<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">144095_1</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Koninklijk besluit van 21 september 1926 tot vaststelling van het Curacaosch Uitleveringsbesluit</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Koninkrijksdeel" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Curaçao</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2009-02-27</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">A.B. 2010, no. 86 en A.B. 2010, no. 87</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2010-10-10</dcterms:issued><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, art. 3, eerste lid, onder h</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba, art. 48, derde lid</dcterms:source><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">bestuur en recht</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanKoninkrijksdeel">Minister van Justitie</overheid:isRatifiedBy><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><othermeta></othermeta><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>bestendiging Antilliaanse regelgeving in Curaçao</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>strafrecht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van inwerkingtreding van deze regeling is niet bekend. De datum van
                    uitgifte van het Publicatieblad is 06-12-1926. Het is aannemelijk dat de
                    regeling in werking is getreden met ingang van 01-01-1927. </al><al>Krachtens landsbesluit van 27-06-1983 is een doorlopende tekst van deze regeling
                    geplaatst in P.B. 1983, no. 84.</al><al>De wijzigingsregeling van 28-12-1995 is - om onduidelijke redenen - ook in het
                    Nederlandse Staatsblad gepubliceerd (Stb. 1985, 706).</al><al>Het tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling van 28-12-1995, dat
                    ligt voor de datum van publicatie in het Publicatieblad - is niet door
                    uitdrukkelijke verlening van terugwerkende kracht vastgesteld.</al><al>Artikel XI, tweede lid, van de Algemene Maatregel van Rijksbestuur van 21
                    augustus 1981, no. 80 tot wijziging van het Curaçaosch Uitleveringsbesluit 1926
                    (P.B. 1926, no. 61) (P.B. 1981, no. 293) luidt: Het Curacaosch
                    Uitleveringsbesluit 1926 is voortaan aan te halen onder de titel:
                    Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit. </al><al>Het bij die wijzigingsregeling ingevoegde artikel 2b, tweede lid, is in werking
                    getreden op 19-07-1985 (zie P.B. 1985, no. 92).</al><al>Bij gelegenheid van het verkrijgen van de hoedanigheid van land in het
                    Koninkrijk door Aruba is bij algemene maatregel van rijksbestuur van 28-12-1985
                    (P.B. 1986, no. 34) omtrent dit besluit het volgende bepaald:
                    </al><al><vet>Artikel I</vet></al><al>Het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit (P.B. 1983, 84), nader te noemen:
                    het besluit, is van toepassing op de behandeling van buitenlandse verzoeken om
                    uitlevering van personen die worden aangetroffen in de Nederlandse Antillen of
                    in Aruba.</al><al><vet>Artikel II</vet></al><al>Waar in het besluit wordt gesproken van:</al><lijst><li nr="a."><al>de Nederlandse Antillen, wordt daaronder Aruba begrepen;</al></li><li nr="b."><al>Nederlands-Antilliaans recht of strafrecht, de Nederlands-Antilliaanse
                            wetgeving of de Nederlands-Antilliaanse rechtsorde, wordt daaronder
                            verstaan het voor de Nederlandse Antillen en Aruba bij eenvormige
                            landsverordening geregelde materiële strafrecht en de door dit recht
                            beheerste rechtsorde;</al></li><li nr="c."><al>het Hof van Justitie, wordt daaronder verstaan het Gemeenschappelijk Hof
                            van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba;</al></li><li nr="d."><al>de Gouverneur, wordt daaronder verstaan de Gouverneur van het land waar
                            de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Voor de toepassing van
                            artikel 21 van het besluit wordt daaronder verstaan de Gouverneur van
                            het land waar de vreemdeling zich bevindt;</al></li><li nr="e."><al>de procureur-generaal, wordt daaronder verstaan de procureur-generaal
                            van het land waar de opgeëiste persoon is aangetroffen. Voor de
                            toepassing van de artikelen 13 en 17 van het besluit wordt daaronder
                            verstaan de procureur-generaal met de behandeling van de zaak
                            belast;</al></li><li nr="f."><al>Nederlands-Antilliaanse ambtenaren, worden daaronder Arubaanse
                            ambtenaren begrepen.</al><al>Het
                            betreft hier een Koninklijk Besluit dat is vastgesteld op voordracht van
                            de Minister van Justitie is vastgesteld door de
                            Koningin.</al><al></al></li></lijst></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Ten aanzien van de uitlevering van personen worden geen nieuwe verdragen
                        gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen van
                        dit besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>een door de autoriteiten van de verzoekende Staat ingesteld
                                    strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de
                                    opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit
                                    waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar
                                    dat van de Nederlandse Antillen, een vrijheidsstraf van een
                                    jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;</al></li><li nr="b."><al>de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of
                                    van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied
                                    van de verzoekende Staat te ondergaan wegens een feit als onder
                                    a bedoeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar
                            Nederlands-Antilliaans recht strafbaar feit mede verstaan een feit
                            waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende Staat,
                            terwijl krachtens de Nederlands-Antilliaanse wetgeving eenzelfde inbreuk
                            op de Nederlands-Antilliaanse rechtsorde strafbaar is.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot uitlevering betrekking heeft op verscheidene,
                            afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wetgeving van de verzoekende
                            Staat en van de Nederlandse Antillen strafbaar zijn gesteld met
                            vrijheidsstraf, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met
                            betrekking tot de hoogte van de straf, kan de uitlevering eveneens voor
                            deze laatste feiten worden toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a</nr></kop><al>Voor de toepassing van artikel 2 worden gelijkgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>met vrijheidsstraffen: </cursief>door de rechter naast of
                                in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot
                                vrijheidsbeneming;</al></li><li nr="b."><al><cursief>met vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar:
                                </cursief>vrijheidsstraffen — met inbegrip van maatregelen als
                                bedoeld onder a — voor de duur van het leven of voor onbepaalde
                                tijd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2b</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke
                            aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op uitlevering wegens een van de
                            feiten, omschreven in artikel 1 van het Europees Verdrag tot bestrijding
                            van terrorisme (Trb. 1977, 63), aan een Staat die gehouden is in een
                            overeenkomstig geval uitlevering aan de Nederlandse Antillen niet te
                            weigeren wegens de politieke aard van het feit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of een lid
                            van het regerende Huis wordt niet beschouwd als een strafbaar feit van
                            politieke aard in de zin van het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Militaire delicten die niet tevens misdrijven naar algemeen
                            Nederlands-Antilliaans strafrecht zijn, en fiscale delicten kunnen geen
                            aanleiding geven tot uitlevering, tenzij bij verdrag uitdrukkelijk
                            anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>De uitlevering mag geschieden niet alleen wegens het begaan van het
                        misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor
                        zover die poging of die medeplichtigheid ook in de Nederlandse Antillen
                        strafbaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nederlanders worden niet uitgeleverd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een
                            Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht
                            strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de Gouverneur is
                            gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering
                            kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke
                            vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land zal mogen
                            ondergaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging
                        of de opgelegde straf vóór de aanhouding in de Nederlandse Antillen, of
                        ingeval er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door
                        het Hof van Justitie te worden gehoord, naar de aldaar geldende wetgeving is
                        verjaard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de persoon wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor zijn
                            uitlevering wordt aangevraagd, in de Nederlandse Antillen vervolgd wordt
                            of straf ondergaat, mag de uitlevering niet worden toegestaan dan na
                            afloop van de in de Nederlandse Antillen ingestelde vervolging en nadat
                            hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan of hem daarvan gratie
                            zal zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bepaling belet niet, dat de persoon tijdelijk wordt uitgeleverd,
                            ten einde in de verzoekende Staat terecht te staan, onder voorwaarde dat
                            hij na afloop van het onderzoek wordt teruggevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Geen uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde
                        niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór
                        zijn uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is
                        geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om
                        het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met
                        zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieke weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitlevering wordt niet toegestaan dan na advies van het Hof van
                            Justitie. Indien dit advies strekt tot afwijzing van het verzoek tot
                            uitlevering, weigert de Gouverneur de uitlevering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Hof beslist bij zijn advies welke der in beslag genomen goederen in
                            geval van uitlevering aan de opgeëiste persoon zullen worden
                            teruggegeven, welke als stukken van overtuiging zullen worden
                            afgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwachting van de aanvrage tot uitlevering kan de vreemdeling wiens
                            uitlevering kan worden aangevraagd op last van de procureur-generaal en
                            op de eilanden Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba ook op last
                            van de gezaghebber voorlopig worden aangehouden op aanvrage van de macht
                            in de verzoekende staat tot voorlopige aanhouding bevoegd en als zodanig
                            in het verdrag aangewezen. De op en bij de aangehoudene zijnde goederen
                            mogen in beslag genomen worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanhouding plaats vindt op Bonaire, Sint Maarten, Sint
                            Eustatius of Saba, wordt de aangehoudende zo spoedig mogelijk naar
                            Willemstad overgebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanhouding plaats vindt op Aruba kan de aangehoudende naar
                            Willemstad worden overgebracht indien zulks
                            zijn
                            verhoor door het Hof van Justitie zou
                            bespoedigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De procureur-generaal is bevoegd om, na de aangehoudene te hebben
                            gehoord, een bevel tot voorlopige aanhouding tegen hem uit te
                            vaardigen,
                            dat hem zo spoedig mogelijk wordt
                            betekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De procureur-generaal beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de
                            aangehoudene, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde
                            bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen,
                            tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en
                            ander indien hem geen aanvrage tot uitlevering met de daarbij nodige
                            bescheiden is medegedeeld binnen een
                            termijn
                            bij het verdrag te bepalen en van niet langer dan: twee maanden na de
                            dagtekening van het bevel van aanhouding. Geschiedt de aanvrage tot
                            uitlevering binnen de gestelde termijn, dan wordt verder gehandeld
                            overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 13 tot en met
                            18.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Bij de aanvrage tot uitlevering moet in het oorspronkelijke of in
                        gewaarmerkt afschrift worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeling
                        hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van
                        rechtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij een daarmede gelijk te
                        stellen akte, in de verzoekende Staat gebruikelijk en als zodanig in het
                        verdrag aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen, wier uitlevering wordt aangevraagd, mogen voor zover dit niet
                            reeds geschied is, worden aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevel van aanhouding moet hun zo spoedig mogelijk worden
                            betekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op en bij hen zijnde goederen mogen worden in beslag genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan de
                            procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van elke krachtens dit besluit gedane aanhouding geeft de
                            procureur-generaal onverwijld kennis aan de Gouverneur, die op zijn
                            beurt onverwijld aan deze mededeling doet van iedere tot hem gerichte
                            aanvrage tot uitlevering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>De procureur-generaal requireert, zodra de aanhouding te zijner kennis is
                        gekomen, en ingeval deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage
                        is geschied, zo spoedig mogelijk na daartoe te zijn aangeschreven, dat de
                        opgeëiste persoon door het Hof van Justitie wordt gehoord, en dat dit zijn
                        advies uitbrengt over het al of niet toestaan der gevraagde
                        uitlevering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de
                            behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om
                            gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden,
                            beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats
                            hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verhoor heeft plaats in de tegenwoordigheid van het openbaar
                            ministerie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De opgeëiste persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen
                            bijstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als raadsman mag gekozen worden ieder die bevoegd is voor de
                            strafrechter tot verdediging van beklaagden op te treden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>Binnen veertien dagen na het verhoor zendt het Hof zijn advies en zijn
                        beslissing, in artikel 8 bedoeld, met de tot de zaak behorende stukken aan
                        de Gouverneur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na kennis te hebben genomen van het advies, bedoeld in artikel 15,
                            gelast of weigert de Gouverneur de uitlevering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de gelasting tot uitlevering van een Nederlander verbindt de
                            Gouverneur de voorwaarde, dat zo de opgeëiste persoon terzake van feiten
                            waarvoor hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende staat tot
                            onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in
                            eigen land mag ondergaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van weigering wordt de
                            opgeëiste,
                            indien
                            hij
                            aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, tenzij hij uit anderen hoofde
                            behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de in beslag genomen
                            goederen teruggegeven, tenzij er uit anderen hoofde redenen van
                            terughouding
                            bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Is de opgeëiste persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn
                        opgeroepen om door het Hof van Justitie te worden gehoord, niet verschenen,
                        dan gaat de termijn, in artikel 15 genoemd, in met de dag, waarop het
                        verhoor door het Hof is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>De Gouverneur kan toestaan dat een persoon, wiens uitlevering door een
                        vreemde Staat aan een andere Staat is toegestaan, over het grondgebied van
                        de Nederlandse Antillen onder medegeleide van Nederlands-Antilliaanse
                        ambtenaren wordt vervoerd, mits met de Staat, waaraan de uitlevering
                        geschiedt, een uitleveringsverdrag is gesloten en het misdrijf waarvoor
                        uitlevering is toegestaan onder de werking van dat verdrag valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen die in de Nederlandse Antillen in voorlopige hechtenis zijn of
                            straf ondergaan mogen ter confrontatie of tot het afleggen van
                            verklaringen in strafgedingen, die in een vreemde Staat aanhangig zijn,
                            op last van de Governeur tijdelijk worden overgezonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien die personen in de Nederlandse Antillen straf ondergaan, zal hun
                            straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke
                            overzending.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle akten en stukken ten gevolge van dit besluit op te maken, zijn vrij
                            van zegel en worden kosteloos afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle ingevolge dit besluit te verrichten betekeningen mogen geschieden
                            door een dienaar der openbare macht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al>Dit besluit is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord
                        terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van
                        gedeserteerde matrozen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit besluit wordt onder Staat mede begrepen: elk tot
                        het westelijk halfrond behorend gebied of gebiedsdeel van Frankrijk, van het
                        Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of van de
                        Verenigde Staten van Amerika, of voor welks buitenlandse betrekkingen een
                        van genoemde mogendheden de zorg draagt.</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>