<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xml:lang="nl-NL" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>204873_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Naarden</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-08-07</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="www.naarden.nl">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:source resourceIdentifier="www.wetten.nl">artikel 8, eerste lid, onder b en artikel 18 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden 2012</dcterms:alternative><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2012-05-23</dcterms:issued></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-06-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV 12.032</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatregelenverordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>﻿De raad van de gemeente Naarden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Naarden, nummer RV 12.032</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onder b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand</al><al>b e s l u i t :</al><al>onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Maatregelen wet werk en bijstand</al><al>2010</al><al>vast te stellen de</al><al>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Naarden 2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al><al>b. algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;</al><al>c. bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;</al><al>d. bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al><al>e. bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet. Voor</al><al>zelfstandigen van 18 tot 27 jaar die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben</al><al>ontvangen wordt onder ‘bijstandsnorm’ verstaan de norm die op grond van artikel</al><al>78f, tweede lid, van de wet op hen van toepassing is;</al><al>f. langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36, van de wet;</al><al>g. maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van</al><al>artikel 18, tweede lid, van de wet;</al><al>h. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Naarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de</al><al>wet of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie</al><al>werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,</al><al>waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, kan</al><al>overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd.</al><al>2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de</al><al>belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin</al><al>hij verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>1. De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de</al><al>bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien:</al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van</al><al>artikel 12 van de wet;</al><al>b. het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid;</al><al>c. belanghebbende de informatieplicht, bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel</al><al>38, tweede lid, van het Bbz heeft geschonden; dan wel</al><al>d. belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen als bedoeld in artikel 15.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld:</al><al>a. de reden van de maatregel;</al><al>b. de duur van de maatregel;</al><al>c. het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al><al>d. het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm;</al><al>en,</al><al>e. indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de</al><al>gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:</al><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze</al><al>naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden</al><al>hebben voorgedaan;</al><al>c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van</al><al>een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet</al><al>werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een</al><al>gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de</al><al>wet; of</al><al>d. het college het horen niet nodig acht in voor het vaststellen van de ernst van de</al><al>gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al>b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het</al><al>college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de</al><al>inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand</al><al>is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt</al><al>niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft</al><al>plaatsgevonden.</al><al>2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor</al><al>dringende redenen aanwezig acht.</al><al>3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van</al><al>dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling</al><al>gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand</al><al>volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de</al><al>belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand</al><al>geldende bijstandsnorm.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden</al><al>opgelegd, voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al><al>3. Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een kalendermaand, tenzij in deze</al><al>verordening een afwijkende termijn is opgenomen.</al><al>4. Bij beëindiging van de uitkering wordt de verlaging eerst dan toegepast indien</al><al>binnen een termijn van twee jaar een nieuw beroep op de uitkering wordt gedaan.</al><al>Belanghebbende wordt hiervan in de beëindigingsbeschikking in kennis gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>1. Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer dan één</al><al>verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen, en het niet nakomen van deze</al><al>verplichtingen voortkomt uit één oorzaak, wordt slechts één maatregel opgelegd, bij</al><al>verschil die uit de hoogste categorie.</al><al>2. Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer dan één</al><al>verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen, en het niet nakomen van deze</al><al>verplichtingen voortkomt uit verschillende oorzaken, wordt voor iedere oorzaak een</al><al>afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd,</al><al>tenzij dit gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor verplichtingen die in de wet zijn</al><al>vastgelegd ten aanzien van de inschakeling in de arbeid niet of onvoldoende zijn</al><al>nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>1. Eerste categorie:</al><al>a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij UWV-WERKbedrijf</al><al>of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;</al><al>b. het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand gedurende de termijn,</al><al>genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.</al><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of</al><al>te aanvaarden;</al><al>b. het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s rijks kas</al><al>bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel</al><al>41, vierde lid van de wet;</al><al>c. het in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel</al><al>evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de wet;</al><al>d. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de</al><al>mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al><al>e. het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde</al><al>maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid,</al><al>onderdeel c, van de wet.</al><al>3. Derde categorie:</al><al>a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al><al>b. het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden</al><al>voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid,</al><al>onderdeel b en artikel 10, eerste lid, van de wet, waaronder begrepen sociale</al><al>activering.</al><al>4. Vierde categorie:</al><al>het niet aanvaarden dan wel behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld op:</al><al>a. vijf procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de eerste categorie;</al><al>b. tien procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de tweede categorie;</al><al>c. twintig procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de derde categorie;</al><al>d. honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de vierde categorie.</al><al>2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden verdubbeld,</al><al>indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een</al><al>besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een</al><al>verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee</al><al>een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op</al><al>grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet, niet</al><al>is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of</al><al>de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te</al><al>verstrekken, kan met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de wet een</al><al>maatregel worden opgelegd van tien procent van de bijstandsnorm, onverminderd</al><al>artikel 2, tweede lid.</al><al>2. De duur/hoogte van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de</al><al>belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit</al><al>waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als</al><al>verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is</al><al>opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van</al><al>dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al><al>3. Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met</al><al>het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk</al><al>nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te</al><al>rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke</al><al>waarschuwing is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in</al><al>artikel 17 van de wet, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag</al><al>verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het</al><al>benadelingsbedrag.</al><al>2. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze</al><al>vastgesteld:</al><al>a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de bijstandsnorm;</al><al>b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de</al><al>bijstandsnorm;</al><al>c. bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de</al><al>bijstandsnorm;</al><al>d. bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm.</al><al>3. Van een maatregel wordt afgezien:</al><al>a. zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek</al><al>ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al><al>b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar</al><al>Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in</al><al>artikel 17 van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag</al><al>verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid,</al><al>tien procent van de bijstand.</al><al>2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan worden afgezien</al><al>en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het</al><al>niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode</al><al>van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een</al><al>schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede</al><al>lid, van de wet, kan een maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de</al><al>hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>2. Als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het</al><al>bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede gerekend het door eigen toedoen niet</al><al>behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>3. Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze</al><al>vastgesteld:</al><al>a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de bijstandsnorm;</al><al>b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de</al><al>bijstandsnorm;</al><al>c. bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de</al><al>bijstandsnorm;</al><al>d. bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm.</al><al>4. Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, bedraagt de maatregel 20%</al><al>van de bijstandsnorm.</al><al>5. De duur/hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien binnen twaalf maanden</al><al>na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel, als bedoeld in het eerste</al><al>lid, is opgelegd, sprake is van een zelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging.</al><al>6. Met een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te</al><al>zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al><al>7. In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand of de</al><al>Langdurigheidstoeslag worden geweigerd, indien het beroep op bijzondere bijstand</al><al>dan wel de Langdurigheidstoeslag het gevolg is van tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid.</al><al>8. Bij de bepaling van de wijze van afstemming van de algemene bijstand, de periode,</al><al>en de daarbij behorende aflossingsverplichting, wordt de aan belanghebbende te</al><al>verstrekken bijstand omgezet naar de vorm van een geldlening ter hoogte van 90%</al><al>van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm gedurende de periode waarin</al><al>hij, naar het oordeel van het college, redelijkerwijs had kunnen voorzien in de</al><al>noodzakelijke kosten van het bestaan, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>Na de periode van leenbijstand wordt het recht op bijstand om niet</al><al>voortgezet en zal 10% van de bijstandsnorm worden aangewend voor aflossing van</al><al>de bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn</al><al>ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de</al><al>uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, kan</al><al>onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel worden opgelegd van minimaal</al><al>twintig procent van de bijstandsnorm.</al><al>2. Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan, indien sprake is</al><al>van verbaal geweld, worden afgezien en worden volstaan met het geven van een</al><al>schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een</al><al>periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de</al><al>belanghebbende een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige</al><al>misdragingen is gegeven.</al><al>3. De duur van de maatregel wordt met een maand verdubbeld, indien binnen twaalf</al><al>maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel, als bedoeld in</al><al>het eerste lid, is opgelegd, sprake is van een zelfde als verwijtbaar aan te merken</al><al>gedraging.</al><al>4. Met een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt gelijkgesteld het besluit om af te</al><al>zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juni 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet werk en</al><al>bijstand gemeente Naarden 2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</al><al>der gemeente Naarden, gehouden op woensdag 23 mei 2012.</al><al>de voorzitter,</al><al>de griffier,</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</label><nr>1</nr><titel></titel></kop><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Artikel 1.Begripsomschrijving</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende</al><al>betekenis als de omschrijving in de Wwb.</al><al> </al><al>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</al><al>Eerste lid</al><al>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen:</al><al>1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het</al><al>bestaan (artikel 18, tweede lid).</al><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee soorten</al><al>verplichtingen:</al><al>• de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en</al><al>deze te aanvaarden;</al><al>• de plicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden</al><al>voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke</al><al>verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de</al><al>bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die elke gemeente moet opstellen,</al><al>vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze</al><al>verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van bijstand worden</al><al>neergelegd.</al><al>3. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de</al><al>verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging</al><al>mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs</al><al>duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of</al><al>het recht op bijstand.</al><al>4. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van</al><al>uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die</al><al>redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan</al><al>uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al><al>• het toestaan van huisbezoek;</al><al>• het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de</al><al>medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de</al><al>verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan UWV WERKbedrijf te</al><al>verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30c, tweede en</al><al>derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen</al><al>beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan UWV WERKbedrijf, waarvan</al><al>hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op</al><al>bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de</al><al>bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een</al><al>verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste</al><al>(percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen</al><al>maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en</al><al>de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke</al><al>op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden</al><al>van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de</al><al>voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel</al><al>kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd,</al><al>en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>• Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>• Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>• Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de</al><al>bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid</al><al>wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan</al><al>bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld</al><al>hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor</al><al>geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van maatregelen</al><al>is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al><al> </al><al>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</al><al>Eerste lid</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de</al><al>bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief</al><al>gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>Tweede lid</al><al>Ook in de hier genoemde gevallen kan aanleiding bestaan om de bijzondere bijstand of</al><al>de langdurigheidstoeslag te verlagen.</al><al> </al><al>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</al><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door</al><al>middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering wordt</al><al>opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van</al><al>artikel 45 Wwb genomen.</al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot</al><al>herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide</al><al>besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld.</al><al>Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan</al><al>met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een</al><al>besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al> </al><al>Artikel 5. Horen van belanghebbende</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt</al><al>opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en</al><al>b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al> </al><al>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’</al><al>ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het college kan in beleidsregels</al><al>neerleggen hoe het van plan is om te gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid,</al><al>door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden</al><al>geacht en welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden</al><al>vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging</al><al>te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het</al><al>nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</al><al>Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor</al><al>gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg</al><al>waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend,</al><al>geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt</al><al>aangesloten bij de termijn die in artikel 14e van de Algemene bijstandswet was</al><al>opgenomen in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de</al><al>informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de</al><al>gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de</al><al>omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Tweede lid</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel</al><al>indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is</al><al>afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.</al><al>Derde lid</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van</al><al>een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele</al><al>recidive.</al><al> </al><al>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</al><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.</al><al>Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of</al><al>2. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de</al><al>gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot</al><al>herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen.</al><al>Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van</al><al>de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand</al><al>geldende bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is</al><al>uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het</al><al>bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden</al><al>herzien en teruggevorderd.</al><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt en na</al><al>afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat boekjaar definitief</al><al>vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel met terugwerkende kracht toe te</al><al>passen bij de definitieve vaststelling van de bijstand.</al><al>Derde lid</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd, en voor de duur van</al><al>een kalendermaand. Door een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet</al><al>de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe</al><al>is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen</al><al>opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het</al><al>college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in</al><al>artikel 18, derde lid Wwb.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar</al><al>gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling</al><al>hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en</al><al>omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling</al><al>volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel</al><al>wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin</al><al>betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn</al><al>verplichtingen voldoet.</al><al>Vierde lid</al><al>Er zijn met enige regelmaat klanten waarbij de uitkering wordt beëindigd terwijl er ook</al><al>nog een lopende maatregel op de uitkering is. De klant kan in principe direct een nieuwe</al><al>aanvraag op bijstand doen. De mogelijkheid tot het opnieuw opleggen van de maatregel</al><al>blijft hiermee mogelijk.</al><al> </al><al>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende</al><al>gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.</al><al>De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die verschillende schendingen</al><al>van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan</al><al>dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop</al><al>de zwaarste maatregel van toepassing is.</al><al>Tweede lid</al><al>Deze alternatieve bepaling is overgenomen uit het Maatregelbesluit UWV. Daaraan is in</al><al>lid 2 toegevoegd dat bij samenloop van maatregelwaardige gedragingen voor iedere</al><al>verwijtbare gedraging afzonderlijk een maatregel wordt opgelegd. Bij het uitgangspunt</al><al>dat voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel wordt bepaald moet uiteraard het</al><al>proportionaliteitsbeginsel in acht worden genomen. Het cumulatieve effect van de</al><al>opgelegde maatregelen kan immers tot een te zware belasting voor belanghebbende</al><al>leiden. Dit kan aanleiding zijn om de maatregel over meerdere maanden op te leggen of</al><al>te matigen.</al><al> </al><al>Artikel 9. Indeling in categorieën</al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking</al><al>verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vier</al><al>categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend</al><al>criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere</al><al>gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als</al><al>werkzoekende in te schrijven bij UWV WERKbedrijf en ingeschreven te doen blijven.</al><al>Onderdeel b is van toepassing van jongeren onder de 27 jaar die zich vier weken voor</al><al>de bijstandsaanvraag dienen te melden bij het UWV, waarna er een zoekperiode naar</al><al>werk of onderwijs volgt.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de</al><al>arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om</al><al>voldoende te solliciteren. In het geval van jongeren is het ook mogelijk om onderwijs te</al><al>gaan volgen.</al><al>Onderdeel e refereert naar de mogelijkheid van het college om een tegenprestatie op te</al><al>leggen aan de belanghebbende.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een</al><al>beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om</al><al>het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid</al><al>en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van</al><al>deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken</al><al>aan het opgesteld trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden</al><al>gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al> </al><al>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</al><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van gedragingen</al><al>die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het</al><al>verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Tweede lid</al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling</al><al>van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking</al><al>gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare</al><al>gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een</al><al>maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip</al><al>waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden</al><al>toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom</al><al>hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel</al><al>individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de</al><al>ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden</al><al>van de betrokkene.</al><al> </al><al>HOOFDSTUK 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</al><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht</al><al>onderscheiden:</al><al>1. Artikel 11: het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze</al><al>situatie is artikel 54 Wwb van toepassing. Het college kan in dat geval het recht op</al><al>bijstand opschorten en belanghebbende in de gelegenheid stellen binnen een door</al><al>hem te stellen termijn het verzuim te herstellen.</al><al>2. Artikel 12: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de</al><al>gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te hoog bedrag</al><al>aan bijstand is verstrekt. In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan</al><al>aan de inlichtingenplicht van artikel 17 Wwb. Het opzettelijk verzwijgen van</al><al>relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)</al><al>uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van</al><al>artikel 17 Wwb.</al><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente worden</al><al>verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de uitkering niet</al><al>vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de situatie dat een uitkering</al><al>wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van de bijstand moet worden</al><al>ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het opleggen van een maatregel is dus bij het</al><al>niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de</al><al>rechtmatigheid van de uitkering niet aan de orde.</al><al> </al><al>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</al><al>Eerste lid</al><al>Indien een klant de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde gegevens of</al><al>gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op bijstand</al><al>opschorten (artikel 54, eerste lid, Wwb). Het college geeft de klant vervolgens een</al><al>termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente</al><al>verstrekt, dan kan het college bijstand stopzetten (het intrekken van het besluit tot</al><al>toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de</al><al>hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand, al dan niet herzien, voortgezet, maar</al><al>wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel.</al><al>Derde lid</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van</al><al>de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de</al><al>recidivemaatregel.</al><al> </al><al>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor</al><al>de bijstand</al><al>Eerste lid</al><al>In artikel 17, eerste lid, Wwb is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld</al><al>uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem</al><al>redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn</al><al>arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten vaststellen wat het</al><al>onder ‘onverwijld’ verstaat.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al>Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bijstand.</al><al>Tweede lid</al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht</al><al>bedoeld in artikel 17 van de Wwb wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het</al><al>bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of</al><al>te veel aan de belanghebbende is betaald.</al><al>De maatregel wordt toegepast op de toekomstige bijstandsuitkering van de</al><al>belanghebbende.</al><al>Derde lid; De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om procesverbaal</al><al>op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is</al><al>van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 10.000,- (de aangifterichtlijn sociale</al><al>zekerheid). Het is de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM</al><al>blijft bestaan, ook al kent de Wwb de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij</al><al>fraude (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten</al><al>opleggen.</al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel</al><al>niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan.</al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is</al><al>opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘anrechnung’. Anderzijds ligt</al><al>het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM</al><al>inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van</al><al>sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele</al><al>overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich</al><al>in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al> </al><al>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen</al><al>voor de bijstand</al><al>Eerste lid</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van onjuiste of</al><al>onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van</al><al>de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven van een</al><al>vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van</al><al>vrijwilligerswerk.</al><al>Tweede lid</al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet behoorlijk</al><al>nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot het geven van een</al><al>waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie.</al><al> </al><al>Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de</al><al>voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd.</al><al>Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een</al><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer</al><al>beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg</al><al>daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand</al><al>hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken,</al><al>zoals:</al><al>• een onverantwoorde besteding van vermogen;</al><al>• geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al><al>• het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering.</al><al>Tweede lid</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat tot tekortschietend besef van</al><al>verantwoordelijkheid tevens wordt gerekend het voorafgaand aan de aanvraag en door</al><al>eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel het tijdens de</al><al>bijstand door eigen toedoen niet behouden van deeltijdarbeid.</al><al>Volgens vaste jurisprudentie kan het door eigen toedoen niet behouden van algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid namelijk niet worden teruggevoerd op artikel 9 van deze</al><al>verordening, maar op artikel 14, omdat deze gedraging valt onder het begrip</al><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 18 Wwb), zie onder meer LJN</al><al>BN9720, CRvB 06.10.2010.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het</al><al>benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen</al><al>of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de</al><al>bijstand zou zijn gebleven.</al><al>Vijfde lid</al><al>Er is een recidivebepaling opgenomen.</al><al>Zevende lid</al><al>In lid 7 is vastgelegd dat de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag worden</al><al>geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Vaststaan moet dan wel</al><al>dat er een causaal verband tussen beroep op deze voorzieningen is en de gedraging die</al><al>uiting geeft aan tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. Dat kan bijv. het geval zijn</al><al>bij het onverantwoord interen van een groot vermogen.</al><al>Achtste lid</al><al>In het geval dat iemand vlak voor de bijstandsaanvraag veel geld heeft uitgegeven dat</al><al>niet noodzakelijk was, is het met deze bepaling mogelijk om te voorzien in bijstand in</al><al>de vorm van een lening. Dit houdt in dat iemand niet zonder geld hoeft te zitten maar</al><al>aan de andere kant ook dat de gemeente niet ‘zomaar’ bijstand verstrekt. De klant wordt</al><al>hiermee ook verantwoordelijk gehouden voor het eigen gedrag.</al><al> </al><al>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie</al><al>worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat</al><al>in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden</al><al>beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen</al><al>de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het</al><al>vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat</al><al>de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden</al><al>die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van Wwb.</al><al>In artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt gesproken over ‘het zich jegens het</al><al>college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag</al><al>tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen</al><al>van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich</al><al>agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die</al><al>belast is met de uitvoering van de Wwb, bijvoorbeeld UWV WERKbedrijf of reintegratiebedrijf.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich</al><al>ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de</al><al>mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen</al><al>van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:</al><al>a. verbaal geweld (schelden);</al><al>b. discriminatie;</al><al>c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al>d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al>e. mensgericht fysiek geweld;</al><al>f. combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden</al><al>naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en</al><al>frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van</al><al>geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen</al><al>van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid</al><al>en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de</al><al>mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij</al><al>frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie.</al><al>Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich</al><al>richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al>Het is aan te bevelen dat een sociale dienst over een agressieprotocol beschikt waarin is</al><al>aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo’n</al><al>agressieprotocol kan een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien</al><al>van agressieve klanten, in de vorm van beleidsregels.</al><al>De sociale dienst kan bij de bescherming tegen agressie zich ook baseren op de</al><al>Arbeidsomstandighedenwet (ARBO). In de ARBO is expliciet geregeld dat werkgevers</al><al>hun medewerkers moeten beschermen tegen agressie.</al><al>In lid 2 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar gedrag soms een</al><al>waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan worden.</al><al>In de leden 3 en 4 komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking dat recidive een</al><al>reden kan zijn de maatregelduur te verlengen.</al><al> </al><al>Artikel 16 en 17</al><al>Geen toelichting</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>De Maatregelenverordening</al><al>De Wwb kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Gemeenten</al><al>moeten zelf hun sanctiebeleid vormgeven. Verlaging van de uitkering moet</al><al>plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit</al><al>is de maatregelenverordening. In deze verordening is ook het sanctiebeleid van de Bbz</al><al>(Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004) vastgelegd omwille van eenduidigheid en</al><al>transparantie zodat er geen aparte maatregelenverordening Bbz moet worden</al><al>vastgesteld.</al><al>Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, Wwb bevat de opdracht aan de gemeenteraad om een</al><al>maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen. De wettelijke grondslag voor</al><al>maatregelen is artikel 18 Wwb.</al><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en</al><al>de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en</al><al>middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen</al><al>van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de</al><al>uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele</al><al>situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden.</al><al>In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen</al><al>van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht</al><al>zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de</al><al>vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke</al><al>uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de</al><al>mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot</al><al>het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende</al><al>mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid,</al><al>maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt,</al><al>ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>De term ‘maatregel’</al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn</al><al>verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van</al><al>de Wwb aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de</al><al>belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’</al><al>wordt het uitgangspunt van de Wwb benadrukt dat rechten en plichten één kant van</al><al>dezelfde medaille vormen.</al><al>Door die afstemming aan te duiden als een maatregel wordt niet alleen aangesloten bij</al><al>het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook</al><al>het corrigerende karakter ervan benadrukt. Het opleggen van een maatregel is echter</al><al>géén punitieve sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar vormt</al><al>een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in</al><al>overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de</al><al>bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.</al><al>De relatie met de re-integratieverordening</al><al>Gemeenten moeten ook een re-integratieverordening vaststellen. In deze verordening</al><al>legt de gemeenteraad vast hoe de gemeente klanten bij de arbeidsinschakeling</al><al>ondersteunt en hoe de gemeente omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht</al><al>op arbeidsinschakeling. Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in</al><al>beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelenverordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>