</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein ..............................................................18</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder..........................18</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval .............................................................................................18</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden……………………..18</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen.................................................18</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen) ....................................................18</al><al>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties, aansluiting op de</al><al>nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte......................... 18</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen .....................................18</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen ........</al><al>...........................................................................................................18</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten ....................................18</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen) ............................................................................................18</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde</al><al>woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of</al><al>kantoorgebouwen (vervallen) ..................................................................18</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere</al><al>aard (vervallen).....................................................................................19</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en</al><al>logiesgebouwen (vervallen).....................................................................19</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen (vervallen)</al><al>...........................................................................................................19</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding......................................................19</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet ................................................19</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet ......................................................19</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering .............................................19</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering ......................................19</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen .....19</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de</al><al>nutsvoorzieningen..................................................................................19</al><al>6 Brandveilig gebruik................................................................................................. 19</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen) ................................................19</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning(vervallen) ..................................................19</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (vervallen)............................................................19</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)............................................................19</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen) .................................................19</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen) .................................................19</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen) ..............................................19</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)..............................................19</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) ..............................................19</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen (vervallen) ..................................................19</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (vervallen)...........................19</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen) .........................................20</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen) .................................20</al><al>7 Overige gebruiksbepalingen ................................................................................... 20</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen...................................................................20</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen..........................................20</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid.......................................................20</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne.....20</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen .............................................20</al><al>Artikel 7.3.1 (vervallen) ............................................................................................20</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen)..................................................................................20</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie ..............................................................................................20</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water....................................................................20</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties ....................................................20</al><al>8 Slopen..................................................................................................................... 20</al><al>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning....................................................................................20</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen)......................................................20</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen)............................................................20</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)............................................................20</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen) ...........................................20</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning ......................................................................20</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning.....................................................................20</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding ........................................................................................21</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning.......................21</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein........................................................................21</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden...................................21</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning.........................................21</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt.................................................................21</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest ...................................21</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen) ...............21</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen ..............................................................................21</al><al>9 Welstand en monumenten ...................................................................................... 21</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de Welstands- en monumentencommissie .....................21</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de Welstands- en monumentencommissie ......................21</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur......................................................................21</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording .......................................................................21</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering ...........................................................................22</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting............................22</al><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid ......................................................22</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht ................................................22</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen .........22</al><al>10 Overige administratieve bepalingen........................................................................ 22</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)............................................22</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar</al><al>verklaarde woning of woonwagen (vervallen) ............................................22</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen).......................................................23</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen) .........................................................23</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens</al><al>alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen) .........................23</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften .23</al><al>11 Handhaving............................................................................................................. 23</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen) ..........................................................23</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen) .......................23</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)........................................................23</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) ....................................................23</al><al>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen………………………………….………...................24</al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen) .....................................................................23</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek .......................................................23</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen ...</al><al>...........................................................................................................23</al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning`(vervallen) ...........23</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen) ............................................23</al><al>Artikel 12.6 Overgangsbepaling ...............................................................................23</al><al>Artikel 12.7 Slotbepalingen ......................................................................................23</al><al>Artikel 12.7 Citeertitel .............................................................................................24</al><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning....................................... 25</al><al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)................ 25</al><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)................................................... 25</al><al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de nietgemeenschappelijke</al><al>ruimten in woonfuncties (vervallen) ............................. 25</al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen).................................................... 25</al><al>Bijlage 6 (vervallen)....................................................................................................... 25</al><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en</al><al>terreinen......................................................................................................... 25</al><al>Bijlage 8 (vervallen)....................................................................................................... 25</al><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie ............................................ 25</al><al>Bijlage 10 Brandmeldinstallaties Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1</al><al>(brandmeldinstallaties) (vervallen) .............................................................. 25</al><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) (vervallen) ... 25</al><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) (vervallen). 25</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>- Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,</al><al>   artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een</al><al>   bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en</al><al>   wethouders;</al><al>- bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de</al><al>   Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene</al><al>   bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en</al><al>   woningtoezicht;</al><al>- bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,</al><al>   metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij</al><al>   direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of</al><al>   indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te</al><al>   functioneren;</al><al>- gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al><al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>- bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>- gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente:</al><al>   a het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>   b het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze verordening</al><al>   behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><al>1 Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de</al><al>    Woningwet bestaat uit:</al><al>    a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens</al><al>        NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat</al><al>        volgt uit figuur 1;</al><al>    b. Vervallen.</al><al>    c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat</al><al>        asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem</al><al>        aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN</al><al>        5707, uitgave 2003.</al><al>2 De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d</al><al>    van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een</al><al>    bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit</al><al>    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de</al><al>    hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al>3 Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen</al><al>   van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling</al><al>   omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds</al><al>bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een</al><al>onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht</al><al>toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in</al><al>artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit</al><al>omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar</al><al>het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan</al><al>wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009</al><al>niet rechtvaardigen.</al><al>5 Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt,</al><al>dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw</al><al>wordt begonnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7.</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8.</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1.</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2.</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>﻿Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3.</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4.</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5.</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6.</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1.</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de</al><al>gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft</al><al>op een bouwwerk:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al><al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en</al><al>c  1 dat de grond raakt, of</al><al>    2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2.</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d,</al><al>van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling</al><al>omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten</al><al>dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet</al><al>bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van</al><al>oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van</al><al>voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1.</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet</al><al>worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het</al><al>bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3.</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4.</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5.</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de</al><al>   voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>   de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan</al><al>   de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig</al><al>   beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en</al><al>   waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>   bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de</al><al>   weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de</al><al>weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen</al><al>waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met overschrijding van de</al><al>voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is   vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van    veranderingen bedoeld in artikel 3,  onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een   omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de   werking van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit   omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met nietmeer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn kan</al><al>   het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>   a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits</al><al>      de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>   b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16</al><al>      en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en</al><al>      bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>   c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden;</al><al>   d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de</al><al>      voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>   e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen,</al><al>      alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,</al><al>      reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel</al><al>      2.5.7;</al><al>   f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.</al><al>   g bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988</al><al>      dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover</al><al>      zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht</al><al>      gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet lager</al><al>   gebouwd wordt dan:</al><al>   - 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m</al><al>     breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>   - 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>     en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar</al><al>     komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het</al><al>    telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in</al><al>    artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al><al>   energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan</al><al>   bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het Besluit</al><al>   omgevingsrecht;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al>e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die</al><al>    naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn</al><al>    geplaatst.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>   a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd in de</al><al>      artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>   b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking genoemd in</al><al>      artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de</al><al>      achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>   c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of</al><al>   minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór</al><al>   en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de</al><al>   bebouwing op de hoeken, over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2</al><al>   meter boven straatpeil, worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de</al><al>   daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste lid voor:</al><al>   a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>   b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>   c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>   d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van</al><al>      bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al><al>   e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder</al><al>      begrepen, en de daarbij behorende woningen;</al><al>   f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>  g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de bij het toestaan van de</al><al>     afwijking is gebaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich:</al><al>   a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig</al><al>      veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft</al><al>      van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op</al><al>      geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één</al><al>      ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de</al><al>      grootste;</al><al>   b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan</al><al>      onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op</al><al>      de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een</al><al>      of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk</al><al>      de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand</al><al>      van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>  c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,</al><al>     langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de</al><al>     afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar</al><al>     bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen</al><al>     grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>  d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen</al><al>     rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de</al><al>     voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van</al><al>     de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van</al><al>     het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15</al><al>     meter;</al><al>  e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt</al><al>     bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met</al><al>     d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2  Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek</al><al>    vormen moeten de achterzijden van die bebouwing, in het belang van de toetreding van</al><al>    daglicht, over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten</al><al>    minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>    het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de</al><al>    hoekbebouwing dit toelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerk, voor het bouwen waarvan</al><al>een omgevingsvergunning is vereist,te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor</al><al>   doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al><al>   bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de</al><al>   zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>   vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of</al><al>   uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,</al><al>   onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al><al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>   vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het</al><al>   aanbrengen van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het</al><al>   Besluit omgevingsrecht;</al><al>e andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een</al><al>   omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de</al><al>   werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>   1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en</al><al>      rioolputten;</al><al>   2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage II bij het Besluit</al><al>  omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn kan het</al><al>bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van</al><al>   bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de</al><al>   zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan</al><al>   wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een</al><al>   weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen</al><al>   2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f  bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van</al><al>   bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of</al><al>   industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>   vereist;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de</al><al>   bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij</al><al>   voltooiing van de bouw;</al><al>j  erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel 2,</al><al>   onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en</al><al>   veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende</al><al>   schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in</al><al>  de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening voor zover zulks niet bezwaarlijk</al><al>  is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter</al><al>  van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond   omvat die:   a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en   b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het      verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn   en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de   onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten   beschouwing blijven.3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking het bepaalde in:   a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats       gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;   b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaarliggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water,aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits datterrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens eenerf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor tebouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordtde bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is</al><al>    bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2</al><al>    meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte</al><al>    daarvan.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>    het eerste lid:</al><al>    a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen;</al><al>    b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding</al><al>       van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens</al><al>   van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf</al><al>   aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><al>   a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed</al><al>      zijn;</al><al>   b niet toegankelijk zijn.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van</al><al>   de vrij te laten ruimte</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II</al><al>   van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</titel></kop><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden</al><al>   van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere</al><al>   bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke</al><al>   deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening</al><al>   worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder</al><al>   hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische</al><al>   spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse</al><al>   hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een</al><al>   omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al><al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van:</al><al>   a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de</al><al>      elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>   b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien</al><al>     daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen</al><al>     bezwaar bestaat</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een</al><al>   bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door</al><al>   de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>   a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de</al><al>      desbetreffende weg;</al><al>   b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs</al><al>      de desbetreffende weg.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen,</al><al>   waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de</al><al>   zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden</al><al>   gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn</al><al>   van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende</al><al>   voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan</al><al>   op de voorgevelrooilijn.</al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van</al><al>de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen</al><al>tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die</al><al>onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking</al><al>voorkomende rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een</al><al>   bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door</al><al>   de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>   a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende</al><al>      achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>   b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende</al><al>      achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter</al><al>   plaatse van het bouwwerk.</al><al>   Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5</al><al>   meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand</al><al>   tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al>   Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de</al><al>   dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk</al><al>   in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de</al><al>   aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het</al><al>   eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil</al><al>   tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de</al><al>   achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene</al><al>   weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die</al><al>   achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel</al><al>   2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemdeweg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal       de afstand van deze zijgevel tot de</al><al>   achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde</al><al>   wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van</al><al>   de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</titel></kop><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het bouwen</al><al>   waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet</al><al>   hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door</al><al>   de achtergevelrooilijn snijden op de krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 maximale</al><al>   bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>   a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>   b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is</al><al>   tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet</al><al>   hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van</al><al>   de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een</al><al>   hoek vormt van 56 graden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>   vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende</al><al>   hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14</al><al>   toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet</al><al>   meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte</al><al>   van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden</al><al>   toegelaten is.</al><al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen</al><al>   beletsel vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een</al><al>   bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.</al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door</al><al>   de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel</al><al>   2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale</al><al>   hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste</al><al>lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al>   vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het</al><al>   aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het</al><al>   Besluit omgevingsrecht;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen</al><al>   van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van</al><al>   bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn,</al><al>   mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de</al><al>   topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de</al><al>   maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de toegelaten bouwhoogte als</al><al>bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en</al><al>2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen</al><al>   bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het</al><al>   toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en</al><al>   industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld</al><al>   in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><al>   1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de</al><al>       welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>    2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere</al><al>       hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f  bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de</al><al>   energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2,</al><al>   onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte</al><al>   niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot</al><al>   de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet</al><al>   voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de</al><al>   provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is</al><al>   om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter</al><al>   van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan het bevoegd gezag</al><al>afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de</al><al>achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale</al><al>bouwhoogte, indien:</al><al>a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of beheersverordening of</al><al>    projectbesluit van kracht is;</al><al>b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene</al><al>    bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><al>c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al><al>d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, en</al><al>e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten</al><al>   behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht</al><al>   in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat</al><al>   gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de</al><al>   bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele</al><al>   bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben</al><al>   die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.</al><al>   Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>   a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m</al><al>      en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>   b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte</al><al>     , voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst, ten minste</al><al>       3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte</al><al>   aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende</al><al>   mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde</al><al>   terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in</al><al>   het eerste en het derde lid:</al><al>   a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op</al><al>      overwegende bezwaren stuit; of</al><al>   b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of</al><al>      losruimte wordt voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel></titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Welstand en monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de Welstands- en monumentencommissie</titel></kop><al>1 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een</al><al>   omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>2 De Welstands- en monumentencommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota</al><al>   genoemde welstandscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de Welstands- en monumentencommissie</titel></kop><al>1 De Welstands- en monumentencommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 2 leden,</al><al>   waarvan ten minste 2 leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke</al><al>   kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al><al>2 Voor de voorzitter en leden worden 2 plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid</al><al>   kunnen vervangen.</al><al>3 De Welstands- en monumentencommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten</al><al>   minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over</al><al>   deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al>4 De voorzitter en leden van de Welstands- en monumentencommissie zijn onafhankelijk ten</al><al>   opzichte van het gemeentebestuur.</al><al>5 De Welstands- en monumentencommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens</al><al>   plaatsvervanger.</al><al>6 In de Welstands- en monumentencommissie kan een ingezetene van de gemeente anders</al><al>   als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De Welstands- en monumentencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden</al><al>voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;</al><al>- de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;</al><al>- de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>- de bijzondere projecten.</al><al>De Welstands- en monumentencommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien</al><al>van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de</al><al>gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><al>1 De Welstands- en monumentencommissie brengt het advies over de aanvraag om een</al><al>   omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens</al><al>   burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De Welstands- en monumentencommissie brengt het advies over de aanvraag om een</al><al>   omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een</al><al>   deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door</al><al>   of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de Welstands- en</al><al>   monumentencommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van</al><al>   dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan</al><al>   door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de</al><al>   aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wat algemene</al><al>   bepalingen omgevingsrecht</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de Welstands- en</al><al>   monumentencommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Welstands- en</al><al>   monumentencommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven</al><al>   blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.</al><al>   Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een</al><al>   verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders</al><al>   daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van</al><al>   bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de</al><al>   beoordeling als de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen</al><al>   van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze</al><al>   door of namens de Welstands- en monumentencommissie in staat gesteld tot het geven</al><al>   van een toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een</al><al>   verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de</al><al>   omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering</al><al>   van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Er is geen spreekrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van</al><al>    artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere</al><al>    daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over</al><al>    bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag</al><al>    worden verondersteld.</al><al>2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al>1 De Welstands- en monumentencommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en</al><al>   wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de</al><al>NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze</al><al>verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de</al><al>bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien</al><al>of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Overgangsbepaling aanvragen ingediend vóór 1 april 2012</titel></kop><al>Op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, ontheffing of toestemming</al><al>anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt</al><al>en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening</al><al>van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te</al><al>kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><al>1. Deze gewijzigde verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 april 2012,</al><al>   zijnde de datum van inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012;</al><al>2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bouwverordening, vastgesteld bij</al><al>   raadsbesluit op 23 mei 2012 en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Bouwverordening van de gemeente Naarden 2012.</al></artikel></afdeling></titeldeel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Naarden op 23 mei 2012,</al><al>De voorzitter, De griffier,</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>