Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Nederlandse Antillen

LANDSVERORDENING van de 8ste juli 1971 houdende regeling van de aanspraken op vakantie, vakantie-uitkering, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, vrijstelling van dienst wegens ziekte dan wel tegemoetkoming bij arbeidsongeschiktheid van werknemers in overheidsdienst

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
Overheidsorganisatie Nederlandse Antillen
Officiële naam regelingLANDSVERORDENING van de 8ste juli 1971 houdende regeling van de aanspraken op vakantie, vakantie-uitkering, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, vrijstelling van dienst wegens ziekte dan wel tegemoetkoming bij arbeidsongeschiktheid van werknemers in overheidsdienst
CiteertitelRegeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers
Vastgesteld doorGouverneur van de Nederlandse Antillen
Onderwerppersoneel en organisatie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt voor werknemers als bedoeld in artikel 1, onder b, de Vakantieregeling 1949 (P.B. 1968, no. 112), de Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) en de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14), maar zie de overgangsbepalingen in de artikelen 46 t/m 54.

Andere dan de vermelde wetshistorische gegevens zijn niet bekend over de wijzigingsregelingen van 31-5-1985 (P.B. 1985, no. 71 of 91; wijziging art.16), 8-6-1989 (P.B. 1989, no. 28; wijziging art.16) en 6-7-1990 (P.B. 1990, no. 48; wijziging art.16).

Artikel 16 van deze regeling is buiten werking gesteld bij landsverordening van 31 mei 1985 (P.B. 1985, 71, verlengd bij landsverordening van 8 juni 1989 (P.B. 1989, 28), en wederom verlengd bij Lv. van 6 juli 1990 (P.B. 1990, 48) tot 1-7-1992).

Artikel 21, tweede lid, van deze regeling is buiten werking gesteld ten behoeve van ambtenaren en werknemers die het lidmaatschap van een eilandsraad aanvaarden, bij de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers.

Bij de MINISTERIËLE BESCHIKKING met algemene werking, van de 29ste juli 2000 tot wijziging van de artikelen 16 en 17 van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers (P.B. 1971, no. 85) zijn bepalingen vastgesteld die afwijken van de artikelen 7, eerste en tweede lid, 16 en 17 van deze regeling.Die regeling is ingetrokken bij de Landsverordening van de 3de augustus 2001 tot tijdelijke wijziging van de artikelen 16 en 17 van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers (P.B.1971, no. 85) (P.B. 2001, no. 84), die op haar beurt is vervallen op 1 juni 2002.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Landsbesluit houdende algemene maatregelen (P.B. 1971, 120)

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-09-2001art. 7, 16, 17

03-08-2001

P.B. 2001, no. 84

Onbekend
15-03-2001art. 3, 15, 19

15-03-2001

P.B. 2001, no. 24

onbekend
01-01-1998art. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 15, 18, 24, 40

23-12-1997

P.B. 1997, no. 313

onbekend
26-07-199007-05-1990art. 21

24-07-1990

P.B. 1990, no. 56

onbekend
01-02-198701-01-1987art. 33, 34, 41, 42, 44

29-12-1986

P.B. 1986, no. 165

onbekend
25-04-1978art. 19

07-02-1978

P.B. 1978, no. 93

onbekend
01-03-1978art. 17

29-05-1978

P.B. 1978, no. 238

onbekend
16-07-1971Nieuwe regeling

08-07-1971

P.B. 1971, no. 85

onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

LANDSVERORDENING van de 8ste juli 1971 houdende regeling van de aanspraken op vakantie, vakantie-uitkering, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, vrijstelling van dienst wegens ziekte dan wel tegemoetkoming bij arbeidsongeschiktheid van werknemers in overheidsdienst (P.B. 1971, 85), zoals gewijzigd.

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1

Werknemer in de zin van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften is hij:

  • a.

    die ingevolge artikel 1 van de Werkliedenverordening 1944 (P.B. 1978, 376) als werkman is aangesteld;

  • b.

    die op mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst is van de Nederlandse Antillen of van een van de eilandgebieden.

Artikel 2
  • 1. Deze landsverordening is voorts niet van toepassing op werknemers die niet regelmatig dienst doen. Ten aanzien van deze werknemers kunnen onderwerpen welke in deze landsverordening geregeld zijn, naarmate zulks met betrekking tot elke dienst of elk bedrijf waarin zij te werk zijn gesteld noodzakelijk blijkt, worden geregeld:

    bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, indien het de openbare dienst van de Nederlandse Antillen betreft, en

    bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, indien het de openbare dienst van een eilandgebied betreft.

  • 2. Voor de toepassing van § 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening wordt niet als werknemer beschouwd degene die op mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst is van de Nederlandse Antillen of van een van de eilandgebieden en die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig niet is goedgekeurd of daarvoor is goedgekeurd doch korter dan een jaar in dienst is.

Artikel 3

Voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

overheid:a.De Nederlandse Antillen, indien de werknemer in dienst is van deze rechtspersoon;
   b.het eilandgebied bij hetwelk de werknemer in dienst is;
het bevoegde gezag:a.de Minister voor wat betreft de werknemers in dienst van de Nederlandse Antillen;
   b.het bestuurscollege voor wat betreft de werknemers in dienst van een eilandgebied;
de bevoegde autoriteit:het hoofd van dienst voor wat betreft de bij zijn dienst werkzame werknemers;
de Minister:het hoofd van het betrokken ministerie;
hoofd van dienst:de bij landsbesluit of eilandsbesluit aangewezen ambtenaren;
gezin:a.de echtgenote van de betrokken werknemer;
   b.de kinderen tot wie de betrokken werknemer in familie-rechtelijke betrekking staat die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de stief- en pleegkinderen van de betrokken werknemer die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, de laatsten voor zover de betrokken werknemer ten behoeve van deze pleegkinderen kindertoelage geniet;
   c.de overige kinderen tot wie de betrokken werknemer in familierechtelijke betrekking staat, de overige stief- en pleegkinderen van de betrokken werknemer, voor zover de betrokken werknemer ten behoeve van deze kinderen kinder-toelage geniet;
inkomen:het loon van de werknemer, verhoogd met eventuele kindertoelage, toelagen van vaste aard, compensatietoeslag krachtens de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering, vaste vergoedingen voor overwerk, voor dienst op zon- en feestdagen of voor onregelmatige dienst.
   Voor de berekening van de vakantie-uitkering bedoeld in hoofdstuk III wordt de compensatietoeslag hiervoor bedoeld niet als deel van het inkomen aangemerkt.

HOOFDSTUK II Vakantie

Artikel 4
  • 1. De werknemer heeft per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van vol inkomen, op de voorwaarden en met inachtneming van de regelen gesteld in dit hoofdstuk. Hij is gerechtigd zijn vakantie geheel of gedeeltelijk in het buitenland door te brengen.

  • 2. De vakantie bedoeld in het eerste lid, wordt aan de werknemer op zijn daartoe strekkend verzoek aaneengesloten verleend door de bevoegde autoriteit.

  • 3. Wanneer de werknemer dit verzoekt en de dienst het toelaat, kan in een kalenderjaar ten hoogste de helft van het aantal vakantieuren waarop de werknemer per kalenderjaar aanspraak heeft gesplitst worden verleend. Door of namens de Minister en door of namens een Bestuurscollege kan voor een bepaalde dienst of een bepaald dienstvak of bedrijf het minimum-aantal aaneengesloten uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantieuren kan worden toegekend. Dit aantal mag niet hoger gesteld worden dan het voor een werknemer volgens de voor hem geldende werktijd op één dag vastgestelde aantal werkuren.

  • 4. Omtrent de tijdstippen, waarop de vakantie zal ingaan, alsmede omtrent de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist de bevoegde autoriteit.

  • 5. Bij het nemen van de beslissing bedoeld in het vorige lid, wordt met inachtneming van de belangen van de dienst zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de werknemer, waartoe deze kenbaar maakt, wanneer hij bij voorkeur de hem toekomende vakantie wenst te genieten.

Artikel 5
  • 1. Voorzover aan de werknemer in een kalenderjaar het hem volgens dit hoofdstuk toekomende aantal vakantieuren niet is verleend, wordt hem de niet genoten vakantie in het daaropvolgend kalenderjaar aaneengesloten verleend. De vakantie van het voorgaande jaar en de vakantie van het lopende jaar worden aaneengesloten genoten, tenzij de werknemer te kennen geeft laatstbedoelde vakantie in het daarop volgende kalenderjaar te willen opnemen. Artikel 4 lid 3 blijft in dit laatste geval onverminderd van toepassing.

    Vakantie over meer dan twee kalenderjaren kan niet aaneengesloten worden verleend.

  • 2. Behoudens het bepaalde in artikel 6 verliest de werknemer zijn aanspraak op het door hem niet genoten aantal vakantieuren betrekking hebbende op het kalenderjaar voorafgaande aan het afgelopen kalenderjaar.

Artikel 6
  • 1. De in dit hoofdstuk bedoelde vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken bij gemotiveerde beschikking van de bevoegde autoriteit.

  • 2. Indien de vakantie krachtens het vorige lid geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken behoudt de werknemer zijn aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantieuren. Weigering of intrekking kan voor ten hoogste 12 maanden uitstel van de desbetreffende vakantie tot gevolg hebben. Behalve in het geval dat de dienstverhouding tot de overheid wegens ontslag eindigt, kan aan de werknemer in enig kalenderjaar nimmer een langere vakantie worden verleend dan tweemaal het hem volgens artikel 7 toekomende aantal vakantieuren .

  • 3. In geval van intrekking van de vakantie zoals bedoeld in het voorgaande lid wordt, indien de werknemer als gevolg daarvan van de hem op een bepaalde dag toegekende vakantieuren er een deel niet heeft kunnen genieten, geen van de op die dag vallende vakantieuren als zodanig aangemerkt. In het geval de werknemer zijn vakantie doorbrengt buiten het eiland waar hij werkzaam is, wordt hem, indien hij op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheden hervat minder dan 3/4 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hij buiten het eiland waar hij werkzaam is zou doorbrengen heeft genoten, bovendien vergoed de door hem voor zich en zijn gezin gemaakte reiskosten naar de plaats waar hij op het tijdstip van de intrekking met vakantie vertoeft, vermeerderd met een vergoeding van de door hem gemaakte kosten van een rechtstreekse reis van die plaats naar het eiland waar hij werkzaam is.

Artikel 7
  • 1. De werknemer heeft per kalenderjaar aanspraak op 152 werkuren vakantie.

  • 2. Aan de werknemer die ingevolge het voor hem geldende werkrooster avond- en/of nachtdienst en dienst op zon- en feestdagen moet verrichten wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 176 werkuren vakantie verleend.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid geldt de categorie waartoe de werknemer op 1 januari van het kalenderjaar, waarover hij aanspraak op vakantie kan doen gelden behoort, of ingeval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, de categorie waartoe hij behoort op het tijdstip van indiensttreding.

  • 4. Voor een werknemer voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd, wordt het ingevolge het eerste tot en met derde lid van toepassing zijnde aantal vakantieuren vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor die werknemer geldende werktijd en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie geldende gebruikelijke volledige werktijd.

  • 5. Indien gedurende een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor een werknemer geldende werktijd, wordt het aantal vakantieuren waarop de werknemer gedurende dat jaar aanspraak heeft, bepaald door het aantal vakantieuren voor elk tijdvak van het kalenderjaar waarin de voor de werknemer geldende werktijd gelijk is, afzonderlijk te berekenen en hiervan de som te bepalen. Het aantal vakantieuren waarop de werknemer gedurende elk tijdvak van het kalenderjaar aanspraak heeft, wordt berekend door het aantal maanden dat dat tijdvak heeft geduurd, te delen door 12 en het quotiënt te vermenigvuldigen met het aantal vakantieuren waarop de werknemer aanspraak zou hebben als het tijdvak een vol kalenderjaar zou hebben gevormd.

  • 6. Het aantal uren waarvoor ingevolge dit artikel aanspraak op vakantie bestaat, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.

Artikel 8
  • 1. Indien een werknemer tijdens zijn vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer dagen arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal hem verleende vakantieuren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt was, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten. Met inachtneming van de voor hem geldende bepalingen wordt hem voor de duur van zijn arbeidsongeschiktheid hetzij vrijstelling van dienst wegens ziekte verleend, hetzij ziekengeld uitgekeerd.

  • 2. Voor het aantal werkuren volgens de voor de werknemer geldende werktijd, waarop hij in verband met de toepassing van het eerste lid geen vakantie heeft genoten, wordt hem opnieuw vakantie verleend met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 9
  • 1. De aanspraken van de werknemer op vakantie worden in alle gevallen waarin de werknemer in een kalenderjaar dertig dagen of meer al dan niet aaneengesloten anders dan tengevolge van verleende vakantie, vrijstelling van dienst wegens ziekte, vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden met behoud van vol inkomen, wegens arbeidsongeschiktheid of vergoeding in vrije tijd wegens verricht overwerk, geen werkelijke dienst doet, verminderd naar reden van 1/12 gedeelte van het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren voor elk aantal van dertig dagen waarop hij geen werkelijke dienst heeft vervuld.

  • 2. Indien de tijd, gedurende welke de werknemer geen werkelijke dienst doet, zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekt, worden de aanspraken op vakantie bij toepassing van het vorige lid, over de desbetreffende kalenderjaren naar evenredigheid verminderd.

  • 3. Indien de vermindering bedoeld in het eerste lid niet kan worden toegepast omdat de aan de werknemer toekomende vakantie in het desbetreffende kalenderjaar reeds geheel is genoten of daarvoor niet toereikend is, geschiedt de vermindering of verdere vermindering in het eerstvolgende kalenderjaar.

  • 4. Het aantal uren, waarop de werknemer ingevolge dit artikel over enig kalenderjaar aanspraak blijft houden op vakantie, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.

Artikel 10
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de leden 2, 3, 4 en 5 van artikel 4 heeft de werknemer gedurende de eerste zes maanden na indiensttreding slechts aanspraak op vakantie naar reden van 1/12 gedeelte van het in artikel 7 vastgestelde aantal vakantieuren voor de categorie waartoe hij behoort en wel voor iedere volle kalendermaand, dat hij in genoemd tijdvak werkelijke dienst heeft vervuld.

  • 2. Het aantal uren, waarop ingevolge het voorgaande lid aanspraak op vakantie bestaat, wordt zo nodig naar beneden afgerond op hele uren.

Artikel 11
  • 1. Degene die onmiddellijk vóór zijn indiensttreding als werknemer in overheids-

    dienst werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel bedoeld in hoofdstuk III van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren (P.B. 1969, no. 44) of behorende tot het personeel van het gesubsidieerd bijzonder onderwijs, alsmede degene die bij een publiekrechtelijke instelling, dan wel bij een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon werkzaam was, behoudt bij zijn indiensttreding als werknemer aanspraak op het aantal door hem niet genoten vakantieuren waarop hij tot en met ultimo december van het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin zijn indiensttreding plaatsvindt aanspraak kon doen gelden overeenkomstig de voor hem vóór zijn indiensttreding als werknemer geldende voorschriften. De in de vorige zin bedoelde vakantie wordt hem verleend met inachtneming van de voorschriften van dit hoofdstuk.

  • 2. Indien de indiensttreding in het vorige lid bedoeld plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar kan de werknemer over dat kalenderjaar voor elk aantal van dertig dagen dat hij werkelijke dienst vervult aanspraak maken op:

    • a.

      over het gedeelte van dat kalenderjaar voorafgaande aan zijn indiensttreding: 1/12 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hem overeenkomstig de voor hem vóór zijn indiensttreding als werknemer geldende voorschriften toekwam;

    • b.

      over het gedeelte van dat kalenderjaar vanaf zijn indiensttreding: 1/12 gedeelte van het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren. Indien de indiensttreding plaatsvindt in de loop van een kalendermaand wordt deze voor de toepassing van het bepaalde onder b geacht te zijn ingegaan op de eerste van die maand. Het aantal dagen, waarop de werknemer ingevolge de berekening bedoeld onder a en b aanspraak kan doen gelden op vakantie, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren. De werknemer kan over bedoeld kalenderjaar op niet meer dan het hem ingevolge artikel 7 toekomende aantal vakantieuren aanspraak doen gelden.

Artikel 12

Het bepaalde in het vorige artikel is van overeenkomstige toepassing op:

  • a.

    de werknemer in dienst van de Nederlandse Antillen die in dienst van een eilandgebied overgaat;

  • b.

    de werknemer in dienst van een eilandgebied die in dienst van de Nederlandse Antillen overgaat;

  • c.

    de werknemer in dienst van een eilandgebied die in dienst van een ander eilandgebied overgaat;

  • d.

    degene die werkzaam is bij een publiekrechtelijke instelling, dan wel bij een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon en die in dienst van de Nederlandse Antillen of een eilandgebied overgaat.

Artikel 13

Degene behorende tot het onderwijzend personeel bedoeld in hoofdstuk III van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren (P.B. 1969, no. 44) alsmede degene behorende tot het personeel bij het gesubsidieerd bijzonder onderwijs die als werknemer in dienst treedt kan in dat kalenderjaar voor elk aantal van dertig dagen dat hij in laatstbedoelde hoedanigheid werkelijke dienst vervult aanspraak doen gelden op 1/12 gedeelte van het aantal vakantieuren dat hem ingevolge artikel 7 toekomt.

Indien de indiensttreding plaatsvindt in de loop van een kalendermaand wordt deze voor de toepassing van het bepaalde in de vorige zin geacht te zijn ingegaan op de eerste van die maand.

Het aantal uren, waarop de werknemer ingevolge de hiervoor bedoelde berekening aanspraak kan doen gelden op vakantie wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.

Artikel 14
  • 1. Indien de werknemer in enig kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt met dien verstande, dat uit dien hoofde in enig kalenderjaar de vakantie nimmer met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de werknemer ingevolge het bepaalde in artikel 7 over dat jaar toekomt, mag worden verminderd.

  • 3. Het bepaalde in het vierde lid van artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15
  • 1. Ter compensatie van de door de werknemer bij zijn overlijden niet genoten of gedeeltelijk niet genoten vakantie, wordt door de overheid aan de weduwe of weduwnaar een geldsbedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag dat aan de werknemer aan inkomen zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie, indien de vakantie zou zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal niet genoten vakantieuren vindt artikel 9 geen toepassing.

  • 2. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters, overige kinderen of stiefkinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3. Laat de overledene ook geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid na, dan wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.

HOOFDSTUK III Vakantie-uitkering

Artikel 16

De werknemer heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor elke kalendermaand, waarin hij als zodanig ten laste van de overheid inkomen heeft genoten.

Artikel 17
  • 1. De vakantie-uitkering bedraagt voor elke daarvoor in aanmerking komende kalendermaand zes ten honderd van het inkomen dat voor de werknemer geldt als maandinkomen op de eerste april van het jaar van uitbetaling, dan wel, bij indiensttreding in de loop van de maanden april, mei of juni van dat jaar, op de datum van indiensttreding.

  • 2. Voor de werknemer op weekloon, wordt het maandinkomen bepaald door het weekinkomen te vermenigvuldigen met 13 en het product te delen door 3; het alsdan verkregen bedrag wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in volle guldens.

Artikel 18
  • 1. Artikel 16 is niet van toepassing ten aanzien van een kalendermaand:

    • a.

      waarin de werknemer minder dan 15 dagen in dienstverhouding tot de overheid heeft gestaan;

    • b.

      waarin de werknemer tengevolge van aan hem verleende vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden voor langer dan 15 dagen geen of gedeeltelijk inkomen ten laste van de overheid heeft genoten;

    • c.

      waarin de werknemer over meer dan 15 dagen tengevolge van aan hem opgelegde disciplinaire straf of schorsing geen of gedeeltelijk inkomen ten laste van de overheid heeft genoten.

    • d.

      waarin de werknemer over meer dan 15 dagen wegens verzuim geen inkomen ten laste van de overheid heeft genoten.

  • 2. Ten aanzien van de werknemer voor wie de geldende werktijd korter is dan de gebruikelijke volledige werktijd wordt het getal 15, voorkomend in het voorgaande lid, telkens vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor die werknemer geldende werktijd en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie geldende gebruikelijke volledige werktijd.

Artikel 19
  • 1. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar, in de tweede helft van de maand juni, uitbetaald over de periode van twaalf maanden aangevangen met de maand juni van het voorafgegane kalenderjaar.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering ook plaats bij ontslag of overlijden van de werknemer - tenzij het ontslag zonder onderbreking door een nieuw dienstverband als werknemer bij dezelfde overheid wordt gevolgd - en wel over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatstverstreken periode waarover vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van het ontslag of het overlijden.

  • 3. Bij overlijden van de werknemer geschiedt de uitbetaling van de vakantie-uitkering aan de weduwe of weduwnaar.

  • 4. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters, overige kinderen of stiefkinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 5. Laat de overledene ook geen betrekkingen, als bedoeld in het vierde lid na, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.

  • 6. Bij toepassing van het tweede lid wordt het tijdstip van artikel 17 eerste lid vervangen door de datum, voorafgaande aan die van ingang van het ontslag of aan die van het overlijden.

Artikel 20

Ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld:

  • a.

    bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van de Nederlandse Antillen;

  • b.

    bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen voor werknemers in dienst van een eilandgebied.

HOOFDSTUK IV Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden

Artikel 21
  • 1. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de werknemer op zijn daartoe strekkend mondeling of schriftelijk verzoek door de bevoegde autoriteit vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, verleend:

    • I.
      • a.

        op de dag van zijn ondertrouw;

      • b.

        bij zijn huwelijk: vier werkdagen;

      • c.

        op de dag van het huwelijk van bloed- en aanverwanten in de eerste, tweede en derde graad;

      • d.

        bij bevalling van zijn echtgenote: twee werkdagen;

      • e.

        op de dag van zijn kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie en op die van zijn echtgenote, kinderen, stief- of pleegkinderen;

      • f.

        op de dag van herdenking van zijn 25-, 30-, 35- en 40-jarig dienstjubileum;

      • g.

        op de dag van herdenking van zijn 25- en 40-jarig huwelijksjubileum;

      • h.

        op de dag van herdenking van het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, schoon-, pleeg- of grootouders;

      • i.

        bij ernstige ziekte van zijn echtgenote, ouders, stief-, schoon- of pleegouders, kinderen, stief- of pleegkinderen: ten hoogste vijftien dagen; mocht blijken dat dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, dan kan artikel 25 toepassing vinden;

      • j.

        bij overlijden van echtgenote, ouders, stief-, schoon- of pleegouders, kinderen, stief- of pleegkinderen: twee werkdagen;

      • k.

        bij overlijden van grootouders, huisgenoten en bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad: één werkdag;

      • l.

        op de dag vóór en op de dag waarop examen ter verkrijging van een wettelijk erkend diploma wordt afgelegd.

    • II.
      • a.

        indien hij gehuwd is of een eigen huishouding heeft, bij verhuizing op het eiland waar hij zijn standplaats heeft: twee dagen, en in geval van verhuizing naar een ander eiland: twee dagen zowel vóór het vertrek naar als na aankomst op de nieuwe standplaats;

      • b.

        indien hij ongehuwd is en geen eigen huishouding heeft, bij verhuizing naar een ander eiland: één dag vóór het vertrek naar de nieuwe standplaats.

    • III.
      • a.

        voor het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges of commissies, waarin de werknemer is benoemd of aangewezen, en voor zover zulks niet in vrije tijd kan geschieden;

      • b.

        voor het voldoen aan een wettelijke verplichting, een en ander voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is.

  • 2. Aan de werknemer, die tot lid van een van de vertegenwoordigende lichamen in de Nederlandse Antillen is verkozen, wordt op zijn verzoek door de bevoegde autoriteit steeds vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen verleend voor het bijwonen van vergaderingen van deze lichamen, alsmede voor het maken van reizen in of buiten de Nederlandse Antillen in zijn hoedanigheid van lid van genoemde lichamen. Het bepaalde in dit artikellid is niet van toepassing op de werknemer op wie de bepalingen van de Non-activiteitslandsverordening van toepassing zijn.

  • 3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt jaarlijks op daartoe strekkend mondeling of schriftelijk verzoek van de werknemer door de bevoegde autoriteit ten hoogste vijftien dagen vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, verleend voor het bijwonen van vergaderingen van statutaire organen van verenigingen van werknemers in overheidsdienst, van centrale organisaties waarbij deze verenigingen zijn aangesloten of van internationale overheidswerknemers-organisaties, mits de werknemer hieraan deelneemt:

    • a.

      voor zover betreft vergaderingen van verenigingen van werknemers in overheidsdienst als bestuurslid van die vereniging dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een onderdeel daarvan;

    • b.

      voor zover betreft vergaderingen van centrale organisaties waarbij verenigingen van werknemers in overheidsdienst zijn aangesloten, als bestuurslid van die centrale organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van werknemers in overheidsdienst;

    • c.

      voor zover betreft vergaderingen van een internationale overheidswerknemersorganisatie als bestuurslid van deze organisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid van een bij die organisatie aangesloten vereniging van werknemers in overheidsdienst.

    De vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden in de vorige zin bedoeld, wordt slechts verleend aan werknemers, die lid zijn van verenigingen van werknemers in overheids-

    dienst, welke zijn vertegenwoordigd in een Commissie voor Georganiseerd Overleg in zaken overheidswerknemers betreffende.

Artikel 22

De dagen gedurende welke de werknemer de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, is ontzegd, anders dan wegens hinderlijke gedragingen of het gebruik van alcoholhoudende drank, worden als vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, aangemerkt.

Artikel 23
  • 1. Indien een persoon, die hetzelfde perceel bewoont als de werknemer of ten hoogste veertien dagen tevoren bewoond heeft, lijdende is aan cholera, difterie, gele koorts, pest, pokken (variolae en varioloïdes), roodvonk, febris typhoidea en para-typhus, vlektyphus, of aan een andere bij landsbesluit houdende algemene maatregelen aangewezen ziekte, waarop de algemene bepalingen der verordening, houdende bepalingen ter bestrijding van besmettelijke ziekten (P.B. 1921, no. 66) van toepassing zijn, is het de werknemer verboden aan de dienst deel te nemen. De werknemer is verplicht bij het waarnemen in het perceel van een ziekte als bedoeld, hiervan ten spoedigste kennis te geven aan het hoofd van dienst.

  • 2. Aan de werknemer kan door het hoofd van dienst in geval van ziekten, die voor de omgeving gevaar opleveren, de deelneming aan de dienst worden ontzegd.

  • 3. Het verbod tot deelneming aan de dienst houdt tevens in het verbod tot betreden van dienstlokalen of terreinen.

  • 4. De dagen gedurende welke het de werknemer overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is aan de dienst deel te nemen, worden als vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van vol inkomen, aangemerkt.

Artikel 24

Indien de werknemer op een dag waarop de overheidsdiensten voorzover de belangen van de dienst dit toelaten zijn gesloten, gehouden is dienst te verrichten binnen de vastgestelde werktijden dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, op die dag volgens rooster vrij van dienst is of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting is gehouden, geniet hij op een andere werkdag vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden. Al naar gelang hij op de dag waarop de overheidsdienst gesloten is gedurende langer dan vier uur onderscheidenlijk gedurende vier uur of korter dienst heeft verricht dan wel, in geheel of gedeeltelijk afwisselende dienst werkzaam zijnde, volgens rooster vrij van dienst is geweest of uit hoofde van ziekte of vakantie niet tot dienstverrichting was gehouden, wordt hem vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden verleend gedurende een aantal uren, overeenkomend met de gebruikelijke werktijd op een gehele, onderscheidenlijk een halve dag.

Artikel 25
  • 1. Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden kan bovendien op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de werknemer worden verleend in de gevallen waarin het in het tweede lid bedoelde gezag of de in dat lid bedoelde autoriteit oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste drie maanden en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.

  • 2. Indien de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel van langere duur is dan 15 dagen of voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland wordt verleend, wordt deze bij beschikking van het bevoegde gezag verleend. Indien de vrijstelling bedoeld in het eerste lid niet van langere duur is dan 15 dagen noch voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland wordt verleend, wordt deze door de bevoegde autoriteit verleend.

  • 3. Gedurende de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel heeft de werknemer aanspraak op zijn vol inkomen gedurende de eerste maand en naar reden van vijftig ten honderd van zijn vol inkomen, afgerond tot het naast hogere bedrag in volle guldens, gedurende elk der volgende twee maanden.

  • 4. De vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan, voor zover deze is verleend voor een langere duur dan 30 dagen en indien dringende redenen van dienstbelang zulks vorderen, worden ingekort tot minimaal 30 dagen, bij een met redenen omklede beschikking van het bevoegde gezag.

  • 5. Indien de werknemer tengevolge van de inkorting bedoeld in het voorgaande lid geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

  • 6. Voor zover de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel verleend is voor een langere duur dan 15 dagen of voor geheel of gedeeltelijk verblijf in het buitenland geschiedt herstel in activiteit na eindiging van de vrijstelling van dienst bij beschikking van het bevoegde gezag.

  • 7. Tijdens de vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ondergaat het inkomen van de werknemer dezelfde wijzigingen welke het zou hebben ondergaan indien deze vrijstelling van dienst niet zou zijn verleend.

Artikel 26
  • 1. Vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden kan ook zonder behoud van inkomen op daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de werknemer bij beschikking van het bevoegde gezag worden verleend in de gevallen waarin dit gezag oordeelt dat daartoe aanleiding bestaat. Deze vrijstelling van dienst wordt verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren en kan geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.

  • 2. De vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan, voor zover deze is verleend voor een langere duur dan drie maanden en indien dringende redenen van dienstbelang zulks vorderen, worden ingekort tot minimaal drie maanden bij een met redenen omklede beschikking van het bevoegde gezag.

  • 3. Indien de werknemer tengevolge van de inkorting bedoeld in het voorgaande lid geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

  • 4. Herstel in activiteit na eindiging van de vrijstelling van dienst bedoeld in het eerste lid geschiedt bij beschikking van het bevoegde gezag.

HOOFDSTUK V

§ 1. Vrijstelling van dienst wegens ziekte en andere aanspraken terzake ziekte of ongeval van de werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig is goedgekeurd en tenminste een jaar in dienst is.
Artikel 27
  • 1. De werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig is goedgekeurd en tenminste een jaar in dienst is en die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, heeft tot herstel van zijn gezondheid aanspraak op vrijstelling van dienst wegens ziekte.

  • 2. De duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte, verlenging daarvan inbegrepen, is ten hoogste vier jaren.

  • 3. De aanvankelijke duur van een vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt gesteld op ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan met inachtneming van het bepaalde in het vorige lid, telkens met ten hoogste zes maanden worden verlengd.

  • 4. Gedurende een vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de werknemer aanspraak op een inkomen naar reden van:

    • a.

      zijn vol inkomen gedurende de eerste vierentwintig maanden;

    • b.

      negentig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;

    • c.

      tachtig ten honderd van zijn vol inkomen gedurende de resterende maanden.

  • 5. Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de werknemer zijn dienst volledig heeft hervat.

  • 6. Het inkomen bedoeld onder lid 4, letters b en c, wordt naar boven afgerond tot het naaste bedrag in volle guldens.

  • 7. Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat het inkomen van de werknemer dezelfde wijzigingen, welke het zou hebben ondergaan indien de werknemer niet verhinderd zou zijn geweest zijn dienst uit te oefenen.

Artikel 28

Geen aanspraak op doorbetaling van inkomen bestaat:

  • a.

    indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat verhindering tot dienstverrichting niet kan worden aangenomen;

  • b.

    indien de werknemer de verhindering tot dienstverrichting opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

  • c.

    indien het ziekteverzuim is veroorzaakt door of het gevolg is van een kwaal of lichaamsgebrek, waarover de werknemer bij of vóór zijn indiensttreding opzettelijk het stilzwijgen heeft bewaard of waaromtrent hij opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven.

Artikel 29
  • 1. De doorbetaling van inkomen wordt gestaakt, wanneer en voor zolang de werknemer:

    • a.

      weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • b.

      zonder voldoende gronden nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

    • c.

      zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • d.

      tijdens de verhindering om dienst te verrichten voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de geneeskundige commissie, de aangewezen geneeskundige dan wel een of meer geneeskundigen bedoeld in artikel 32 leden vier, vijf en zes, in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht;

    • e.

      in gebreke blijft op het door de geneeskundige commissie, de aangewezen geneeskundige dan wel een of meer geneeskundigen als bedoeld in artikel 32 leden vier, vijf en zes, bepaalde tijdstip en in de door bedoelde geneeskundige commissie of geneeskundige(n) bepaalde mate zijn dienst te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door bedoelde geneeskundige commissie of geneeskundige(n) als geldig erkende reden heeft opgegeven.

    De in dit lid bedoelde aanspraak vervalt met ingang van de dag, waarop de reden daarvoor voor het eerst aanwezig was.

  • 2. De doorbetaling van inkomen kan geheel of ten dele worden gestaakt, indien de werknemer de controlevoorschriften overtreedt, die zijn vastgesteld:

    • a.

      bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van de Nederlandse Antillen;

    • b.

      bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van een eilandgebied.

Artikel 30

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 28 en 29 kan het bevoegde gezag op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat het bedrag van het ingehouden inkomen geheel of ten dele aan anderen dan aan de werknemer zal worden uitbetaald.

Artikel 31
  • 1. Vrijstelling van dienst wegens ziekte wordt, behoudens het bepaalde in het tweede lid, door de bevoegde autoriteit verleend. Deze vrijstelling van dienst kan, onverminderd het bepaalde in artikel 33 met schriftelijke toestemming van het bevoegde gezag geheel of gedeeltelijk in het buitenland worden doorgebracht.

  • 2. Vrijstelling van dienst wegens ziekte voor verblijf in het buitenland als bedoeld in artikel 33 wordt bij beschikking van het bevoegde gezag verleend.

Artikel 32
  • 1. De werknemer die wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de bevoegde autoriteit.

  • 2. De bevoegde autoriteit kan van de werknemer overlegging van een geneeskundige verklaring vorderen of hem door een geneeskundige laten onderzoeken.

  • 3. Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan drie achtereenvolgende dagen, is overlegging van een geneeskundige verklaring door de werknemer verplicht.

  • 4. Vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of verlenging daarvan waardoor deze vrijstelling van dienst van langere duur wordt dan dertig dagen, wordt door de bevoegde autoriteit slechts verleend indien uit een schriftelijke verklaring afgegeven door een door het bevoegde gezag benoemde commissie, bestaande uit tenminste drie geneeskundigen, blijkt, dat de betrokken werknemer wegens ziekte verhinderd is zijn dienst uit te oefenen. In de door deze commissie afgegeven verklaring wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel 27, lid 3, het tijdvak aangegeven waarin de werknemer vermoedelijk zijn dienst niet zal kunnen uitoefenen. Indien verblijf in het buitenland noodzakelijk blijkt, wordt tevens hiervan, met vermelding van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis moet worden volbracht mededeling gedaan.

  • 5. Vrijstelling van dienst wegens ziekte als bedoeld in de aanhef van het vorige lid kan, in afwijking van het bepaalde in dat lid, worden verleend op grond van een verklaring afgegeven door een door het bevoegde gezag aangewezen geneeskundige in dienst van de overheid.

  • 6. Indien een werknemer als zodanig of in verband met het bekleden van een functie bedoeld in artikel 21, lid 1 onder III. a of artikel 21, lid 2, in het buitenland vertoeft, kan, in afwijking van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, vrijstelling van dienst wegens ziekte of verlenging daarvan worden verleend:

    • a.

      indien de desbetreffende werknemer zich in Noord-, Midden-, of Zuid-Amerika bevindt of in een ander werelddeel dan Europa, op grond van een schriftelijke verklaring afgegeven door een of meer door of vanwege de Gouverneur aangewezen geneeskundige(n);

    • b.

      indien de desbetreffende werknemer zich in Europa bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring afgegeven door een of meer of vanwege de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen aangewezen geneeskundige(n).

Artikel 33

[vervallen]

Artikel 34
  • 1. Van een uitspraak krachtens artikel 32, vierde, vijfde of zesde lid of krachtens artikel 36, eerste lid, staat, binnen 30 dagen nadat de werknemer van de uitspraak schriftelijk in kennis is gesteld, beroep open bij een herkeuringscommissie, bestaande uit tenminste drie geneeskundigen. Een van deze geneeskundigen wordt aangewezen door de betrokken werknemer.

  • 2. Het krachtens het eerste lid in te dienen beroepschrift wordt aangeboden aan het gezag of de autoriteit die ingevolge het vierde lid de herkeuringscommissie moet benoemen. Het beroepschrift vermeldt tevens de naam en het adres van de geneeskundige die door de betrokken werknemer voor benoeming in de herkeuringscommissie is aangewezen.

  • 3. De leden van de herkeuringscommissie mogen niet bij een uitspraak, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, betrokken zijn geweest.

  • 4. De leden van de herkeuringscommissie worden benoemd:

    • a.

      door het bevoegde gezag indien de werknemer zich in de Nederlandse Antillen bevindt;

    • b.

      door of vanwege de Gouverneur, indien de werknemer zich in Noord-, Midden-, of Zuid-Amerika bevindt of in een ander werelddeel dan Europa;

    • c.

      door of vanwege de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen in Nederland, indien de werknemer zich in Europa bevindt.

Artikel 35
  • 1. De werknemer kan aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst worden onderworpen ter beoordeling van de vraag:

    • a.

      of er sprake is van verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte;

    • b.

      of zich een omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 28 of in artikel 29 eerste lid, onder b of c;

    • c.

      of verdere maatregelen in het belang van het herstel nodig zijn;

    • d.

      wanneer en in welke mate de dienst kan worden hervat.

  • 2. De vanwege de dienst optredende geneeskundige commissie of geneeskundige(n) deelt het oordeel terstond mede aan de werknemer en stelt het gezag dat of de autoriteit die het onderzoek aanvroeg, daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 36
  • 1. De werknemer aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend van drie maanden of meer, mag de uitoefening van zijn dienst niet hervatten, dan nadat uit een verklaring van de geneeskundige commissie bedoeld in artikel 32, lid 4 of van een of meer geneeskundige(n) als bedoeld in artikel 32, lid 6, dan wel, indien aan de werknemer vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend ingevolge een verklaring van de geneeskundige als bedoeld in artikel 32, lid 5 uit een door deze afgegeven verklaring blijkt, dat de betrokken werknemer is onderzocht en in staat is bevonden tot hervatting van zijn dienstuitoefening.

  • 2. De werknemer die aan het einde van een tot de maximumduur genoemd in artikel 27 verlengde vrijstelling van dienst wegens ziekte volgens een verklaring afgegeven door de geneeskundige commissie of een of meer geneeskundige(n) als bedoeld in het vorige lid, dan wel de geneeskundige als bedoeld in artikel 32, lid 5, niet geschikt is bevonden om zijn dienstuitoefening te hervatten, wordt, behoudens het bepaalde in het volgende lid, eervol ontslag uit de overheidsdienst verleend.

  • 3. Indien de geneeskundige commissie of een of meer geneeskundige(n) als bedoeld in het eerste lid, dan wel de geneeskundige als bedoeld in artikel 32, lid 5, van oordeel is dat hervatting van de dienstuitoefening door de betrokken werknemer niet mogelijk is wegens een opgekomen ziekte van voorbijgaande aard, wordt hem voor de duur van de ziekte vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden met behoud van zeventig ten honderd van zijn vol inkomen verleend.

Artikel 37

Na eindiging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of van een vrijstelling van dienst wegens ziekte voor verblijf in het buitenland, is herstel in activiteit bij beschikking vereist. Deze inactiviteitherstelling door de instantie die deze vrijstelling van dienst heeft verleend.

Artikel 38

Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) een lichamelijk letsel heeft bekomen waardoor hij blijvend gedeeltelijk invalide is geworden en die, indien de landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) op hem van toepassing was krachtens deze landsverordening een uitkering ineens zou hebben ontvangen, zal door de overheid een uitkering worden toegekend gelijk aan die welke door de Sociale Verzekeringsbank aan de werknemer zou zijn toegekend indien de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) op hem van toepassing was.

Artikel 39
  • 1. Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) blijvend algeheel invalide wordt, wordt een uitkering toegekend.

  • 2. Indien een werknemer tengevolge van een ongeval als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) overlijdt, wordt aan zijn nagelaten betrekkingen als bedoeld in artikel 9, lid 3 of lid 4 van deze Landsverordening een uitkering toegekend.

  • 3. Het bedrag van de uitkeringen bedoeld in het eerste en tweede lid wordt vastgesteld:

    • a.

      bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van de Nederlandse Antillen;

    • b.

      bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen, voor werknemers in dienst van een eilandgebied.

Artikel 40
  • 1. Aan de werknemer die door een ongeval als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering blijvend algeheel invalide wordt en die geen recht op pensioen kan doen gelden als bedoeld in de Werkliedenverordening 1944, wordt door de overheid een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat de werknemer aan pensioen zou hebben ontvangen indien de desbetreffende voorschriften van de Werkliedenverordening 1944 op hem van toepassing waren.

  • 2. Indien de werknemer bedoeld in het eerste lid komt te overlijden, wordt door de overheid aan zijn weduwe en wezen een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat zij aan pensioen zouden hebben ontvangen indien de desbetreffende bepalingen van de Werkliedenverordening 1944 op hen van toepassing waren.

  • 3. Aan de weduwe en wezen van de werknemer die tengevolge van een ongeval als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) overlijdt en die geen recht op pensioen kunnen doen gelden als bedoeld in de Werkliedenverordening 1944 wordt door de overheid een uitkering bij wijze van pensioen toegekend tot het bedrag dat de weduwe en wezen aan pensioen zouden hebben ontvangen indien de desbetreffende voorschriften van de Werkliedenverordening 1944 op hen van toepassing waren.

Artikel 41
  • 1. Aan de gewezen werknemer wiens dienstverband is geëindigd tijdens de verhindering om arbeid te verrichten door ziekte anders dan bedoeld in het volgende lid, doch vóór het verstrijken van een tijdvak van 12 maanden sedert de aanvang van de verhindering, wordt voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk tot het tijdstip van eindiging van voormeld tijdvak van 12 maanden, een uitkering toegekend overeenkomende met het inkomen dat hij gedurende vrijstelling van dienst wegens ziekte zou hebben genoten indien zijn dienstverband niet was geëindigd.

  • 2. Aan de gewezen werknemer wiens dienstverband is geëindigd tijdens de verhindering om arbeid te verrichten door ziekte of gebreken, welke ontstaan zijn in en door de uitoefening van de dienst en niet aan de schuld of grove nalatigheid van de betrokken werknemer zijn te wijten doch vóór het verstrijken van een tijdvak van 48 maanden sedert de aanvang van de verhindering, wordt voor de verdere duur van de arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk tot het tijdstip van eindiging van voormeld tijdvak van 48 maanden, een uitkering toegekend overeenkomende met het inkomen dat hij gedurende vrijstelling van dienst wegens ziekte zou hebben genoten indien zijn dienstverband niet was geëindigd.

  • 3. De arbeidsongeschiktheid bedoeld in de leden 1 en 2 dient te blijken uit een verklaring van de geneeskundige commissie, de aangewezen geneeskundige dan wel een of meer geneeskundigen als bedoeld in artikel 32, leden 4, 5 en 6.

  • 4. Op de uitkeringen, welke krachtens de leden 1 en 2 worden genoten, worden eventuele uitkeringen aan pensioen ten laste van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen of het Werkliedenpensioenfonds, dan wel uitkeringen of onderstanden bij wijze van pensioen ten laste van de overheid, vermeerderd met de daarop komende duurtetoeslag en kindertoelage, in mindering gebracht.

  • 5. Het bepaalde in de Regeling vergoeding behandelings- en verplegingskosten overheidsdienaren (P.B. 1986, no. 165) is, gedurende de tijd dat de in de vorige leden bedoelde uitkeringen worden genoten en voorts ingeval van een ongeval in de zin van de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) zolang de gevolgen van het ongeval dit noodzakelijk maken, van overeenkomstige toepassing op de hiervoor bedoelde gewezen werknemers.

Artikel 42

[vervallen]

Artikel 43

De werknemer die bij indienstneming niet geneeskundig werd onderzocht en op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening een jaar of langer in dienst is, wordt voor de toepassing van deze paragraaf geacht geneeskundig te zijn goedgekeurd.

§ 2. Aanspraken ingeval van ziekte van andere werknemer dan die bedoeld in paragraaf 1.
Artikel 44

De Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) en de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften zijn op de werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden geneeskundig is goedgekeurd doch korter dan een jaar in dienst is en op de werknemer die voor de door hem te verrichten werkzaamheden niet geneeskundig is goedgekeurd van toepassing met dien verstande dat de betrokkene bij algehele arbeidsongeschiktheid recht kan doen gelden op het navolgende:

  • I.

    Ziekengeld:

    • a.

      indien hij gehuwd is of ongehuwd en kostwinner:

      • -

        gedurende de eerste zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 100% van het inkomen;

      • -

        gedurende de daaropvolgende zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 85% van het inkomen;

    • b.

      indien hij ongehuwd en geen kostwinner is:

      • -

        gedurende de eerste zesentwintig weken: bij huisverpleging 100% van het inkomen en bij ziekenhuisverpleging 85% van het inkomen;

      • -

        gedurende de daaropvolgende zesentwintig weken: bij huisverpleging en bij ziekenhuisverpleging 70% van het inkomen.

  • II.

    Ongevallengeld:

    • -

      gedurende de eerste eenhonderdvier weken 100% van het inkomen;

    • -

      gedurende de daaropvolgende tweeënvijftig weken 90% van het inkomen;

    • -

      gedurende de resterende tweeënvijftig weken 80% van het inkomen.

Artikel 45

De artikelen 39 en 40 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werknemer bedoeld in deze paragraaf.

HOOFDSTUK VI Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 46
  • 1. Deze landsverordening kan worden aangehaald als "Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Werknemers".

  • 2. Zij treedt in werking met ingang van 16 juli 1971.

  • 3. [wijzigt de Werkliedenverordening 1944]

  • 4. De Vakantieregeling 1949 (P.B. 1968, no. 112) houdt op te gelden voor de werknemer bedoeld in artikel 1 onder b:

    • a.

      indien deze werknemer niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening;

    • b.

      indien deze werknemer wel van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt:

      • 1.

        gerekend vanaf het tijdstip bedoeld in het vijfde lid van artikel 47 ingaande hetwelk waarop hij na genoten verlof in activiteit is hersteld;

      • 2.

        gerekend vanaf het tijdstip dat de werknemer overeenkomstig het eerste lid van artikel 49 afstand heeft gedaan.

  • 5. De Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) en de Landsverordening Ongevallenverzekering (P.B. 1966, no. 14) houden op te gelden voor de werknemer bedoeld in artikel 1 onder b:

    • a.

      indien deze werknemer niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt en mits de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening op deze werknemer van toepassing worden, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening;

    • b.

      indien deze werknemer wel van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt:

  • 1. gerekend vanaf het tijdstip bedoeld in het vijfde lid van artikel 47 ingaande hetwelk waarop hij na genoten verlof in activiteit is hersteld en mits op dat tijdstip de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening op deze werknemer van toepassing worden;

  • 2. gerekend vanaf het tijdstip dat de werknemer overeenkomstig het eerste lid van artikel 49 afstand heeft gedaan en mits op dat tijdstip de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening op deze werknemer van toepassing worden.

Artikel 47
  • 1. De werknemer die vóór de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening in dienst is, is evenwel bevoegd vóór 16 augustus 1971 schriftelijk mededeling te doen aan het bevoegde gezag dat hij nog éénmaal gebruik wil maken van de aanspraak op zes weken verlof met behoud van zijn gewoon loon na zes jaren onafgebroken dienst.

  • 2. Indien de werknemer van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik maakt, blijven de vóór de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening voor hem gegolden hebbende regelingen en/of voorschriften met betrekking tot jaarlijks vakantieverlof, buitengewoon verlof, verlof zonder behoud van loon, ziekteverlof, ziekteverlofsuitkering, tegemoetkoming bij arbeidsongeschiktheid, verlof en persoonlijk recht op vrije geneeskundige en heelkundige behandeling op hem van toepassing en wel:

    • a.

      tot de eerste van de kalendermaand volgende op die waarin het door hem genoten verlof als bedoeld in het eerste lid eindigt,

      danwel

    • b.

      tot de eerste van de kalendermaand volgende op die waarin hij alsnog aan het bevoegde gezag schriftelijk verzoekt onder de werking van deze landsverordening te vallen.

  • 3. Een verlof van zes weken dat is aangevangen vóór de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening en eindigt op of na deze datum wordt niet aangemerkt als een verlof als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. De werknemer bedoeld in het eerste lid wiens zes weken verlof in het belang van de dienst is uitgesteld, kan, na genot van het uitgesteld verlof zowel wanneer dit uitgesteld verlof aanvangt vóór en eindigt op of na de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening als wanneer dat verlof aanvangt op of na de datum van inwerkingtreding van deze landsverordening, nog éénmaal aanspraak doen gelden op zes weken verlof als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Met ingang van het tijdstip waarop de werknemer bedoeld in het eerste lid in activiteit is hersteld, nadat hij zes weken verlof waarop hij overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden nog éénmaal aanspraak kan doen gelden, heeft genoten, beginnen de bepalingen van de hoofdstukken I tot en met IV en hoofdstuk V paragraaf 1 of paragraaf 2 van deze landsverordening voor hem te gelden. Indien het tijdstip van inactiviteitherstelling niet valt op de eerste dag van een kalendermaand, beginnen de bepalingen van bedoelde hoofdstukken van deze landsverordening voor hem te gelden met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij in activiteit is hersteld. Het tijdstip van inactiviteitherstelling alsmede het tijdstip waarop de bepalingen van bedoelde hoofdstukken van deze landsverordening beginnen te gelden voor de betrokken werknemer wordt bij beschikking van het bevoegde gezag vastgelegd. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werknemer, die nadat hij de in het eerste lid van dit artikel bedoelde keuze heeft gedaan, op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 49 alsnog schriftelijk verzoekt onder de werking van deze landsverordening te vallen.

  • 6. Een aangevraagd verlof van zes weken als bedoeld in het eerste lid, kan bij beschikking van het bevoegde gezag wegens dringende redenen van dienstbelang ten hoogste 12 maanden worden uitgesteld. Voor elke volle maand dat het verlof is uitgesteld, geniet de werknemer een uitkering overeenkomende met vijf ten honderd van zijn maandelijks inkomen geldende op de eerste januari van het jaar waarin de uitkering plaatsvindt. Voor zover deze werknemer aanspraak kan doen gelden op jaarlijkse vakantie, kan hij tevens voor elke volle maand dat het verlof is uitgesteld aanspraak doen gelden op 1/12 gedeelte van het aantal vakantiedagen waarop hij met toepassing van artikel 7 aanspraak zou hebben kunnen doen gelden. Het aantal vakantiedagen dat hem op grond van de vorige zin toekomt wordt naar boven afgerond op hele dagen en wordt hem verleend met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk II. De uitbetaling van het geldsbedrag dat de werknemer op grond van dit lid toekomt, vindt krachtens beschikking van het bevoegde gezag plaats nadat het uitstel is geëindigd.

Artikel 48
  • 1. Aan de werknemer die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt en die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening krachtens de Werkliedenverordening 1944 (P.B. 1963, no. 66) of de Vakantieregeling 1949 (P.B. 1968, no. 112) nog aanspraak zou hebben kunnen doen gelden op vakantie over het kalenderjaar voorafgaande aan dat waarin bedoeld tijdstip valt, wordt de niet genoten vakantie verleend in het kalenderjaar waarin deze landsverordening in werking treedt.

  • 2. Over het kalenderjaar waarin deze landsverordening in werking treedt kan de in het eerste lid bedoelde werknemer aanspraak doen gelden op ten hoogste het aantal vakantiedagen dat hem overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze landsverordening toekomt. Het aantal werkdagen waarop de werknemer over het kalenderjaar waarin deze landsverordening in werking treedt aanspraak kan doen gelden op vakantie op grond van daarvóór voor hem gegolden hebbende bepalingen, wordt geacht te zijn begrepen in het maximum aantal vakantiedagen bedoeld in de vorige zin. Het aantal werkdagen gedurende welke de werknemer op grond van de Werkliedenverordening 1944 of van de Vakantieregeling 1949 vakantie heeft genoten over het kalenderjaar waarin deze landsverordening in werking treedt, wordt in mindering gebracht van het aantal vakantiedagen dat hem overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van deze landsverordening toekomt.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde werknemer die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening nog geen vol jaar onafgebroken in dienst is en eerst na volbrenging daarvan krachtens de Vakantieregeling 1949 aanspraak kan maken op een vakantie van tenminste twaalf werkdagen zal:

    • a.

      op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening aanspraak kunnen doen gelden op één werkdag vakantie voor elke volle maand dat hij onafgebroken in dienst was in het kalenderjaar voorafgaande aan dat waarin bedoeld tijdstip valt;

    • b.

      in het kalenderjaar waarin deze landsverordening in werking treedt aanspraak kunnen doen gelden op vakantie overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van deze landsverordening.

  • 4. Indien de werknemer, bedoeld in artikel 1 letter a, die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt, op het tijdstip waarop deze landsverordening in werking treedt in het genot is van ziekteverlof krachtens de Werkliedenverordening 1944 (P.B. 1963, no. 66), wordt hij gerekend vanaf dat tijdstip geacht voor de verdere duur van dat ziekteverlof in het genot te zijn van vrijstelling van dienst wegens ziekte overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening.

    De tijd gedurende welke de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop deze landsverordening in werking treedt aaneengesloten in het genot van ziekteverlof is geweest wordt mede in aanmerking genomen voor de bepaling van de totale duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte waarop de werknemer ingevolge de bepalingen en paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening aanspraak kan doen gelden.

  • 5. Indien de werknemer bedoeld in artikel 1 letter b op wie de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk V vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening van toepassing zijn, op dat tijdstip arbeidsongeschikt is, wordt hij gerekend vanaf dat tijdstip geacht voor de verdere duur der arbeidsongeschiktheid in het genot te zijn van vrijstelling van dienst wegens ziekte overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening. De tijd gedurende welke de bedoelde werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het in de vorige zin bedoelde tijdstip aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest wordt mede in aanmerking genomen voor de bepaling van de totale duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte waarop de bedoelde werknemer ingevolge de bepalingen van paragraaf 1 van hoofdstuk V van deze landsverordening aanspraak kan doen gelden.

Artikel 49
  • 1. De werknemer bedoeld in artikel 47 is te allen tijde bevoegd door een daartoe strekkend verzoekschrift aan het bevoegde gezag, van zijn aanspraak op nog éénmaal zes weken verlof neergelegd in genoemd artikel afstand te doen. In dit verzoekschrift dient het tijdstip te worden aangegeven met ingang waarvan de werknemer van die aanspraak afstand wenst te doen. Dit tijdstip mag niet vallen binnen een periode waarin zes weken verlof, als bedoeld in het vierde lid van artikel 47 wordt genoten en dient samen te vallen met de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin het hiervoor bedoelde verzoekschrift is ingediend.

  • 2. De regelingen en/of voorschriften welke vóór de inwerkingtreding van deze landsverordening met betrekking tot jaarlijks vakantieverlof, buitengewoon verlof, verlof zonder behoud van loon, ziekteverlof, ziekteverlofsuitkering, tegemoetkoming bij arbeidsongeschiktheid, verlof en persoonlijk recht op vrije geneeskundige en heelkundige behandeling op de werknemer die afstand heeft gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van toepassing waren, houden op voor hem te gelden met ingang van het tijdstip bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Artikel 48 is van overeenkomstige toepassing op de werknemer die afstand heeft gedaan volgens het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 50
  • 1. Voor de werknemer die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt wordt de vakantie-uitkering voor de eerste maal berekend over het tijdvak 1 januari 1970 tot en met 30 juni 1971 en wordt deze in de tweede helft van de maand juli 1971 uitbetaald.

  • 2. Voor de werknemer die van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt wordt de vakantie-uitkering voor de eerste maal berekend over het tijdvak gelegen tussen de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop hij onder de werking van deze landsverordening valt en de eerste dag van de maand waarin de vakantie-uitkering wordt uitbetaald.

Artikel 51
  • 1. Aan de werknemer die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt wordt een geldsbedrag uitgekeerd overeenkomende met een week gewoon loon voor elk vol jaar onafgebroken dienst dat meetelt voor de berekening van de diensttijd vereist voor het verkrijgen van aanspraak op een verlof van zes weken als bedoeld in het eerste lid van artikel 47, tot een totaal van ten hoogste zes weken loon.

  • 2. Voor zover de werknemer bedoeld in het eerste lid op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening een uitgesteld verlof van zes weken niet heeft genoten, wordt het geldsbedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met een week loon als bedoeld in het vorige lid voor elk vol jaar waarmede zijn verlof in het belang van de dienst werd uitgesteld.

  • 3. Voor de berekening van het geldsbedrag, bedoeld in de voorgaande leden, geldt als maatstaf het loon bedoeld in het eerste lid dat de werknemer geniet op de datum dat deze landsverordening in werking treedt.

  • 4. Aan de werknemer die van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt, doch die daarna afstand doet overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 49, wordt met inachtneming van het bepaalde in de vorige leden een geldsbedrag uitgekeerd. Voor de berekening van dat geldsbedrag geldt evenwel als maatstaf het loon dat de werknemer geniet op de datum dat hij afstand heeft gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 49.

Artikel 52
  • 1. Het in artikel 51 bedoelde geldsbedrag wordt afhankelijk van de keuze van de werknemer uitgekeerd, òf in zijn geheel bij eindiging van zijn dienstverhouding tot de overheid òf in achtereenvolgende jaarlijkse termijnen overeenkomende met een weekloon als aangegeven in artikel 51.

  • 2. De uitbetaling van de jaarlijkse termijnen bedoeld in het eerste lid geschiedt in de tweede helft van de maand juli en wel voor de werknemer die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt voor de eerste maal uiterlijk in de tweede helft van de maand september van het jaar 1971 en voor de werknemer die wèl van bedoelde bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in het kalenderjaar volgende op dat waarin de werknemer afstand heeft gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 49.

  • 3. Aan de werknemer die gekozen heeft voor uitbetaling van het in artikel 51 bedoelde geldsbedrag in achtereenvolgende jaarlijkse termijnen en wiens dienstverhouding tot de overheid is geëindigd vóórdat de jaarlijkse termijnen waarop hij aanspraak kan doen gelden volledig zijn uitbetaald, wordt het geldsbedrag dat hem nog aan uitkering toekomt, bij eindiging van zijn dienstverhouding in zijn geheel uitbetaald.

  • 4. In geval de werknemer die afstand heeft gedaan overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 49 komt te overlijden vóórdat het hem in totaal toekomende geldsbedrag als bedoeld in artikel 51 is uitbetaald, geschiedt de uitbetaling van dit geldsbedrag of het gedeelte daarvan dat nog niet aan hem is uitgekeerd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, derde tot en met zesde lid.

  • 5. De uitkeringen bedoeld in dit artikel worden niet beschouwd als inkomen in de zin van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9).

  • 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt de dienstverhouding tot de overheid niet geacht te zijn geëindigd indien:

    • a.

      de werknemer in dienst van de Nederlandse Antillen overgaat in dienst van een eilandgebied;

    • b.

      de werknemer in dienst van een eilandgebied overgaat in dienst van de Nederlandse Antillen;

    • c.

      de werknemer in dienst van een eilandgebied overgaat in dienst van een ander eilandgebied;

    • d.

      de werknemer in dienst van de Nederlandse Antillen of van een eilandgebied overgaat in dienst van het gesubsidieerd bijzonder onderwijs;

    • e.

      de werknemer in dienst van de Nederlandse Antillen of van een eilandgebied overgaat in dienst van een publiekrechtelijke instelling dan wel in dienst van een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon;

    • f.

      de werknemer in dienst van een publiekrechtelijke instelling dan wel in dienst van een door de overheid in het leven geroepen privaatrechtelijke rechtspersoon overgaat in dienst van de Nederlandse Antillen of van een eilandgebied.

Artikel 53
  • 1. De werknemer die niet van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid van artikel 47 gebruik heeft gemaakt wordt geacht te hebben gekozen voor uitkering van het in artikel 52 bedoelde geldsbedrag in achtereenvolgende jaarlijkse termijnen, tenzij hij vóór 16 augustus 1971 schriftelijk mededeling doet aan het bevoegde gezag dat hij kiest voor uitkering van bedoeld geldsbedrag in zijn geheel bij eindiging van zijn dienstverhouding tot de overheid.

  • 2. Zo spoedig mogelijk na het verstrijken van het in het eerste lid bedoelde tijdvak wordt de keuze van de werknemer bij beschikking vastgelegd. In deze beschikking wordt tevens het aan de betrokken werknemer krachtens artikel 51 in totaal toekomende geldsbedrag opgenomen.

  • 3. Onverwijld na ontvangst van de mededeling bedoeld in het eerste lid van artikel 49 wordt bij beschikking van het bevoegde gezag vastgelegd dat de betrokken werknemer afstand heeft gedaan van zijn aanspraak op nog éénmaal zes weken verlof neergelegd in artikel 47.

    In bedoelde beschikking wordt de datum met ingang waarvan hij afstand heeft gedaan en het aan de betrokken werknemer krachtens artikel 51 in totaal toekomende geldsbedrag opgenomen en tevens aangegeven of dit geldsbedrag, overeenkomstig de keuze van de betrokken werknemer, in zijn geheel bij eindiging van zijn dienstverhouding tot de overheid of in achtereenvolgende jaarlijkse termijnen zal worden uitbetaald. In het laatste geval wordt in de beschikking tevens aangegeven, het aantal achtereenvolgende jaarlijkse termijnen, het bedrag dat jaarlijks zal worden uitgekeerd en het kalenderjaar waarin de eerste uitbetaling zal plaatsvinden.

Artikel 54

Voor de gevallen, waarin de overgangsbepalingen niet of niet naar billijkheid voorzien, kan door het bevoegde gezag een bijzondere voorziening worden getroffen.