<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" cvdr-version="1.0" owms-version="3.5" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>144089_1</dcterms:identifier><dcterms:title>LANDSVERORDENING van de 5de november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Koninkrijksdeel">Curaçao</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-11-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanKoninkrijksdeel">Gouverneur van de Nederlandse Antillen</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">A.B. 2010, no. 86 en A.B. 2010, no. 87</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2010-10-10</dcterms:issued><dcterms:alternative>Wetboek van Strafvordering</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>bestendiging Antilliaanse regelgeving in Curaçao</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>strafrecht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Landsbesluit toevoeging in strafzaken</al><al>Landsbesluit vergelijkend onderzoek celmateriaal</al><al>Landsbesluit modelformulieren strafvordering</al><al>Landsbesluit bewaring inbeslaggenomen
                    voorwerpen</al><al>Landsbesluit instemming overbrenging veroordeelde</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse
                    Antillen, vastgesteld bij Koninklijk besluit
                    van
                    22mei
                    1914, No. 83 (P.B. 1914, no. 21).</al><al>Bij de inwerkingtreding van deze regeling is de (gedeeltelijk eenvormige)
                    Landsverordening overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (P.B. 1995, no.
                    235) ingevolge artikel 45 van die verordening vervallen.</al><al>De
                    inwerkingtreding van de oorspronkelijke regeling is op grond van artikel 651,
                    eerste lid, geregeld in Titel III, artikel IV, van de Invoeringslandsverordening
                    wetboek van strafvordering (P.B. 1997, no. 237). Het tijdstip van
                    inwerkingtreding van deze invoeringslandsverordening is vastgesteld bij
                    Landsbesluit van 25 september 1997 (P.B. 1997, no.
                    251).</al><al>De
                    datum van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling van 11 september 1997 (P.B.
                    1997, no. 237) is vastgesteld bij landsbesluit van 25 september 1997 (P.B. 1997,
                    no. 251).</al><al>De
                    datum van inwerkingtreding van de wijzigingsregeling van 29 december 1998 (P.B.
                    1998, no. 255) is vastgesteld bij landsbesluit van 27 juni 2000 (P.B. 2000, no.
                    64).</al><al>Het
                    overgangsrecht met betrekking tot deze landsverordening is geregeld in Titel III
                    van de Invoeringslandsverordening wetboek van strafvordering (P.B. 1997, no.
                    237).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>LANDSVERORDENING van de 5de november 1996 houdende vaststelling van een nieuw
            Wetboek van Strafvordering.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>(geconsolideerde versie, geldend vanaf 1-8-2000)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><deel><kop><titel status="officieel"></titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">1</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende
                                nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder: </al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="27*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="8*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="65*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>beschikkingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de niet op de terechtzitting gegeven
                                                  beslissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>commandant</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de bevelhebber van een oorlogsschip of een
                                                  militair luchtvaartuig van het Koninkrijk;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>einduitspraken</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de uitspraken tot verklaring van onbevoegdheid,
                                                  niet-ontvankelijkheid of nietigheid van de dag
                                                  vaarding, en die welke na afloop van het gehele
                                                  onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden
                                                  gedaan;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>gegevensverkeer</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de niet voor het publiek bestemde overdracht van
                                                  informatie via de telecommunicatie-infrastructuur
                                                  of door middel van daarop aangesloten
                                                  randapparatuur;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>gezagvoerder van een luchtvaartuig</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>elke gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans
                                                  burgerlijk luchtvaartuig of degene die deze
                                                  vervangt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>griffier</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de persoon die als griffier optreedt in de zin
                                                  van hoofdstuk V van de Eenvormige landsverordening
                                                  op de rechterlijke organisatie; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Hof van Justitie en Hof</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de
                                                  Nederlandse Antillen en Aruba, bedoeld in de
                                                  artikelen 1 en 44 van de Eenvormige
                                                  landsverordening op de rechterlijke organisatie;
                                                </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>huiszoeking</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het gericht en stelselmatig onderzoeken van een
                                                  plaats als bedoeld in de artikelen 144 en 145 van
                                                  het Wetboek van Strafrecht, op de aanwezigheid van
                                                  voor inbeslagneming vatbare voorwerpen; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>hulpofficieren van justitie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de in artikel 191 bedoelde personen; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>inbeslagneming</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het onder zich nemen of gaan houden van
                                                  voorwerpen of vorderingen ten behoeve van de
                                                  strafvordering; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>installatie ter zee</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>elke installatie buiten de Nederlandse Antillen
                                                  opgericht op de bodem van de territoriale zee of
                                                  dat deel van de Caraibische Zee of de Atlantische
                                                  Oceaan, waarvan de grenzen samenvallen met die van
                                                  het aan de Nederlandse Antillen toekomende
                                                  gedeelte van het continentale plat;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>Nederlands-Antilliaans schip</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 88
                                                  van het Wetboek van Strafrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>officieren van justitie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de officier van justitie, hoofd van het parket,
                                                  de officieren van justitie, de
                                                  substituut-officieren van justitie en de
                                                  plaatsvervangende officieren van justitie,
                                                  overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de
                                                  Eenvormige landsverordening op de rechterlijke
                                                  organisatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>opsporingsambtenaren</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>alle personen die overeenkomstig de artikelen
                                                  184 en 185 met de opsporing van strafbare feiten
                                                  zijn belast, alsmede de leden van het openbaar
                                                  ministerie en de plaatselijke hoofden van politie,
                                                  indien zij van hun opsporingsbevoegdheid gebruik
                                                  maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>opvarende</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>degene, niet zijnde de schipper, die zich aan
                                                  boord van een Nederlands-Antilliaans schip
                                                  bevindt, ook indien hij buiten de Nederlandse
                                                  Antillen het schip gedurende de reis tijdelijk
                                                  verlaat, alsmede degene, niet zijnde de schipper,
                                                  die zich op een bij landsbesluit aangewezen
                                                  installatie ter zee bevindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ouders</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de ouders die de ouderlijke macht of de voogdij
                                                  over de minderjarige uitoefenen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>persoon</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>zowel de natuurlijke als de rechtspersoon;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>raadsman</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de advocaat van een verdachte;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechterlijke beslissingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>zowel de beschikkingen als de uitspraken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechtstaal</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de gebezigde taal die in het rechtsgebied als
                                                  officiële taal is toegelaten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>schepeling</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ieder die zich als scheepsofficier of
                                                  scheepsgezel aan boord van een
                                                  Nederlands-Antilliaans schip bevindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>schipper</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans
                                                  schip of degene die deze vervangt, alsmede degene
                                                  die de leiding heeft op een bij landsbesluit
                                                  aangewezen installatie ter zee;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>telecommunicatie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>iedere overdracht, uitzending of ontvangst van
                                                  gegevens van welke aard ook, door middel van
                                                  kabels, langs radio-elektrische weg of door middel
                                                  van optische of andere elektro-magnetische
                                                  systemen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>telecommunicatie-infrastructuur</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een stelsel van inrichtingen met daarbij
                                                  behorende middelen, bestemd voor telecommunicatie
                                                  die, geheel of gedeeltelijk, openbare gronden
                                                  overschrijdt, welk stelsel is begrensd door
                                                  daartoe behorende aan sluitpunten en met inbegrip
                                                  van de aansluitingen op
                                                  telecommunicatie-inrichtingen buitenslands;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>teruggave van inbeslaggenomen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorwerpen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het verrichten van de in verband met de
                                                  beëindiging van het beslag vereiste
                                                  formaliteiten;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>uitspraken</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de op de terechtzitting gegeven
                                                  beslissingen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>verdrag</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een voor de Nederlandse Antillen verbindende
                                                  overeen komst, als bedoeld in de artikelen 24 tot
                                                  en met 28 van het Statuut voor het Koninkrijk der
                                                  Nederlanden;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorbereidend onderzoek</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>het onderzoek dat aan de behandeling ter
                                                  terechtzitting voorafgaat;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de vrijheidsontneming ingevolge een bevel tot
                                                  bewaring, gevangenneming of gevangenhouding en de
                                                  bevelen tot verlenging daarvan;</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">2</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Waar van misdrijf in het algemeen of van een misdrijf in het
                                    bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder mede begrepen
                                    medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Waar in bijzondere bepalingen met betrekking tot de
                                    inbeslagneming alleen over voorwerpen wordt gesproken, worden
                                    vorderingen daaronder mede begrepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder eed wordt steeds mede begrepen de belofte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Onder staande houden wordt mede verstaan het doen halt houden
                                    van voertuigen en vaartuigen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">3</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in dit wetboek vastgestelde termijn, binnen welke tegen
                                    enige beslissing beroep kan worden aangetekend, eindigende op
                                    een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt
                                    verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag,
                                    zondag of algemeen erkende feestdag is. Het Landsbesluit
                                    houdende algemene maatregelen van de 20ste september 1954 (P.B.
                                    1954, no. 92, zoals gewijzigd) is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een termijn van drie dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat
                                    daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag,
                                    zondag of algemeen erkende feestdag zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder maand wordt verstaan de tijd van dertig dagen, onder een
                                    dag de tijd van vierentwintig uren.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">4</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot de processtukken in de zin van dit wetboek worden gerekend
                                    de gegevens, die in verband met een verdenking tegen een
                                    bepaalde persoon ten behoeve van de politie en de justitie zijn
                                    verzameld, voor zover zij op die persoon betrekking hebben en
                                    voor zover zij in het verband van diens strafvervolging worden
                                    gebruikt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder de bevoegdheid tot kennisneming van processtukken wordt
                                    mede begrepen die tot het maken van aantekeningen daaruit. Het
                                    openbaar ministerie kan in het belang van een goede procesorde
                                    bij algemene regeling bepalen in welke gevallen en op welke
                                    wijze afschriften zullen worden verstrekt. Ook overigens regelt
                                    het openbaar ministerie, tenzij anders is bepaald, de wijze
                                    waarop kennisneming van processtukken wordt toegestaan, alsmede,
                                    zo nodig, de plaats waar en de wijze waarop bij die kennisneming
                                    toezicht zal worden uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Nadat de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, worden de
                                    in het tweede lid bedoelde beslissingen gegeven door de rechter,
                                    die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">5</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verhoren van personen ten behoeve van de strafvordering is
                                    gericht op het aan de dag brengen van de waarheid. Wanneer zij
                                    in verband met een beslissing in de gelegenheid worden gesteld
                                    opmerkingen te maken, worden zij gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer is voorgeschreven, dat de verdachte wordt gehoord, gaat
                                    daaraan een behoorlijke oproeping vooraf. Van het horen kan
                                    slechts worden afgezien, indien de verdachte daarvan
                                    uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of indien hij, ondanks een
                                    behoorlijke oproeping, niet is verschenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">6</nr></kop><al>Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit
                                ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan
                                is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de
                                ontdekking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">7</nr></kop><al>Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is
                                geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend
                                worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing
                                gelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">8</nr></kop><al>Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling
                                van dit wetboek een andere betekenis blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Legaliteitsbeginsel</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">9</nr></kop><al>Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij
                                landsverordening voorzien.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van
                                de rechter</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">10</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de
                                    rechter, die ingevolge het bepaalde in de Eenvormige
                                    landsverordening op de rechterlijke organisatie of andere
                                    wettelijke regelingen tot de kennisneming daarvan bevoegd
                                    is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elk eilandgebied wordt als een afzonderlijk rechtsgebied van het
                                    gerecht in eerste aanleg beschouwd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">11</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De betrekkelijke bevoegdheid van de rechter wordt bepaald door
                                    het rechtsgebied waarbinnen het strafbare feit is begaan, of
                                    door het rechtsgebied waarbinnen de verdachte woont, feitelijk
                                    verblijft of wordt aangetroffen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij deelneming aan een strafbaar feit brengt de bevoegdheid ten
                                    aanzien van een van de als daders of medeplichtigen
                                    aansprakelijke personen ook de bevoegdheid mee ten aanzien van
                                    de andere.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien door meerdere personen, al dan niet tezamen,
                                    verschillende strafbare feiten zijn begaan, die in zodanig
                                    verband tot elkaar staan dat de behandeling voor dezelfde
                                    rechter gewenst moet worden geacht, worden deze feiten voor de
                                    toepassing van het tweede lid van dit artikel geacht in
                                    deelneming te zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In elke stand van het geding kan de rechter, nadat de zaak ter
                                    terechtzitting aanhangig is gemaakt, deze op de vordering van
                                    het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte
                                    verwijzen naar de rechter van een ander rechtsgebied.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">12</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van de Nederlandse
                                    Antillen aan boord van een Nederlands-Antilliaans vaartuig of
                                    luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van
                                    de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van de
                                    Nederlandse Antillen ter plaatse waar de eigenaar van het
                                    vaartuig of luchtvaartuig woont of de zetel van het bedrijf is
                                    gevestigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vervolging van strafbare feiten, begaan buiten de Nederlandse
                                    Antillen doch niet aan boord van een Nederlands Antilliaans
                                    vaartuig of luchtvaartuig, vindt plaats overeenkomstig het
                                    bepaalde in artikel 11.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">13</nr></kop><al>Indien geen bevoegde rechter door de voorgaande artikelen wordt
                                aangewezen, is het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao,
                                bevoegd. </al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">14</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De ambtenaren van het openbaar ministerie bij het gerecht in
                                    eerste aanleg zijn tot de vervolging van strafbare feiten op
                                    alle eilandgebieden bevoegd, onverminderd het bepaalde in
                                    artikel 4, vijfde lid, van de Eenvormige landsverordening op de
                                    rechterlijke organisatie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke
                                    vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier
                                    van justitie, hoofd van het parket, de nodige bevelen
                                    geven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere
                                vervolging van strafbare feiten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">15</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet
                                    voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij
                                    het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een
                                    rechtspersoon, die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn
                                    feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de
                                    beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt
                                    getroffen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer op het gebied van de opsporing en de vervolging
                                    activiteiten niet of niet binnen een redelijke termijn hebben
                                    plaatsgevonden, wordt deze omstandigheid voor de toepassing van
                                    deze titel met een beslissing tot niet vervolging
                                    gelijkgesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">16</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De griffier van het Hof geeft de klager spoedig schriftelijk
                                    bericht van de ontvangst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Na ontvangst van het klaagschrift draagt het Hof de
                                    procureur-generaal op ten aanzien van de beslissing tot niet of
                                    niet verdere vervolging schriftelijk verslag te doen en de
                                    daartoe betrekkelijke stukken over te leggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">17</nr></kop><al>Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk
                                ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet
                                ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">18</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord,
                                    althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in
                                    het geval van artikel 17.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven, wanneer
                                    door hem ter zake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is
                                    gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn
                                    aangevoerd die, waren zij het Hof bekend geweest, tot een andere
                                    beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het Hof
                                    volstaan met het oproepen van de twee personen, wier namen en
                                    adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">19</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen
                                    ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken
                                    over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat
                                    berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het
                                    klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het
                                    beklag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een bevel, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt niet
                                    gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd
                                    door het Hof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is
                                    opgeroepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">20</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen
                                    zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen
                                    zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze
                                    verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door
                                    een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van
                                    deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van
                                    een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling
                                    gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van
                                    artikel 17, de klager en de persoon wiens vervolging wordt
                                    verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de
                                    zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom
                                    wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de
                                    voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de
                                    vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van
                                    kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de
                                    persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van
                                    strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen
                                    belang ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">21</nr></kop><al>De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de
                                vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem,
                                voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in
                                het proces-verbaal opgenomen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">22</nr></kop><al>Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in
                                raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit
                                daarbij tegenwoordig te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">23</nr></kop><al>Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt
                                verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden
                                opgedragen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">24</nr></kop><al>De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in
                                raadkamer zijn op deze titel van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">25</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat
                                    vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben,
                                    beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of
                                    voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking
                                    heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft
                                    omschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden
                                    aan het algemeen belang ontleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle andere gevallen wijst het Hof het beklag af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Alvorens te beslissen kan het Hof, indien het nader onderzoek
                                    wenselijk oordeelt, de stukken in handen van de
                                    rechter-commissaris stellen onder aanduiding van het onderwerp
                                    en de omvang van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop
                                    dit zal zijn in te stellen. Artikel 359, tweede lid, is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">26</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof beslist zo spoedig mogelijk en bij een met redenen
                                    omklede beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van elke beschikking zendt de griffier onverwijld een afschrift
                                    aan de procureur-generaal, de klager, alsmede, indien de
                                    artikelen 19, eerste lid, en 25, eerste lid, toepassing hebben
                                    gevonden, aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">27</nr></kop><al>De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen
                                noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de
                                berechting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">28</nr></kop><al>Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht is
                                beklag niet toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">29</nr></kop><al>Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van
                                strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden
                                de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Schorsing van de vervolging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">30</nr></kop><al>1.Indien de waardering van het tenlastegelegde feit afhangt van de
                                beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht, kan de
                                rechter, in welke stand van de vervolging ook, de vervolging voor
                                een bepaalde tijd schorsen ten einde de uitspraak van de burgerlijke
                                rechter over het geschilpunt af te wachten. 2. De schorsing kan
                                telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd en te allen tijde
                                worden opgeheven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">31</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In zaken betreffende minderjarige verdachten kan de vervolging
                                    worden geschorst, indien, gelijktijdig met de vervolging,
                                    aanhangig is:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van beide of een van de ouders een verzoek
                                            of vordering tot ontheffing of tot ontzetting van de
                                            ouderlijke macht of van de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van de voogd een verzoek tot ontzetting van
                                            de voogdij;</al></li><li nr="c."><al>over de verdachte een verzoek of een vordering tot
                                            ondertoezichtstelling.</al></li></lijst><al>De schorsing duurt voort totdat de beslissing daarop
                                    onherroepelijk zal zijn geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In zodanig geval wordt de schorsing geacht plaats te vinden
                                    wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk
                                    recht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">32</nr></kop><al>Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de
                                verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van
                                burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat
                                tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de
                                terechtzitting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">33</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte na het begaan van het strafbare feit in een
                                    toestand is komen te verkeren dat hij niet meer in staat is de
                                    strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen,
                                    schorst de rechter, in welke stand van de vervolging ook, de
                                    vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra van het herstel van de verdachte is gebleken, wordt de
                                    schorsing opgeheven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">34</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij schorsing van de vervolging kan de rechter, ambtshalve of op
                                    de vordering van het openbaar ministerie, niettemin spoedeisende
                                    maatregelen bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij kan gelasten dat de schorsing zich niet zal uitstrekken tot
                                    hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">35</nr></kop><al>Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen
                                en deskundigen horen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">36</nr></kop><al>De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij
                                ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie,
                                hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de
                                rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of
                                voor wie de zaak het laatst is vervolgd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">37</nr></kop><al>Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar
                                ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie
                                dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van
                                Justitie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Behandeling door de raadkamer</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">38</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin niet de beslissing door de rechter op de
                                    terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt
                                    genomen, geschieden onderzoek en beslissing door de raadkamer.
                                    Echter geschieden op de terechtzitting onderzoek en beslissing
                                    omtrent alle vorderingen, verzoeken of voordrachten aldaar
                                    gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De raadkamer bij het Hof van Justitie is op straffe van
                                    nietigheid samengesteld uit drie leden. In eerste aanleg treedt
                                    de raadkamer enkelvoudig op. In dat geval vinden de bepalingen
                                    van deze titel overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien door de raadkamer een beslissing moet worden gegeven na
                                    de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, is zij zoveel
                                    mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over
                                    de zaak hebben gezeten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter die als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek
                                    heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan
                                    onderzoek en beslissing door de raadkamer geen deel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">39</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De beschikking vermeldt de namen van de rechters door wie, en de
                                    dag waarop zij is gegeven, en wordt ondertekend door ieder van
                                    hen en de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig was.
                                    Indien de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft, kan de
                                    beschikking, mits daarvan eenvoudige aantekening wordt gedaan,
                                    mondeling worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een van hen tot die ondertekening buiten staat is, wordt
                                    hiervan aan het slot van de beschikking melding gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">40</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De raadkamer is bevoegd de nodige bevelen te geven, opdat het
                                    onderzoek dat aan haar beslissing vooraf moet gaan,
                                    overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De raadkamer zal, alvorens te beslissen, het openbaar ministerie
                                    horen en kan zich door de rechter-commissaris, die in de zaak
                                    betrokken is geweest, schriftelijk of mondeling doen
                                    inlichten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zij is bevoegd de overlegging van processtukken en stukken van
                                    overtuiging te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het horen kan ook aan een van de leden of plaatsvervangende
                                    leden van het Hof van Justitie of aan rechtersplaatsvervanger in
                                    eerste aanleg van het gebied waar de te horen persoon zich
                                    bevindt, worden opgedragen. In dat geval is artikel 42 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">41</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zich door zijn raadsman te doen
                                    bijstaan, wanneer hij wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elke andere persoon dan de verdachte die ingevolge enige
                                    bepaling van dit wetboek wordt gehoord, kan zich door een
                                    advocaat doen bijstaan. Deze wordt daarbij in de gelegenheid
                                    gesteld de nodige opmerkingen te maken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">42</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het onderzoek van de raadkamer wordt door de griffier een
                                    proces-verbaal opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de
                                    afgelegde verklaringen en van hetgeen bij dat onderzoek is
                                    voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de
                                    advocaat verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal
                                    worden opgenomen, geschiedt dat voor zover de opgave redelijke
                                    grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de
                                    andere leden van de raadkamer en de griffier vastgesteld en zo
                                    spoedig mogelijk na afloop van het onderzoek ondertekend.Voor
                                    zover de rechter of de griffier tot een en ander buiten staat
                                    is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn
                                    verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het wordt met de beschikking en de verdere tijdens het onderzoek
                                    in raadkamer in het geding gebrachte stukken bij de
                                    processtukken gevoegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Rechterlijke voorzieningen bij dringende
                                noodzaak</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">43</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin het belang van een goede
                                    strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt
                                    en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, kan een
                                    verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte
                                    of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand
                                    belang heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke wijze komt het openbaar ministerie de bevoegdheid toe
                                    een zodanige voorziening te vorderen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op het verzoek of de vordering, op straffe van
                                    niet-ontvankelijkheid met redenen te omkleden, wordt tijdens het
                                    voorbereidend onderzoek beslist door de rechter-commissaris en,
                                    na de aanvang of de beëindiging van het onderzoek ter
                                    terechtzitting, door de rechter die over de zaak oordeelt of het
                                    laatst heeft geoordeeld. Is de zaak bij het Hof aanhangig of
                                    aanhangig geweest, dan is het college of een door dit college
                                    aangewezen lid bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Is de rechter aanstonds van oordeel, dat degene die het verzoek
                                    of de vordering heeft gedaan, niet-ontvankelijk is of dat elke
                                    redelijke grond aan het verzoek of de vordering ontbreekt, dan
                                    wijst hij zonder nader onderzoek en met eenvoudige redengeving
                                    de gevraagde voorziening af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De voorziening kan zowel een gebod als een verbod bevatten, ook
                                    met betrekking tot gedragingen in de toekomst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De beschikking wordt zo spoedig mogelijk gegeven als door het
                                    belang van de zaak wordt gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Voor zover de beschikking een veroordeling inhoudt, kan worden
                                    bepaald dat, indien, zo lang of zo dikwijls de veroordeelde aan
                                    die veroordeling niet voldoet, door hem zal zijn verbeurd een
                                    bij de beschikking vast te stellen geldsom, dwangsom genaamd. De
                                    dwangsom, eenmaal verbeurd, komt ten volle toe aan degene die de
                                    veroordeling heeft verkregen. Deze kan de dwangsom
                                    tenuitvoerleggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.
                                    Wordt de dwangsom niet voldaan, dan kan de rechter op de
                                    vordering van het openbaar ministerie de gijzeling van de
                                    veroordeelde bevelen gedurende een door hem te bepalen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>De rechter is bevoegd om tenuitvoerlegging van zijn beschikking
                                    te bevelen bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg staat
                                    binnen drie dagen hoger beroep open bij het Hof van Justitie,
                                    indien daartoe, gelet op het belang van de gevraagde
                                    voorziening, door het Hof of een door dit college aangewezen lid
                                    verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">10.</lidnr><al>De artikelen 38 tot en met 42 vinden zoveel mogelijk
                                    overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de rechtstreeks
                                    belanghebbende vindt artikel 44 overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">11.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het verzoek of de vordering kunnen
                                    aan de hierboven bedoelde procedure niet meer rechten worden
                                    ontleend dan de stand van de strafvorderlijke procedure
                                    toelaat.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Algemeen voorschrift met betrekking tot
                                rechterlijke beslissingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">44</nr></kop><al>Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden,
                                tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort
                                mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten
                                spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat
                                onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag
                                dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht,
                                respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig
                                rechtsmiddel is opengesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Geheimhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">45</nr></kop><al>Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en
                                daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het
                                vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en
                                voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
                                voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht
                                geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover
                                enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit
                                zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot
                                bekendmaking voortvloeit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">X</nr><titel status="officieel">Beëdiging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">46</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Hij, die ingevolge de bepalingen van dit wetboek mondeling een
                                    eed of belofte moet afleggen, zal:</al><lijst><li nr="a."><al>indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de
                                            twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de
                                            woorden: "Zo waarlijk helpe mij God Almachtig";</al></li><li nr="b."><al>indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden:
                                            "Dat beloof ik".</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Degene, in wiens handen de eed wordt afgelegd, houdt de
                                    betrokkene de volgende bij diens hoedanigheid passende
                                    verklaring voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van de getuige: dat hij de waarheid en niets
                                            dan de waarheid zal verklaren;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van de deskundige en de tolk: dat hij zijn
                                            taak naar geweten zal vervullen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hij, die aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de
                                    eed op andere wijze af te leggen, kan dat op die wijze doen. De
                                    eed kan ook worden afgelegd in de taal, die de betrokkene gewoon
                                    is te spreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek de eed
                                    niet op de bij het eerste en derde lid bepaalde wijze kan
                                    afleggen, zal de eed afleggen op een wijze, zoveel mogelijk in
                                    overeenstemming met het in die artikelleden voorgeschrevene, te
                                    bepalen door degene in wiens handen de eed wordt afgelegd.</al><al>In plaats van de eed kan ter keuze van de betrokkene de belofte
                                    worden afgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">DE VERDACHTE EN ZIJN RAADSMAN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">De verdachte</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Begripsomschrijving</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">47</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit
                                        feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld
                                        aan enig strafbaar feit voortvloeit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Gedurende de vervolging wordt als verdachte aangemerkt
                                        degene tegen wie de vervolging is gericht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De aan de verdachte toekomende rechten komen tevens toe aan
                                        de veroordeelde tegen wie een strafrechtelijk financieel
                                        onderzoek is ingesteld of te wiens aanzien op een vordering
                                        van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van
                                        het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen niet
                                        onherroepelijk is beslist.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Rechtskundige bijstand</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">48</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht zich, overeenkomstig de
                                        bepalingen van dit wetboek, door een of meer door hem
                                        gekozen of ingevolge de artikelen 61 tot en met 68
                                        toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hem wordt daartoe, wanneer hij dit verzoekt en hem rechtens
                                        de vrijheid is ontnomen, zoveel mogelijk met inachtneming
                                        van de huishoudelijke reglementen van de inrichting waarin
                                        hij verblijft, de gelegenheid gegeven zich met zijn raadsman
                                        of raadslieden in verbinding te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de verdachte om bijstand van een raadsman verzoekt
                                        voordat hij door een opsporingsambtenaar wordt verhoord, kan
                                        het verhoor slechts dan een aanvang nemen, nadat de raadsman
                                        die bijstand heeft verleend, tenzij het onderzoek geen
                                        uitstel gedoogt, of de komst van de raadsman in redelijkheid
                                        niet kan worden afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De raadsman is niet bevoegd bij de verhoren door een
                                        opsporingsambtenaar aanwezig te zijn. Als het verhoor door
                                        een opsporingsambtenaar plaatsvindt, nadat de verdachte in
                                        dezelfde zaak door de rechter-commissaris is verhoord, komen
                                        de raadsman ten aanzien van het verhoor door de
                                        opsporingsambtenaar dezelfde bevoegdheden toe als hem bij
                                        het verhoor door de rechter-commissaris zijn toegekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In de gevallen waarin de raadsman tot bijwoning van het
                                        verhoor is toegelaten, onthoudt hij zich van alles wat de
                                        strekking heeft het verhoor te beïnvloeden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">49</nr></kop><al>In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de
                                    bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich
                                    door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid
                                    gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt
                                    hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te
                                    worden gehoord.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Zwijgrecht</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">50</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht zich van antwoorden te
                                        onthouden.Voor een verhoor wordt de verdachte meegedeeld dat
                                        hij niet verplicht is tot antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord,
                                        onthoudt de verhorende rechter of ambtenaar zich van alles
                                        wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan
                                        niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verklaringen van de verdachte, bepaaldelijk die welke een
                                        bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal
                                        van het verhoor zoveel mogelijk in zijn eigen woorden
                                        opgenomen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Kennisneming van processtukken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">51</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht om desgevraagd van de op zijn
                                        zaak betrekking hebbende processtukken kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin kan tijdens het voorbereidend onderzoek de
                                        officier van justitie, indien het belang van het onderzoek
                                        dit bepaaldelijk vordert, de verdachte de kennisneming van
                                        bepaalde processtukken onthouden. Daartoe bestaat slechts
                                        dan grond, voor zover het belang dat de verdachte bij
                                        kennisneming heeft, niet opweegt tegen het belang op grond
                                        waarvan de kennisneming wordt onthouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer enig onderzoek niet tot een vervolging heeft geleid
                                        of zal leiden, kan de verdachte of de gewezen verdachte de
                                        kennisneming van de processtukken niet meer worden
                                        onthouden, tenzij dwingende aan het algemene belang van de
                                        strafvordering te ontlenen gronden zich daartegen
                                        verzetten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ingeval de verdachte de kennisneming van bepaalde
                                        processtukken wordt onthouden, wordt hem onder opgave van
                                        redenen schriftelijk meegedeeld dat de hem ter inzage
                                        gegeven stukken niet volledig zijn.Van deze beslissing kan
                                        hij binnen drie dagen in beroep komen bij de
                                        rechter-commissaris.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">52</nr></kop><al>Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet
                                    worden onthouden de kennisneming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de processen-verbaal van zijn verhoren;</al></li><li nr="b."><al>de processen-verbaal betreffende verhoren of handelingen
                                            van onderzoek, waarbij hij of zijn raadsman de
                                            bevoegdheid heeft gehad tegenwoordig te zijn, tenzij en
                                            voor zover uit het proces-verbaal blijkt van enige
                                            omstandigheid waarvan hij in het belang van het
                                            onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, en in verband
                                            daarmee een bevel als bedoeld in artikel 70, tweede of
                                            derde lid, is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de overige processen-verbaal van verhoren, waarvan de
                                            inhoud hem mondeling volledig mededeling is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">53</nr></kop><al>De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke
                                    of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het
                                    gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een
                                    gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de
                                    dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is
                                    betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">54</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Kennisneming van processtukken, die zijn opgemaakt met
                                        betrekking tot de persoonlijkheid of de zielstoestand van de
                                        verdachte, kan hem alleen dan geheel of gedeeltelijk worden
                                        onthouden, indien de rapporteur verklaart, dat kennisneming
                                        bepaaldelijk niet in het belang van de verdachte moet worden
                                        aangemerkt en voorts dat er geen mogelijkheden aanwezig
                                        worden geacht de kennisneming onder begeleiding van een
                                        deskundige te doen plaatsvinden. Daaromtrent beslist het
                                        gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd
                                        vervolgd dan wel, indien geen vervolging heeft plaatsgehad
                                        of deze nog niet is ingesteld, de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de verdachte kennisneming op de voet van het
                                        bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet wordt
                                        toegestaan, kan de kennisneming nochtans wel aan de raadsman
                                        worden toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Behandeling binnen een redelijke
                                    termijn</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">55</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen
                                        een redelijke termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn vangt aan op het moment dat de verdachte had
                                        verwacht en redelijkerwijze had kunnen verwachten, dat zijn
                                        zaak strafrechtelijk zou worden vervolgd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een termijn, waardoor de verdachte langer dan in het
                                        algemeen wenselijk is onder de dreiging van een
                                        strafvervolging of van de voortzetting daarvan heeft moeten
                                        leven, wordt als onredelijk aangemerkt, tenzij bijzondere
                                        omstandigheden het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de verdachte de bevoegdheid, hem bij artikel 56
                                        toegekend, onbenut heeft gelaten, kan hij zich later niet
                                        meer op de onredelijkheid van een termijn beroepen, tenzij
                                        door het tijdsverloop de kwaliteit van de strafrechtspleging
                                        zodanig is aangetast, dat de rechter ook ambtshalve gronden
                                        aanwezig acht om het tijdsverloop te beoordelen en daaraan
                                        gevolgen te verbinden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">56</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van
                                        het voorbereidend onderzoek. Wanneer de verdachte zich in
                                        voorlopige hechtenis bevindt, draagt hij in het bijzonder
                                        ervoor zorg, dat de zaak met de meest mogelijke spoed wordt
                                        voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen,
                                        wordt het toezicht op nodeloze vertraging uitgeoefend door
                                        de rechter, die over de zaak ter terechtzitting oordeelt, of
                                        door het Hof van Justitie, nadat hoger beroep is
                                        ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevoegde rechter kan, op de vordering van het openbaar
                                        ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens
                                        raadsman, bevelen dat het onderzoek binnen een uiterste
                                        termijn wordt voortgezet dan wel wordt beëindigd. Hij kan
                                        zich daartoe de nodige processtukken doen overleggen. Nadat
                                        het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, komen deze
                                        bevoegdheden de rechter ook ambtshalve toe.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien een eenmaal aangevangen vervolging niet wordt
                                        voortgezet, kan de rechter tevens verklaren dat de zaak
                                        geëindigd is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Een beslissing als bedoeld in het derde of vierde lid, kan
                                        tot een uiterste termijn worden aangehouden, indien het
                                        openbaar ministerie aannemelijk maakt, dat het onderzoek
                                        alsnog zal worden voortgezet dan wel verdere vervolging zal
                                        plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Wanneer de zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig
                                        is gemaakt, vindt ten aanzien van het Hof van Justitie
                                        artikel 38, derde lid, geen toepassing.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">De raadsman</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">57</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten, die bij
                                        het Hof van Justitie zijn ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het Hof van Justitie op verzoek
                                        van de verdachte aan advocaten, die niet bij het Hof van
                                        Justitie zijn ingeschreven, toestaan als raadsman op te
                                        treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van
                                        Justitie ingeschreven advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Medeverdachten, die geen tegenstrijdige belangen hebben,
                                        kunnen door dezelfde raadsman worden bijgestaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">58</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bevoegdheden die bij of krachtens dit wetboek uitdrukkelijk
                                        aan de verdachte zijn toegekend, kunnen door diens raadsman
                                        worden uitgeoefend, indien deze door de verdachte is
                                        gemachtigd en de aard van de bevoegdheid zich daartegen niet
                                        verzet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Machtiging door de verdachte zal worden aangenomen, wanneer
                                        de raadsman verklaart dat dit het geval is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Toezending van processtukken aan de verdachte geschiedt
                                        tevens aan diens raadsman, voor zover dat uitdrukkelijk is
                                        bepaald.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Keuze van de raadsman</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">59</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer
                                        raadslieden te kiezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige
                                        vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te
                                        doen blijken en heeft hij geen wettige vertegenwoordiger,
                                        dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn bloed- of
                                        aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze
                                        bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De ingevolge het tweede of derde lid gekozen of de ingevolge
                                        de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadsman treedt
                                        af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden
                                        geregeld, op welke wijze van een keuze ingevolge het eerste,
                                        tweede of derde lid dient te blijken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">60</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De gekozen raadsman geeft, zolang het opsporingsonderzoek
                                        duurt, van zijn optreden als zodanig schriftelijk kennis aan
                                        de officier van justitie en aan de in de zaak betrokken
                                        hulpofficier. Gelijke kennisgeving geschiedt als de raadsman
                                        niet meer voor een bepaalde verdachte optreedt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien hij een gekozen of toegevoegde raadsman vervangt,
                                        geeft hij ook daarvan overeenkomstig het eerste lid kennis
                                        aan de daar bedoelde personen en aan de vervangen raadsman.
                                        Door deze mededeling neemt de werkzaamheid van de vervangen
                                        toegevoegde of vroeger gekozen raadsman een einde.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Toevoeging van een raadsman</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">61</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij in dit wetboek anders is bepaald, geschiedt
                                            toevoeging van een raadsman door de instantie, daartoe
                                            bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen,
                                            aangewezen. Bij of krachtens dit landsbesluit worden
                                            regels gesteld omtrent de taakuitoefening van de
                                            instantie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De toevoeging geschiedt zoveel mogelijk in
                                            overeenstemming met de voorkeur van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De toevoeging heeft plaats zonder kosten voor de
                                            verdachte, behoudens het in de tweede volzin van dit
                                            artikellid bepaalde.Wanneer zich in de omstandigheden
                                            van de verdachte zodanige wijzigingen mochten voordoen
                                            dat op grond daarvan, naar het oordeel van de instantie
                                            die met de toevoeging is belast, aannemelijk kan worden
                                            geacht dat de verdachte in staat is de kosten van een
                                            raadsman zelf te dragen, wordt de kosteloze toevoeging
                                            beëindigd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">62</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld,
                                            wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel
                                            tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij
                                            uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op
                                            toevoeging afstand te doen. De officier van justitie of
                                            de hulpofficier van justitie die het bevel heeft
                                            verleend, licht onverwijld de instantie die met de
                                            toevoeging is belast, omtrent de inverzekeringstelling
                                            in.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een toevoeging ingevolge het eerste lid blijft tijdens
                                            de voorlopige hechtenis van kracht, tenzij de verdachte
                                            niet on- of minvermogend is in de zin van het
                                            Landsbesluit Kosteloze rechtskundige bijstand (P.B.
                                            1959, no. 198).</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene
                                            maatregelen, worden zoveel mogelijk in overeenstemming
                                            met de situatie op de eilanden nadere regels gesteld
                                            omtrent de toevoeging aan in verzekering gestelde
                                            verdachten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">63</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het bevel, bedoeld in artikel 62, eerste lid,
                                            niet is verleend, wordt een verdachte van een misdrijf,
                                            van wiens onvermogen voldoende is gebleken, op diens
                                            verzoek een raadsman toegevoegd, zodra de vervolging
                                            tegen hem is aangevangen. De verdachte kan aan het
                                            verzoek niet het recht ontlenen de zaak op te
                                            houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het eerste lid is tevens van toepassing in hoger
                                            beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen
                                            nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop het
                                            onvermogen moet worden gestaafd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman
                                            te verzoeken wordt de verdachte van misdrijf ingelicht
                                            op de voet van artikel 82. Echter geschiedt de
                                            mededeling in geval van aantekening van hoger beroep
                                            door de griffier van het gerecht, dat vonnis heeft
                                            gewezen. Indien de verdachte, anders dan krachtens een
                                            bevel tot inverzekeringstelling, rechtens zijn vrijheid
                                            is ontnomen, wordt het verzoek onverwijld door de
                                            officier van justitie ter kennis gebracht van de
                                            instantie die met de toevoeging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien het vermoeden bestaat dat bij de verdachte van
                                            misdrijf gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing
                                            van de geestvermogens aanwezig is en dat hij ten gevolge
                                            daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te
                                            behartigen, wordt hem, indien hij nog geen raadsman
                                            heeft en een vervolging ter zake van het misdrijf tegen
                                            hem is aangevangen, tijdens het voorbereidend onderzoek
                                            door de rechter-commissaris ambtshalve een raadsman
                                            toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde inlichtingen en
                                            kennisgevingen geschieden overeenkomstig bij of
                                            krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen,
                                            vast te stellen bepalingen. Daarbij worden tevens
                                            voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het
                                            verzoek om toevoeging behoort te worden gedaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">64</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een toevoeging heeft slechts plaats, indien de verdachte
                                            geen raadsman heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elke toevoeging geldt zowel voor de eerste aanleg als
                                            voor het hoger beroep. Hierbij wordt het voorbereidend
                                            onderzoek geacht deel uit te maken van de eerste
                                            aanleg.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 2.</nr><titel status="officieel"> Vervanging van de toegevoegde
                                        raadsman</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">65</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde
                                            raadsman wordt de verdachte een andere raadsman
                                            toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn
                                            verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die
                                            met de toevoeging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de
                                            verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd.
                                            Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
                                            wordt diens verzoek door de officier van justitie zo
                                            spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de instantie
                                            die met de toevoeging is belast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">66</nr></kop><al>De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde
                                        verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen
                                        geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk
                                        kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover
                                        nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het
                                        voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter
                                        terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde
                                        rechter.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">3.</nr><titel status="officieel">Beroep inzake toevoeging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">67</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan tijdens het voorbereidend onderzoek de
                                            rechter-commissaris of, indien de zaak ter
                                            terechtzitting aanhangig is gemaakt, de bevoegde rechter
                                            om toevoeging van een raadsman verzoeken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien hij binnen vierentwintig uren na het
                                                  tijdstip waarop ingevolge artikel 62 toevoeging
                                                  had moeten plaatshebben, nog geen raadsman
                                                  heeft;</al></li><li nr="b."><al>indien zijn verzoek als bedoeld in de artikelen
                                                  63, eerste en tweede lid, en 65, tweede lid, niet
                                                  is ingewilligd;</al></li><li nr="c."><al>indien hem bij verhindering of ontstentenis van
                                                  de toegevoegde raadsman geen andere raadsman is
                                                  toegevoegd;</al></li><li nr="d."><al>indien de toevoeging op grond van artikel 61,
                                                  derde lid, is beëindigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo
                                            spoedig mogelijk beslist. De verdachte wordt, tenzij het
                                            verzoek aanstonds wordt ingewilligd, op het verzoek
                                            gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par. </label><nr status="officieel">4. </nr><titel status="officieel">Kennisgeving van de toevoeging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">68</nr></kop><al>Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt
                                        onverwijld, op de wijze bij landsbesluit, houdende algemene
                                        maatregelen, te bepalen, kennis gegeven aan de officier van
                                        justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval
                                        van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de
                                        rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het
                                        huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de
                                        directeur van die inrichting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 5. </nr><titel status="officieel">Beloning en vergoeding van
                                        kosten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">69</nr></kop><al>Voor de beloning van de bijstand door toegevoegde
                                        raadslieden alsmede voor de vergoeding van door hen
                                        noodzakelijk gemaakte onkosten worden uit's Lands kas
                                        middelen beschikbaar gesteld naar regelen te stellen bij
                                        landsbesluit, houdende algemene maatregelen.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bevoegdheden van de raadsman betreffende
                                    het verkeer met de verdachte en de kennisneming van
                                    processtukken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">70</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte wie
                                        rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan hem buiten
                                        aanwezigheid van anderen spreken en met hem brieven wisselen
                                        zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen,
                                        een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming
                                        van de huishoudelijke reglementen, zulks onverminderd
                                        hetgeen door de wettelijke bepalingen wordt gevorderd, en
                                        zonder dat het onderzoek daardoor mag worden
                                        opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden
                                        voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en
                                        verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te
                                        maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van
                                        het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt
                                        misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te
                                        belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de
                                        rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend
                                        onderzoek de officier van justitie telkens aan de bevoegde
                                        autoriteiten bevelen, dat de raadsman geen toegang tot de
                                        verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken
                                        en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en
                                        verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het
                                        bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden in de voorgaande
                                        volzin bedoeld; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen
                                        raadsman en verdachte niet meer en wordt voor niet langer
                                        gegeven dan door die omstandigheden wordt gevorderd, en is
                                        in elk geval slechts gedurende ten hoogste acht dagen van
                                        kracht.Van het bevel geschiedt onverwijld schriftelijke
                                        mededeling aan de raadsman en aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De raadsman kan tegen het bevel binnen drie dagen na die
                                        mededeling een bezwaarschrift indienen bij het Hof van
                                        Justitie. Deze wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe
                                        opgeroepen. Het Hof kan bij zijn beslissing het bevel
                                        opheffen, wijzigen of aanvullen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer het betreft een persoon die verdacht wordt van een
                                        van de in de artikelen 97 tot en met 113 van het Wetboek van
                                        Strafrecht omschreven misdrijven tegen de veiligheid van de
                                        Staat, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de
                                        rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend
                                        onderzoek de officier van justitie telkens voor het tijdvak
                                        van ten hoogste veertien dagen bevelen, dat er geen vrij
                                        verkeer tussen de verdachte en zijn raadsman zal
                                        plaatsvinden, indien hij van oordeel is, dat het belang van
                                        het onderzoek zich daartegen bepaaldelijk verzet. Van het
                                        bevel geschiedt onverwijld schriftelijke mededeling aan de
                                        raadsman en aan de verdachte. Het derde lid is van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en
                                        verdachte, die ingevolge een van de vier voorgaande leden
                                        bevolen zijn, nemen een einde zodra het gerechtelijk
                                        vooronderzoek is beëindigd of, ingeval een gerechtelijk
                                        vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding
                                        ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">ENIGE BIJZONDERE DWANGMIDDELEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">71</nr></kop><al>Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in
                                dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de toepassing van het dwangmiddel, na afweging van de in
                                        het geding zijnde belangen, niet onredelijk is,</al></li><li nr="b."><al>dat de bevoegdheid een dwangmiddel toe te passen niet voor
                                        een ander doel wordt aangewend dan waarvoor zij is
                                        verleend,</al></li><li nr="c."><al>dat het doel van het dwangmiddel niet op andere, meer
                                        doelmatige en minder ingrijpende wijze kan worden bereikt,
                                        en</al></li><li nr="d."><al>dat de ernst van de door het dwangmiddel te veroorzaken
                                        inbreuk redelijkerwijze door de ernst van het strafbare feit
                                        wordt gerechtvaardigd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Staandehouding en aanhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">72</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd van de verdachte een
                                    opgave van zijn naam, voornamen, geboortedatum, adres en woon-
                                    of verblijfplaats te vorderen en hem daartoe staande te houden.
                                    De verdachte is verplicht aan de vordering te voldoen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opsporingsambtenaar is tevens bevoegd getuigen naar de in het
                                    eerste lid bedoelde gegevens te vragen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">73</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit is
                                    ieder bevoegd de verdachte aan te houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door een opsporingsambtenaar, dan draagt
                                    deze zorg dat de aangehoudene zonder uitstel naar een plaats van
                                    verhoor en terstond daarna voor een officier van justitie of een
                                    hulpofficier wordt geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door de officier van justitie of een
                                    hulpofficier dan geleidt deze de aangehoudene zonder uitstel
                                    naar een plaats van verhoor; hij kan ook de aanhouding of
                                    voorgeleiding van de verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze de
                                    aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder
                                    afgifte aan deze van mogelijk inbeslaggenomen voorwerpen, die
                                    dan handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede lid. In
                                    geval van overlevering aan de officier van justitie of de
                                    hulpofficier is het derde lid van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">74</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de officier
                                    van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit
                                    waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het
                                    strafbare feit omschreven in artikel 454, aanhef en onder ten
                                    3e, van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen,
                                    aan te houden en zonder uitstel naar een plaats van verhoor te
                                    geleiden; hij kan ook de aanhouding of voorgeleiding van de
                                    verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden
                                    afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan de hulpofficier
                                    van justitie. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld
                                    schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van
                                    justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan ook het optreden van een hulpofficier niet worden afgewacht,
                                    dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te
                                    houden, onder de verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld
                                    voor de officier van justitie of de hulpofficier wordt geleid.
                                    Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de
                                    tweede volzin van het tweede lid van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">75</nr></kop><al>De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de
                                aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of
                                mondeling kennis aan de officier van justitie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Betreden van plaatsen ter aanhouding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">76</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf kan ieder,
                                    ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden, met
                                    uitzondering van een woning tot het binnentreden waarvan de
                                    bewoner geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, en van de
                                    plaatsen in artikel 164 genoemd, op de tijden in dat artikel
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval
                                    kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte,
                                    elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een opsporingsambtenaar die overeenkomstig het tweede lid een
                                    plaats heeft betreden, kan in afwachting van de komst van de
                                    ambtenaar die bevoegd is ter aanhouding de plaats te doorzoeken,
                                    de maatregelen nemen, die redelijkerwijze nodig zijn om te
                                    voorkomen, dat de verdachte zich aan zijn aanhouding
                                    onttrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">77</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of
                                    in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige
                                    hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie ter
                                    aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de
                                    officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan een
                                    hulpofficier van justitie deze bevoegdheid uitoefenen. Hij
                                    behoeft daartoe verlof van de officier van justitie. Dit verlof
                                    is met redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het doorzoeken van plaatsen geschiedt onder leiding van de
                                    officier van justitie of, in geval van toepassing van het tweede
                                    lid, onder leiding van de hulpofficier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Onderzoek aan lichaam en kleding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">78</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de
                                    verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft
                                    aangehouden, kan bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen
                                    deze bepalen, dat hij aan zijn lichaam of aan zijn kleding zal
                                    worden onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De overige opsporingsambtenaren zijn bevoegd de aangehoudene,
                                    tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn kleding te
                                    onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer er in geval van het eerste lid bijzondere aanwijzingen
                                    zijn dat voorwerpen of stoffen in of langs de weg van de
                                    natuurlijke openingen van het lichaam verborgen worden gehouden,
                                    kan het onderzoek aan het lichaam zich ook daartoe uitstrekken,
                                    doch slechts indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderzoek plaatsvindt door een medisch deskundige,
                                            wanneer het betreft een onderzoek van de maag, een
                                            rectaal of vaginaal onderzoek, en een meer dan
                                            oppervlakkig onderzoek van andere lichaamsholten,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>het onderzoek geschiedt op een daartoe geschikte plaats
                                            en, indien het niet door een medisch deskundige wordt
                                            verricht, door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als
                                            dat van de verdachte die aan het onderzoek wordt
                                            onderworpen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid, instrumenten
                                    of kunstmatige middelen worden aangewend met het doel de
                                    verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het lichaam te
                                    bewerkstelligen, dient voor het gebruik daarvan door de
                                    rechter-commissaris machtiging te worden verleend. In die
                                    machtiging kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking
                                    tot de wijze van uitvoering.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van
                                    justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman
                                    een deskundige, verbonden aan een van de bij of krachtens
                                    landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen
                                    laboratoria, benoemen met de opdracht een onderzoek te
                                    verrichten dat gebaseerd is op een vergelijking tussen kenmerken
                                    van celmateriaal. De deskundige brengt aan de
                                    rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft de verdachte, indien deze bekend
                                    is, steeds en zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis van de aan
                                    de deskundige verleende opdracht, van de tijd waarop en van het
                                    laboratorium alwaar het onderzoek plaatsvindt of heeft
                                    plaatsgevonden en van de uitslag daarvan. Hij wijst de verdachte
                                    op artikel 79b.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet het celmateriaal vernietigen
                                    overeenkomstig de daartoe bij landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen, gestelde regels. Van de vernietiging wordt
                                    onverwijld proces-verbaal opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Kenmerken van celmateriaal kunnen worden opgenomen in een
                                    register. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen1,
                                    worden regels gesteld omtrent de inrichting en raadpleging van
                                    het register, alsmede omtrent de gevallen waarin de opname van
                                    gegevens in dit register is toegestaan en de wijze waarop
                                    daartegen bij het Hof beroep kan worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het register, bedoeld in het vierde lid, kan, volgens bij
                                    landsbesluit, houdende algemene maatregelen1, te stellen regels,
                                    worden geraadpleegd ten behoeve van opsporingsonderzoek waarop
                                    het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de officier van
                                    justitie bevelen dat van de verdachte van een misdrijf waarvoor
                                    voorlopige hechtenis is toegelaten, bloed zal worden afgenomen
                                    ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel kan slechts worden gegeven, indien uit feiten of
                                    omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte
                                    en indien het onderzoek redelijkerwijze nodig is voor het aan de
                                    dag brengen van de waarheid. Het bevel is met redenen omkleed en
                                    wordt betekend aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft het bevel niet, dan nadat de
                                    verdachte is gehoord en vruchteloos is uitgenodigd vrijwillig
                                    bloed ten behoeve van het onderzoek af te staan. De verdachte is
                                    bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel tot afname van bloed wordt niet ten uitvoer gelegd,
                                    indien aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere
                                    geneeskundige redenen onwenselijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte ten aanzien van wie een bevel als bedoeld in het
                                    eerste lid, is gegeven, wordt door een arts zoveel bloed
                                    afgenomen als voor het onderzoek en een tegenonderzoek
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij toepassing van het vierde lid of indien de deskundige als
                                    bedoeld in artikel 79, eerste lid, oordeelt dat het bloed van de
                                    verdachte geen geschikt materiaal voor het daar bedoelde
                                    onderzoek zal opleveren, kan de rechter-commissaris bevelen dat
                                    van de verdachte wangslijmvlies, haarwortels of ander bij
                                    landsbesluit, houdende algemene maatregelen1, aan te wijzen
                                    celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als
                                    bedoeld in artikel 79, eerste lid. De laatste volzin van het
                                    tweede lid en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De verdachte kan tegen het krachtens het eerste of zesde lid
                                    gegeven bevel binnen zeven dagen na betekening in hoger beroep
                                    komen bij het Hof van Justitie, dat zo spoedig mogelijk beslist.
                                    De verdachte wordt gehoord. Het bevel wordt in afwachting van de
                                    beslissing van het Hof niet ten uitvoer gelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan, indien geen verzoek als bedoeld in artikel 79,
                                    eerste lid, is gedaan, binnen veertien dagen nadat hem de
                                    uitslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 79, eerste lid,
                                    schriftelijk is kennisgegeven, de rechter-commissaris verzoeken
                                    een andere door de verdachte aangewezen deskundige, verbonden
                                    aan een van de bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen, aan te wijzen laboratoria, te benoemen met de
                                    opdracht een onderzoek te verrichten dat gebaseerd is op een
                                    vergelijking tussen kenmerken van celmateriaal. Indien daartoe
                                    voldoende celmateriaal beschikbaar is, willigt de
                                    rechter-commissaris het verzoek in. De deskundige brengt aan de
                                    rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Artikel
                                    79, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van toepassing van het eerste lid wordt de verdachte
                                    een bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen, te bepalen gedeelte van de kosten van het onderzoek
                                    in rekening gebracht, indien dit onderzoek het in opdracht van
                                    de rechter-commissaris verrichte onderzoek bevestigt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien onvoldoende materiaal voor tegenonderzoek als bedoeld in
                                    het eerste lid beschikbaar is, stelt de rechter-commissaris de
                                    verdachte, indien slechts één verdachte bekend is, in de
                                    gelegenheid een deskundige als bedoeld in artikel 267 aan te
                                    wijzen. De deskundige dient verbonden te zijn aan een van de bij
                                    of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te
                                    wijzen laboratoria. Het eerste lid is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ten aanzien van het onderzoek door deskundigen als bedoeld in de
                                    artikelen 79 en 79b, zijn de bepalingen van de zesde afdeling
                                    van de derde Titel van het Vierde Boek van overeenkomstige
                                    toepassing, behoudens voor zover daarvan in artikel 79 en 79b
                                    wordt afgeweken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij toepassing van artikel 267 is artikel 79b niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">79d</nr></kop><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen2,
                                worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de
                                artikelen 79, 79a, en 79b, in het bijzonder met betrekking tot de
                                wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de
                                methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de
                                deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de
                                wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en
                                het bewaren van celmateriaal.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Ophouding voor verhoor</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">80</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als de aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor is
                                    geleid, mag hij met het oog op het verhoor niet langer dan zes
                                    uren worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen 10
                                    uur 's avonds en 8 uur 's morgens niet wordt meegerekend. De
                                    hulpofficier van justitie kan bepalen, dat het verhoor, indien
                                    het belang van de zaak dat bepaaldelijk vordert, aaneensluitend
                                    na 10 uur wordt voortgezet. De duur van het verhoor na 10 uur
                                    wordt op de zes uren in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn vangt aan op het tijdstip dat de verdachte op de
                                    plaats van verhoor is aangekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is de verdachte niet in staat het verhoor te ondergaan, dan
                                    vangt de termijn aan op het tijdstip dat hij daartoe wel in
                                    staat is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">81</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan
                                    die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in
                                    het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tijdens de ophouding voor het verhoor kunnen onder meer de in
                                    artikel 90, tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde maatregelen
                                    in het belang van het onderzoek worden bevolen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere
                                    regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in
                                    het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Mededeling van rechten bij ophouding voor
                                verhoor</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">82</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere verdachte, die naar een plaats van verhoor is geleid,
                                    wordt terstond daarna, in ieder geval voordat het verhoor een
                                    aanvang neemt, op de hoogte gebracht van:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de reden van de vrijheidsontneming,</al></li><li nr="b."><al>het recht om zich te onthouden van antwoorden, en</al></li><li nr="c."><al>het recht zich door een raadsman te doen bijstaan en,
                                            bij toepasselijkheid van de artikelen 62 of 63, het
                                            recht om toevoeging van een raadsman te verzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Behalve de mondelinge mededeling van de rechten, bedoeld in het
                                    eerste lid, wordt aan de verdachte een formulier uitgereikt,
                                    waarop die rechten zijn vermeld. Het model van het formulier
                                    wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen. Het formulier is steeds beschikbaar in tenminste de
                                    navolgende talen: Nederlands, Papiamentu, Engels en Spaans.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Na de mededeling van zijn rechten tekent de verdachte het
                                    formulier voor gezien. Weigert hij te tekenen, dan wordt daarvan
                                    in het proces-verbaal melding gemaakt. Een afschrift van het
                                    formulier wordt bij de processtukken gevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De mededeling geschiedt in een taal die de verdachte verstaat.
                                    Bij gegronde twijfel of een verdachte de mededeling goed heeft
                                    begrepen, neemt het verhoor geen aanvang, voordat de bijstand
                                    van een tolk is ingeroepen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Inverzekeringstelling</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">83</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie of de hulpofficier, voor wie de
                                    verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft
                                    aangehouden of verhoord, kan na het verhoor, in het belang van
                                    het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter
                                    beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in
                                    het bevel aan te duiden plaats in verzekering zal worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte wordt, door de officier van justitie of de
                                    hulpofficier voorafgaand aan het bevel, gehoord. Hem wordt
                                    tevens meegedeeld, dat hem vanaf het tijdstip waarop het bevel
                                    tot inverzekeringstelling wordt verleend en gedurende die
                                    periode, kosteloos een raadsman zal worden toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van het horen wordt in het proces-verbaal van verhoor melding
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De hulpofficier geeft van zijn bevel ten spoedigste, maar in
                                    ieder geval binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling
                                    kennis aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de
                                    officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte.
                                    Binnen de eerste vierentwintig uren is daartoe ook bevoegd de
                                    hulpofficier, die het bevel heeft gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Gelast de hulpofficier de invrijheidstelling niet, dan doet hij
                                    de verdachte voor de officier van justitie geleiden, voor zover
                                    deze niet anders beslist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">84</nr></kop><al>De officier van justitie doet de aangehouden verdachte, wiens
                                bewaring hij noodzakelijk oordeelt, onverwijld geleiden voor de
                                rechter-commissaris.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">85</nr></kop><al>Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering
                                gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris
                                geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid
                                gesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">86</nr></kop><al>Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval
                                van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
                                Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste
                                aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet
                                meer worden verleend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">87</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot inverzekeringstelling is gedurende ten hoogste
                                    twee dagen van kracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij dringende noodzakelijkheid in het belang van het onderzoek
                                    kan de inverzekeringstelling door de officier van justitie
                                    eenmaal worden verlengd en wel met ten hoogste acht dagen. De
                                    verdachte wordt door de officier van justitie gehoord voordat
                                    hij overeenkomstig artikel 89 voor de rechter-commissaris wordt
                                    geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De termijnen gaan in op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.
                                    Zij lopen niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de
                                    tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Artikel 83,vijfde en zesde lid, en artikel 86 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">88</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is
                                    gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevat een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het
                                    strafbare feit, en vermeldt zoveel mogelijk de datum en de
                                    plaats van het feit, de grond van de uitvaardiging en de
                                    bepaalde omstandigheden die tot het aannemen van die grond
                                    hebben geleid. Het vermeldt tevens het tijdstip waarop en de
                                    duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waar de
                                    inverzekeringstelling wordt ondergaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere
                                    bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend
                                    zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Aan
                                    het bureau van de reclassering wordt eveneens een afschrift
                                    verstrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">89</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
                                    vierentwintig uren nadat de tenuitvoerlegging van het bevel tot
                                    verlenging van de inverzekeringstelling een aanvang heeft
                                    genomen, voor de rechter-commissaris geleid. De raadsman is
                                    bevoegd daarbij aanwezig te zijn. Hij wordt in de gelegenheid
                                    gesteld de nodige opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris voortzetting van de
                                    inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelt, gelast hij de
                                    onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Blijft
                                    zodanig bevel achterwege, dan behoudt het door de officier van
                                    justitie of de hulpofficier verleende bevel zijn volledige
                                    rechtskracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de voorgeleiding overeenkomstig het eerste lid niet heeft
                                    plaatsgevonden, wordt de verdachte terstond in vrijheid
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">90</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De in verzekering gestelde personen worden aan geen andere
                                    beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun
                                    opsluiting of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tijdens de inverzekeringstelling kunnen door de officier van
                                    justitie en, in geval van het gerechtelijk vooronderzoek, de
                                    rechter-commissaris in het bijzonder als maatregel in het belang
                                    van het onderzoek jegens de verdachte worden bevolen:</al><lijst><li nr="a."><al>het maken van afbeeldingen, al dan niet in bepaalde
                                            standen;</al></li><li nr="b."><al>het tijdelijk doen aantrekken van bepaalde kleding,
                                            daaronder begrepen het opzetten van een bril of het
                                            dragen van een pruik;</al></li><li nr="c."><al>het vastleggen van uiterlijke lichamelijke
                                            kenmerken;</al></li><li nr="d."><al>een onderzoek van schrijf- en stemkenmerken;</al></li><li nr="e."><al>sorteer- en geurproeven;</al></li><li nr="f."><al>een tegenoverstelling met derden;</al></li><li nr="g."><al>de beperking of ontzegging van de uitreiking van kranten
                                            en lectuur;</al></li><li nr="h."><al>algemeen of individueel bepaalde bezoek-, contact- en
                                            correspondentieverboden;</al></li><li nr="i."><al>een verbod op het voeren van telefoongesprekken;</al></li><li nr="j."><al>afzondering;</al></li><li nr="k."><al>het overbrengen naar bepaalde plaatsen;</al></li><li nr="l."><al>het afscheren, knippen of laten groeien van baard- en
                                            hoofdhaar;</al></li><li nr="m."><al>de in artikel 78 bedoelde onderzoeken en de aldaar
                                            bedoelde verwijdering van voorwerpen en stoffen;</al></li><li nr="n."><al>een onderzoek van het op grond van artikel 78 verkregen
                                            materiaal.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, alsmede f tot
                                    en met j, bedoelde maatregelen kunnen tevens worden bevolen door
                                    de hulpofficier van justitie die de inverzekeringstelling heeft
                                    gelast, indien het optreden van de officier van justitie niet
                                    kan worden afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De toepassing van de in het tweede lid bedoelde maatregelen
                                    wordt schriftelijk vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Voor maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen l, m,
                                    voor zover het de verwijdering van voorwerpen en stoffen uit het
                                    lichaam betreft, en n, voor zover het lichaamsmateriaal betreft,
                                    dient door de rechter-commissaris een machtiging te worden
                                    verleend. Artikel 78, vierde lid, laatste volzin, is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De uitvoering van de in het tweede lid bedoelde maatregelen
                                    geschiedt onder verantwoordelijkheid van de officier van
                                    justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Tegen de oplegging van in het tweede lid bedoelde maatregelen
                                    kan de verdachte binnen zeven dagen een bezwaarschrift indienen
                                    bij het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>Een maatregel wordt, in afwachting van de rechterlijke
                                    beslissing op het bezwaarschrift, niet ten uitvoer gelegd,
                                    tenzij de rechter-commissaris of de officier van justitie de
                                    onverwijlde tenuitvoerlegging in het belang van het onderzoek
                                    volstrekt noodzakelijk acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels
                                    worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit
                                    artikel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">90a</nr></kop><al>39 Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde
                                personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling
                                bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij landsbesluit, houdende
                                algemene maatregelen, nadere regels gesteld, voor zover daarin bij
                                een bijzondere landsverordening, houdende regels voor de
                                tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">91</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tijdens de periode van inverzekeringstelling kan de verdachte,
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 89, de rechter-commissaris
                                    schriftelijk om zijn invrijheidstelling verzoeken. De
                                    rechter-commissaris hoort de verdachte en de officier van
                                    justitie, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op het verzoek wordt zo spoedig mogelijk beslist. Indien de
                                    rechter-commissaris de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt,
                                    gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de
                                    verdachte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Voorlopige hechtenis</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewaring</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">92</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier
                                        van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte
                                        verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld
                                        mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem
                                        alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens
                                        mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het
                                        tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal
                                        worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel
                                        is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond
                                        bestaat, wijst hij de vordering af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de
                                        verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie
                                        en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een
                                        bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien
                                        het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden
                                        afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel
                                        gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">93</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de
                                        rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste acht
                                        dagen, die ingaat op het ogenblik van de
                                        tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering van de officier van justitie kan de
                                        rechter-commissaris de geldigheidsduur van het bevel eenmaal
                                        voor een termijn van ten hoogste acht dagen verlengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris hoort de verdachte, indien hij
                                        daartoe gronden aanwezig acht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">94</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">40 1.</lidnr><al>Ten aanzien van de bewaring zijn artikel 90, met
                                        uitzondering van het derde en zesde lid, alsmede artikel 90a
                                        van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitvoering van de maatregelen die krachtens het eerste
                                        lid kunnen worden bevolen, vindt in het huis van bewaring
                                        plaats onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het
                                        huis van bewaring.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevangenhouding en gevangenneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">95</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van
                                    justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich
                                    in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te
                                    hebben gesteld om te worden gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">96</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de
                                    uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van
                                    de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte
                                    bevelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">97</nr></kop><al>Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de
                                    rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de
                                    officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte
                                    bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd
                                    te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">98</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is van
                                        kracht gedurende een door de rechter te bepalen termijn van
                                        ten hoogste zestig dagen, die ingaat op het ogenblik van de
                                        tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het bevel is gegeven op de terechtzitting, dan wel,
                                        binnen de krachtens het eerste lid bepaalde termijn, het
                                        onderzoek op de terechtzitting is aangevangen, blijft het
                                        bevel voor onbepaalde tijd geldig en blijft van kracht
                                        totdat het is opgeheven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De termijn gedurende welke het bevel van kracht is, kan door
                                        de rechter-commissaris op de vordering van de officier van
                                        justitie, voor de aanvang van het onderzoek op de
                                        terechtzitting eenmaal met ten hoogste dertig dagen worden
                                        verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en dit op
                                        grond van bijzondere, op de zaak zelf betrekking hebbende
                                        omstandigheden niet binnen negentig dagen nadat het bevel
                                        tot gevangenhouding van kracht is geworden, is voltooid, kan
                                        op de vordering van de officier van justitie de
                                        rechter-commissaris in de gevallen en op de gronden, vermeld
                                        in de artikelen 100 en 101, de termijn nog eenmaal met ten
                                        hoogste dertig dagen verlengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op elke
                                        vordering op grond van dit artikel te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Op bevelen tot verlenging, overeenkomstig het derde en
                                        vierde lid, zijn het eerste en tweede lid van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">99</nr></kop><al>Ten aanzien van de gevangenhouding en de gevangenneming is
                                    artikel 94 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevallen waarin voorlopige hechtenis is
                                    toegestaan</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">100</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven in
                                        geval van verdenking van:</al><lijst><li nr="a."><al>een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving
                                                gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld,
                                                of</al></li><li nr="b."><al>een van de misdrijven omschreven in de artikelen
                                                204, eerste en tweede lid, 236, 245, derde lid, 259,
                                                266, 298, eerste lid, 321a, 334, 339, 339a, 366,
                                                eerste lid, 368, 404, 405, 410 en 431 van het
                                                Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel kan voorts worden gegeven, indien de verdachte
                                        geen vaste woon- of verblijfplaats in de Nederlandse
                                        Antillen heeft, en hij verdacht wordt van een misdrijf,
                                        waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is
                                        gesteld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gronden voor voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">101</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een bevel, als bedoeld in artikel 100, kan slechts worden
                                        gegeven, indien uit feiten of omstandigheden blijkt van
                                        ernstige bezwaren tegen de verdachte ter zake van de in dat
                                        artikel vermelde misdrijven, en voorts:</al><lijst><li nr="a."><al>indien uit bepaalde gedragingen van de verdachte of
                                                uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende
                                                omstandigheden blijkt van ernstig gevaar voor
                                                vlucht, of</al></li><li nr="b."><al>indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van een
                                                gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid,
                                                die de onverwijlde vrijheidsontneming vordert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid kan
                                        voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking
                                        worden genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien wegens het vermoedelijk begane feit
                                                levenslange gevangenisstraf, dan wel tijdelijke van
                                                zes jaren of meer kan worden opgelegd of de
                                                rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt,
                                                of</al></li><li nr="b."><al>indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden,
                                                dat de verdachte een misdrijf zal begaan, waarop
                                                naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf
                                                van zes jaren of meer is gesteld, of waardoor de
                                                veiligheid van de staat of de gezondheid of
                                                veiligheid van personen in gevaar kan worden
                                                gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan
                                                ontstaan, of</al></li><li nr="c."><al>indien de voorlopige hechtenis in redelijkheid
                                                noodzakelijk is voor het, anders dan door
                                                verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen
                                                van de waarheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege, indien
                                        ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid
                                        dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen
                                        onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsontneming
                                        strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hem
                                        bij tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd rechtens
                                        zijn vrijheid zou worden ontnomen dan de duur van de straf
                                        of maatregel.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen
                                    tot voorlopige hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">102</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige
                                        hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de
                                        verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel heeft
                                        onttrokken of hem uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid
                                        is ontnomen. Ondergaat evenwel de verdachte op het tijdstip
                                        dat het bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven een
                                        vrijheidsstraf, dan wordt de tenuitvoerlegging van de straf
                                        van rechtswege geschorst zolang het bevel van kracht is. De
                                        in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt in dat
                                        geval zoveel mogelijk in mindering gebracht op die
                                        straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien binnen de in de eerste volzin van het eerste lid
                                        bedoelde termijn een vordering krachtens artikel 281, dan
                                        wel een bezwaarschrift tegen de dagvaarding is ingediend,
                                        blijft het bevel, onverminderd het bepaalde in artikel 98,
                                        tweede lid, van kracht totdat dertig dagen zijn verstreken
                                        sedert de dag waarop onherroepelijk op de vordering of het
                                        bezwaarschrift is beschikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">103</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot voorlopige hechtenis kan te allen tijde door
                                        de rechter-commissaris, dan wel nadat het onderzoek ter
                                        terechtzitting is aangevangen, door de rechter in eerste
                                        aanleg worden opgeheven. De rechter in eerste aanleg kan dit
                                        doen ambtshalve, op het verzoek van de verdachte of op de
                                        vordering van de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte die voor de eerste maal opheffing verzoekt,
                                        wordt, tenzij de rechter reeds aanstonds tot inwilliging
                                        besluit, in de gelegenheid gesteld op het verzoek te worden
                                        gehoord.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige
                                    hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">104</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Uiterlijk drie dagen na de tenuitvoerlegging kan de
                                        verdachte van de beschikking, houdende bevel tot
                                        gevangenneming of gevangenhouding, bij het Hof van Justitie
                                        in hoger beroep komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Binnen dezelfde termijn kan de verdachte in beroep komen van
                                        een bevel tot verlenging van de gevangenhouding, doch
                                        slechts wanneer door hem geen hoger beroep werd ingesteld
                                        tegen het bevel tot gevangenhouding en ook niet tegen een
                                        eerder bevel tot verlenging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Alvorens het Hof beslist wordt de verdachte in de
                                        gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Voorlopige hechtenis bij
                                    einduitspraken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">105</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij alle einduitspraken wordt, behoudens het bepaalde in
                                        artikel 34, tweede lid, het bevel tot voorlopige hechtenis
                                        opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel
                                        is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van
                                        langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis
                                        doorgebrachte tijd, noch een maatregel die
                                        vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen,
                                        onvoorwaardelijk is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde
                                        vrijheidsstraf die van de reeds ondergane voorlopige
                                        hechtenis met minder dan vijf maanden overtreft en geen
                                        maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan meebrengen
                                        onvoorwaardelijk is opgelegd, wordt, onverminderd het
                                        bepaalde in artikel 103, bij de einduitspraak het bevel tot
                                        voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip
                                        waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van
                                        de straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit
                                        artikel wordt onder de in voorlopige hechtenis doorgebrachte
                                        tijd begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in
                                        verzekering was gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de einduitspraak tot invrijheidstelling van de
                                        verdachte zou moeten leiden, kan de rechter, in afwijking
                                        van het eerste lid en alle belangen in aanmerking genomen,
                                        bepalen, dat de voorlopige hechtenis gedurende een termijn
                                        van ten hoogste drie weken van kracht blijft, onverminderd
                                        het bepaalde in het vijfde en zesde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de einduitspraak nietigverklaring van de dagvaarding
                                        inhoudt, de officier van justitie een nieuwe dagvaarding
                                        uitbrengt en de behandeling ter terechtzitting binnen de
                                        termijn van drie weken geen aanvang heeft genomen, wordt de
                                        verdachte bij het verstrijken van die termijn terstond in
                                        vrijheid gesteld.Vindt de behandeling ter terechtzitting wel
                                        binnen deze termijn plaats, dan duurt de voorlopige
                                        hechtenis voort, overeenkomstig artikel 98, tweede lid, ook
                                        ingeval de verdachte tegen die nieuwe dagvaarding een
                                        bezwaarschrift heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de einduitspraak vrijspraak van het tenlastegelegde
                                        of ontslag van rechtsvervolging inhoudt en tegen die
                                        beslissing hoger beroep is aangetekend, dient de behandeling
                                        ter terechtzitting in hoger beroep binnen drie weken na de
                                        einduitspraak te zijn aangevangen. Indien die termijn is
                                        verstreken, voordat de behandeling in hoger beroep een
                                        aanvang heeft genomen, of indien, voordat die termijn is
                                        verstreken, het openbaar ministerie van het hoger beroep
                                        heeft afgezien, wordt de verdachte terstond in vrijheid
                                        gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">106</nr></kop><al>Behoudens het bepaalde in artikel 105, tweede lid, zijn bevelen
                                    tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk
                                    uitvoerbaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">107</nr></kop><al>Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing
                                    is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend,
                                    wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige
                                    hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">108</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de
                                        in de artikelen 96 tot en met 103 bedoelde bevelen met
                                        overeenkomstige toepassing van die artikelen gegeven door
                                        het Hof van Justitie, behoudens de volgende
                                        afwijkingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onverminderd het in artikel 97 bepaalde, kan het Hof ook bij
                                        de einduitspraak, niettegenstaande een eerder beëindigde
                                        voorlopige hechtenis en onverminderd het in de artikelen 100
                                        en 101, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, bepaalde,
                                        de gevangenneming van de verdachte bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is, na de
                                        einduitspraak in eerste aanleg, voor een termijn van ten
                                        hoogste vijf maanden van kracht. Echter toetst het Hof
                                        binnen een termijn van dertig dagen, nadat hoger beroep is
                                        aangetekend, of de gevallen en de gronden, bedoeld in de
                                        artikelen 100 en 101, nog aanwezig zijn. Het Hof hoort de
                                        verdachte, indien het daartoe gronden aanwezig acht. De
                                        termijn van vijf maanden kan, indien er gegronde redenen
                                        zijn, waarom het onderzoek op de terechtzitting niet binnen
                                        deze termijn een aanvang kan nemen, door het Hof eenmaal met
                                        ten hoogste dertig dagen worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor
                                        het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn
                                        door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is,
                                        evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel,
                                        geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling
                                        ingevolge de artikelen 103, 105, 107 en 108, vijfde lid,
                                        totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook
                                        ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is
                                        aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel
                                        14 van de Cassatieregeling van de Nederlandse Antillen en
                                        Aruba naar het Hof heeft verwezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Buiten de gevallen voorzien in artikel 105 heft het Hof van
                                        Justitie het bevel op met ingang van het tijdstip waarop de
                                        duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan
                                        de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf,
                                        tenzij een maatregel die vrijheidsontneming meebrengt of kan
                                        meebrengen onvoorwaardelijk is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de in
                                        voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd begrepen de tijd
                                        gedurende welke de verdachte in verzekering was
                                        gesteld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ACHTSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het horen van de in voorlopige hechtenis
                                    gestelde verdachte</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">109</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor
                                        mondeling is meegedeeld dat een bevel tot voorlopige
                                        hechtenis tegen hem zal worden uitgevaardigd, wordt hij
                                        binnen vierentwintig uren na zijn opneming in de plaats
                                        waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan,
                                        gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het horen geschiedt gedurende het voorbereidend onderzoek
                                        door de rechter-commissaris; na de aanvang van het onderzoek
                                        op de terechtzitting in eerste aanleg door de rechter in
                                        eerste aanleg; na de aantekening van beroep van de
                                        einduitspraak door het Hof van Justitie dan wel een lid van
                                        dat college.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van het horen wordt met overeenkomstige toepassing van de
                                        artikelen 213 tot en met 218 steeds proces-verbaal
                                        opgemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">NEGENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inhoud van de bevelen en hun
                                    betekening</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">110</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de
                                        geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de
                                        verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke
                                        verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten
                                        of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101
                                        gestelde voorwaarden zijn vervuld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en
                                        andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze
                                        onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel vermeldt voorts het tijdstip waarop en de duur
                                        waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waarin de
                                        voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte
                                        betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TIENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Schorsing en opschorting van de voorlopige
                                    hechtenis</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">111</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van
                                        het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte
                                        of diens raadsman, bevelen, dat de voorlopige hechtenis zal
                                        worden geschorst, zodra de verdachte al of niet onder
                                        zekerheidstelling zich, in de vorm door de rechter te
                                        bepalen, bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de
                                        schorsing te verbinden voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder de voorwaarden van de schorsing wordt steeds
                                        opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de verdachte, indien de opheffing van de
                                                schorsing mocht worden bevolen, zich aan de
                                                tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige
                                                hechtenis niet zal onttrekken, en</al></li><li nr="b."><al>dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit,
                                                waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot
                                                andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden
                                                veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan
                                                niet zal onttrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De zekerheidstelling voor de nakoming van de voorwaarden
                                        bestaat hetzij in de storting van geldswaarden door de
                                        verdachte of een derde, hetzij in de verbintenis van een
                                        derde als waarborg. In het laatste geval wordt bij het
                                        verzoek een schriftelijke bereidverklaring van de waarborg
                                        overgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter bepaalt in zijn beslissing het bedrag waarvoor,
                                        en de wijze waarop zekerheid zal zijn te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte en de waarborg worden op het eerste verzoek of
                                        de eerste vordering gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">112</nr></kop><al>De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar
                                    ministerie of op het verzoek van de verdachte in de beslissing
                                    tot schorsing wijziging brengen. De verdachte wordt
                                    gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">113</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve of op de vordering van het
                                        openbaar ministerie te allen tijde de opheffing van de
                                        schorsing bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens daartoe over te gaan, hoort de rechter zo mogelijk
                                        de verdachte en kan hij te dien einde, zo nodig onder
                                        bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding
                                        gelasten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">114</nr></kop><al>De bevoegdheid tot schorsing, tot opheffing van de schorsing of
                                    tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden komt
                                    toe aan de rechter, die de voorlopige hechtenis heeft bevolen.
                                    Indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, is de
                                    rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft
                                    geoordeeld, daartoe bevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">115</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte de voorwaarden niet naleeft, of indien
                                        uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van
                                        gevaar voor vlucht, kan zijn aanhouding worden bevolen door
                                        de officier van justitie of een hulpofficier van justitie.
                                        Deze laatste geeft van zijn bevel en van de aanhouding
                                        krachtens dat bevel onverwijld kennis aan de officier van
                                        justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie de gedane aanhouding
                                        noodzakelijk blijft achten, dient hij onverwijld zijn
                                        vordering bij de rechter in, die binnen tweemaal
                                        vierentwintig uren daarna beslist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">116</nr></kop><al>De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot
                                    wijziging van de beslissing zijn dadelijk uitvoerbaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">117</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris of van de
                                        rechter in eerste aanleg tot schorsing of tot wijziging van
                                        een beslissing tot schorsing, staat voor de officier van
                                        justitie uiterlijk drie dagen daarna beroep bij het Hof van
                                        Justitie open.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, die schorsing of opheffing van de voorlopige
                                        hechtenis dan wel wijziging van een beslissing tot schorsing
                                        heeft verzocht, kan van een afwijzende beslissing op dat
                                        verzoek uiterlijk drie dagen na de betekening bij het Hof
                                        van Justitie in hoger beroep komen. De verdachte kan,
                                        ongeacht de aard van de beslissing, slechts eenmaal in
                                        beroep komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tegen de door het Hof bevolen schorsing of wijziging van een
                                        beslissing tot schorsing is geen voorziening
                                        toegelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">118</nr></kop><al>Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt
                                    daaronder begrepen opschorting.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Inbeslagneming</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen en
                                        vorderingen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te
                                        brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als
                                        bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de
                                        Nederlandse Antillen, aan te tonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voorts zijn vatbaar voor inbeslagneming alle voorwerpen en
                                        vorderingen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het
                                        verkeer kan worden bevolen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de
                                        wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier
                                        of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld
                                        waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen,
                                        kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van
                                        het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op
                                        te leggen geldboete.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van verdenking van of veroordeling wegens een
                                        misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving
                                        gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is
                                        gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar
                                        voordeel van enig belang kan worden verkregen, kunnen
                                        voorwerpen in beslag worden genomen tot bewaring van het
                                        recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf
                                        op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag
                                        aan het Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
                                        voordeel, als bedoeld in artikel 38e Wetboek van strafrecht
                                        van de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle
                                        vermogensrechten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119b</nr></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door
                                            een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;</al></li><li nr="b."><al>dat bij het leggen en beëindigen van beslag op
                                            onroerende goederen de tussenkomst van de deurwaarder
                                            wordt ingeroepen en formaliteiten in acht worden genomen
                                            welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke
                                            Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen gelden ten
                                            aanzien van de mededeling of aanzegging van de
                                            inbeslagneming, dan wel de betekening van het
                                            proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening,
                                            inschrijving of doorhaling in registers en de betekening
                                            daarvan aan derden;</al></li><li nr="c."><al>dat bij het leggen of beëindigen van beslag op schepen
                                            en luchtvaartuigen formaliteiten in acht worden genomen
                                            welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke
                                            Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen gelden ten
                                            aanzien van de betekening van het proces-verbaal van
                                            inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake
                                            teboekgestelde schepen onderscheidenlijk luchtvaartuigen
                                            ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in
                                            registers.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119c</nr></kop><al>Op het beslag bedoeld in artikel 119a, is de Vierde Titel van
                                    het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
                                    van de Nederlandse Antillen van overeenkomstige toepassing,
                                    behoudens dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het leggen van het beslag geen bevelschrift van de
                                            rechter in eerste aanleg vereist is, noch vrees voor
                                            verduistering behoeft te bestaan;</al></li><li nr="b."><al>een maximum bedrag waarvoor het recht tot verhaal zal
                                            worden uitgeoefend in het proces-verbaal van
                                            inbeslagneming of het beslagexploit dient te worden
                                            vermeld;</al></li><li nr="c."><al>geen overeenkomstige toepassing toekomt aan
                                            voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag
                                            de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>het niet in acht nemen van termijnen waarbinnen
                                            betekening van het beslag moet plaatsvinden, buiten de
                                            gevallen van artikel 119b, onderdeel b, geen nietigheid
                                            van het beslag meebrengt;</al></li><li nr="e."><al>op in beslag genomen roerende zaken die in bewaring
                                            worden genomen de artikelen 141 tot en met 143 van
                                            toepassing zijn;</al></li><li nr="f."><al>de beëindiging van het beslag met inachtneming van de
                                            bepalingen van dit wetboek geschiedt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">119d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot bewaring van het recht tot verhaal kan de officier van
                                        justitie namens het Land de bevoegdheid uitoefenen, welke in
                                        artikel 1358 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse
                                        Antillen is toegekend aan een schuldeiser die in zijn
                                        verhaalsmogelijkheden is benadeeld als gevolg van een
                                        onverplicht door de schuldenaar verrichte rechtshandeling.
                                        De artikelen 39 en 41 van het Faillissementsbesluit 1931
                                        zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 39 en 41 van het
                                        Faillissementsbesluit 1931 geldt het in die artikelen
                                        bedoelde vermoeden van wetenschap voor rechtshandelingen
                                        welke door de verdachte of veroordeelde zijn verricht binnen
                                        één jaar vóór het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is
                                        aangevangen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het
                                        recht tot verhaal de bevoegdheid namens het Land als
                                        schuldeiser in het faillissement van de verdachte of de
                                        veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of
                                        van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog
                                        niet vaststaat wordt hij geacht voor een voorwaardelijke
                                        vordering op te komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De officier van justitie behoudt de bevoegdheden, bedoeld in
                                        het eerste en het tweede lid, ondanks faillissement, voor
                                        zover de voorwerpen waarop de onverplichte rechtshandelingen
                                        betrekking hebben, niet door de curator op grond van de
                                        artikelen 38 tot en met 47 van het Faillissementsbesluit
                                        1931 worden opgevorderd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inbeslagneming door opsporingsambtenaren
                                    of bijzondere personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">120</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Hij die de verdachte aanhoudt of staande houdt, kan voor
                                        inbeslagneming vatbare voorwerpen, door deze met zich
                                        gevoerd, in beslag nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met betrekking tot het onderzoek aan het lichaam of de
                                        kleding van de aangehouden verdachte gelden de bepalingen
                                        van artikel 78.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">121</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde voor
                                        inbeslagneming vatbare voorwerpen in beslag nemen en
                                        daartoe, in geval van ontdekking op heterdaad, zonodig elke
                                        plaats betreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad zijn zij ter
                                        inbeslagneming tevens bevoegd in voer-, vaar- en
                                        luchtvaartuigen gericht en stelselmatig onderzoek te
                                        doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">122</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf
                                        waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier
                                        van justitie bij dringende noodzakelijkheid en indien het
                                        optreden van de rechter-commissaris niet kan worden
                                        afgewacht:</al><lijst><li nr="a."><al>ter inbeslagneming huiszoeking doen en de daarvoor
                                                vatbare voorwerpen in beslag nemen;</al></li><li nr="b."><al>ter gelegenheid van een schouw elders, voor
                                                inbeslagneming vatbare voorwerpen, voor zover deze
                                                voor de hand worden aangetroffen, in beslag
                                                nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden
                                        afgewacht, dan komt de bevoegdheid toe aan een hulpofficier
                                        van justitie, onder verplichting om van de ondernomen
                                        handeling onverwijld kennis te geven aan de officier van
                                        justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geval van toepassing van het eerste en tweede lid is de
                                        officier van justitie of de hulpofficier van justitie
                                        bevoegd elke plaats te betreden. De artikelen 155 tot en met
                                        164 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">123</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van een strafbaar feit als omschreven in de
                                        artikelen 97 tot en met 102, 103a tot en met 104c, 245, 246,
                                        256, 258, 259, 260, 265 of 447 van het Wetboek van
                                        Strafrecht, zijn de opsporingsambtenaren te allen tijde
                                        bevoegd ter inbeslagneming de uitlevering te vorderen van
                                        alle voor inbeslagneming vatbare voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij hebben te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen,
                                        waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat een zodanig
                                        strafbaar feit wordt begaan. De artikelen 155 tot en met 164
                                        zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">124</nr></kop><al>De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde vrije toegang tot
                                    alle lokaliteiten en alle plaatsen, waarvan redelijkerwijze kan
                                    worden vermoed, dat zij door een goud- of zilversmid, kashouder,
                                    horlogemaker, rijwiel- of autohandelaar, uitdrager, opkoper of
                                    tagrijn worden gebruikt. Artikel 95bis van het Wetboek van
                                    Strafrecht, zomede de artikelen 155 tot en met 164 van dit
                                    wetboek zijn van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">125</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld
                                        bij artikel 252, worden, tenzij met hun toestemming, niet in
                                        beslag genomen brieven of andere geschriften, waartoe hun
                                        plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Geschiedt bij zodanige personen huiszoeking, dan vindt zij,
                                        tenzij met hun toestemming, alleen plaats, voor zover zij
                                        zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim
                                        kan geschieden, en strekt zij zich niet uit tot brieven of
                                        andere geschriften die niet het voorwerp van het strafbare
                                        feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">126</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij het belang van het onderzoek dit dringend vordert,
                                        wordt tot inbeslagneming in een woning niet overgegaan dan
                                        nadat de bewoner of, indien hij afwezig is, een van zijn
                                        aanwezige huisgenoten is gehoord en vruchteloos uitgenodigd
                                        de voorwerpen vrijwillig af te geven ter
                                        inbeslagneming.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor zover het belang van het onderzoek zich daartegen niet
                                        verzet, stelt de opsporende ambtenaar de bewoner of, indien
                                        deze afwezig is, een van zijn aanwezige huisgenoten in de
                                        gelegenheid, zich omtrent de ter plaatse aangetroffen en
                                        voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te verklaren.
                                        Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdachte, indien deze
                                        tegenwoordig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zich tijdens een huiszoeking door
                                        zijn raadsman te doen bijstaan, zonder dat het onderzoek
                                        daardoor mag worden opgehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">127</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf
                                        waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier
                                        van justitie, in afwachting van het optreden van de
                                        rechter-commissaris, bij dringende noodzakelijkheid ter
                                        inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs bevelen
                                        van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten, die
                                        aan de post, de telegrafie of aan een andere instelling van
                                        vervoer zijn toevertrouwd; een en ander voor zover zij
                                        klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem
                                        afkomstig zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ieder die ten behoeve van dat vervoer zodanige zaken onder
                                        zich heeft of krijgt, geeft dienaangaande aan de officier
                                        van justitie of aan de hulpofficier op diens vordering de
                                        door deze gewenste inlichtingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">128</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie geeft inbeslaggenomen pakketten,
                                        brieven, stukken en andere berichten, die aan de post, de
                                        telegrafie of aan een andere instelling van vervoer waren
                                        toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt
                                        gehandhaafd, onverwijld aan de vervoerder ter verzending
                                        terug.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot kennisneming van de inhoud van de overige zaken, voor
                                        zover deze gesloten zijn, gaat de officier van justitie niet
                                        over dan na daartoe door de rechter-commissaris te zijn
                                        gemachtigd.Wordt de machtiging niet verleend, dan geeft de
                                        officier van justitie de inbeslaggehouden zaken onverwijld
                                        aan de vervoerder ter verzending terug.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">129</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Blijken de zaken na opening van belang voor het onderzoek,
                                        dan voegt de officier van justitie deze bij de processtukken
                                        of de stukken van overtuiging. In het tegenovergestelde
                                        geval worden zij, na door de officier van justitie te zijn
                                        gesloten, door deze onverwijld naar hun bestemming
                                        verzonden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt,
                                        worden zij vooraf door de hulpofficier van justitie
                                        gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De inhoud van de door de officier van justitie geopende
                                        zaken, voor zover deze niet bij de processtukken of de
                                        stukken van overtuiging zijn gevoegd, wordt door hem geheim
                                        gehouden. Gelijke geheimhouding wordt door hem en door de
                                        hulpofficier van justitie in acht genomen ter zake van de
                                        inlichtingen, in artikel 127, tweede lid, vermeld, voor
                                        zover daarvan niet uit de processtukken blijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van de inbeslagneming, de teruggave, de opening en de
                                        verzending wordt door de officier van justitie
                                        proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt
                                        gevoegd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">A De inbeslagneming op grond van artikel
                                    119a</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">129a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Beslag op grond van artikel 119a kan slechts worden gelegd
                                        of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op
                                        vordering van de officier van justitie te verlenen door de
                                        rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig
                                        mogelijk aan de verdachte of de veroordeelde, en zo het
                                        beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze
                                        betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Inbeslagneming door de
                                    rechter-commissaris</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">130</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris is tot inbeslagneming van alle
                                        daarvoor vatbare voorwerpen bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">131</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan bevelen dat hij, die
                                        redelijkerwijze moet worden vermoed houder te zijn van enig
                                        bepaald voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, dit ter
                                        inbeslagneming aan hem zal uitleveren of op de griffie van
                                        het gerecht in eerste aanleg overbrengen, een en ander
                                        binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te
                                        bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In het
                                        laatste geval wordt het betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">132</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder tot wie het bevel wordt gericht, is verplicht daaraan
                                        te voldoen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin bestaan geldige redenen van weigering op grond van
                                        bevoegdheid tot verschoning voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de personen, bedoeld bij artikel 251;</al></li><li nr="b."><al>de personen, bedoeld bij artikel 252, voor zover de
                                                uitlevering of overbrenging met hun plicht tot
                                                geheimhouding in strijd zou zijn;</al></li><li nr="c."><al>de personen, bedoeld bij artikel 253, voor zover de
                                                uitlevering of overbrenging hen of een van hun
                                                daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een
                                                strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">133</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel tot uitlevering of overbrenging wordt niet gegeven
                                        aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van brieven of andere geschriften kan het bevel
                                        alleen worden gegeven, indien deze van de verdachte
                                        afkomstig zijn, voor hem zijn bestemd of hem toebehoren, of
                                        wel indien zij het voorwerp van het strafbare feit uitmaken
                                        of tot het begaan daarvan gediend hebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">134</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op het verzoek van de
                                        belanghebbende bevelen dat deze door de griffier kosteloos
                                        een gewaarmerkt afschrift van de uitgeleverde of
                                        overgebrachte brieven of geschriften zal worden
                                        gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betreft het een authentiek stuk onder bewaring van een
                                        openbare bewaarder, dan kan het afschrift in de plaats van
                                        het oorspronkelijke stuk strekken, zolang dit niet is terug
                                        ontvangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">135</nr></kop><al>Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een
                                    register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de
                                    rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij
                                    het bevel te bepalen, ter inzage zal worden overgebracht of aan
                                    hem zal worden uitgeleverd ten einde afschriften van het geheel
                                    of een gedeelte daarvan te doen vervaardigen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">136</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Buiten het geval van huiszoeking, kan de officier van
                                        justitie of de rechter-commissaris op de vordering van de
                                        officier van justitie, ter inbeslagneming op elke plaats een
                                        onderzoek instellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij kunnen zich daarbij doen vergezellen van bepaalde door
                                        hen aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">137</nr></kop><al>De rechter-commissaris is na een met redenen omklede vordering
                                    van de officier van justitie bevoegd huiszoeking ter
                                    inbeslagneming te doen en daarbij de te onderzoeken plaatsen te
                                    betreden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">138</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Huiszoeking geschiedt, zoveel mogelijk in tegenwoordigheid
                                        van de officier van justitie, door of onder leiding van de
                                        rechter-commissaris. Artikel 136, tweede lid, is van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de huiszoeking moet geschieden in een ander
                                        eilandgebied doet de rechter-commissaris een daartoe
                                        strekkend verzoek aan zijn ambtgenoot in dat andere
                                        eilandgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 126 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">139</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De huiszoeking kan zich, indien dat voor het onderzoek
                                        strikt noodzakelijk is, uitstrekken tot de inbeslagneming
                                        van alle daarvoor vatbare voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 125, eerste lid, is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">140</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De artikelen 127 tot en met 129 vinden ten aanzien van de
                                        rechter-commissaris overeenkomstige toepassing; de
                                        bemoeienissen van de officier van justitie, bij de artikelen
                                        128 en 129 vermeld, worden bij het optreden van de
                                        rechter-commissaris door deze zo spoedig mogelijk
                                        overgenomen en voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris is bevoegd te bepalen dat van de
                                        inhoud van inbeslaggenomen gesloten pakketten, brieven,
                                        stukken en andere berichten, die aan de post, de telegrafie
                                        of een andere instelling van vervoer waren toevertrouwd, zal
                                        worden kennis genomen, voor zover zij klaarblijkelijk voor
                                        de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewaring van inbeslaggenomen
                                    voorwerpen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">141</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Inbeslaggenomen voorwerpen worden zoveel mogelijk gesloten
                                        en verzegeld in een omslag waarop een mededeling van de dag
                                        van de inbeslagneming en een vermelding van degene bij wie
                                        zij zijn inbeslaggenomen, met een korte opgave van de
                                        inhoud, wordt gesteld en ondertekend. Indien de voorwerpen
                                        niet geschikt zijn om in een omslag te worden gesloten,
                                        wordt daaraan een strook gehecht, waarop gelijke mededeling
                                        en vermelding met een korte aanduiding van het voorwerp
                                        wordt gesteld en ondertekend. Kan aan een of ander niet
                                        worden voldaan, dan worden de voorwerpen zoveel mogelijk
                                        gewaarmerkt. Zoveel mogelijk wordt aan degene bij wie zij
                                        zijn inbeslaggenomen, een bewijs van ontvangst
                                        afgegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de bewaring
                                        noodzakelijk wordt geacht, worden, zodra het belang van het
                                        onderzoek het toelaat, gesteld onder de hoede van een bij
                                        landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aangewezen
                                        bewaarder.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door
                                        het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in
                                        gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het
                                        behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen
                                        redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">142</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorwerpen worden niet vervreemd, vernietigd,
                                        prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek
                                        bestemd, tenzij na verkregen machtiging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag, of dit
                                        hoogst ongewenst wordt geacht, kan de machtiging door het
                                        openbaar ministerie worden verleend aan de bewaarder, dan
                                        wel aan de ambtenaar die de voorwerpen in afwachting van hun
                                        vervoer naar de bewaarder onder zich heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de voorwerpen niet geschikt zijn voor opslag
                                        gedurende langere tijd, of dit hoogst ongewenst wordt
                                        geacht, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de
                                        zaak wordt vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, op
                                        de vordering van het openbaar ministerie, de machtiging aan
                                        de bewaarder verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Dit artikel blijft, voor zover teruggave van voorwerpen in
                                        de zin van artikel 144 mogelijk is, buiten toepassing,
                                        behoudens in het geval dat de rechthebbende afstand heeft
                                        gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Gelden en geldswaarden worden gestort in de consignatiekas
                                        dan wel op een daartoe bestemde rekening van het Land.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">143</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels
                                    gesteld omtrent de wijze, waarop de inbeslaggenomen voorwerpen
                                    worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden,
                                    dan wel, ingevolge artikel 142, worden vervreemd, vernietigd,
                                    prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek
                                    bestemd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Teruggave van inbeslaggenomen
                                    voorwerpen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">144</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet
                                        tegen de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, doet
                                        het openbaar ministerie dit door de bewaarder teruggeven aan
                                        degene, aan wie het door het strafbare feit is onttrokken.
                                        Is deze niet bekend, dan wordt het voorwerp teruggegeven aan
                                        degene bij wie het is inbeslaggenomen, tenzij deze het
                                        voorwerp onrechtmatig in zijn bezit heeft gekregen. In het
                                        laatste geval wordt het voorwerp teruggegeven aan de degene
                                        aan wie teruggave van het voorwerp op het eerste gezicht
                                        redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Is deze
                                        niet bekend, dan wordt met het voorwerp gehandeld
                                        overeenkomstig artikel 142.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een verplichting tot teruggave bestaat niet ten aanzien van
                                        voorwerpen, waarvan de rechthebbende schriftelijk heeft
                                        verklaard afstand te doen. Met betrekking tot deze
                                        voorwerpen kan, ook indien zij geschikt zijn voor opslag,
                                        een machtiging worden verleend als bedoeld in artikel 142,
                                        tweede lid; voor het overige wordt daarmee gehandeld als met
                                        verbeurdverklaarde voorwerpen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">145</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat
                                        in bewaring is gegeven is gericht tot de bewaarder.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien deze aan de last niet kan voldoen, omdat het voorwerp
                                        op wettige wijze vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot
                                        een ander doel dan het onderzoek bestemd is, gaat hij na
                                        daartoe verkregen machtiging van het gerecht, bedoeld in
                                        artikel 142, derde lid, over tot uitbetaling van de prijs,
                                        die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had
                                        moeten opbrengen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de bewaarder, buiten de gevallen in het tweede lid
                                        bedoeld, niet in staat is aan de last tot teruggave te
                                        voldoen dan wel het geven van zodanige last niet mogelijk
                                        bleek, houdt hij het voorwerp ter beschikking van de
                                        rechthebbende totdat sedert de last tot teruggave zes
                                        maanden, onderscheidenlijk sedert de inbeslagneming drie
                                        jaren, zijn verstreken. Is teruggave alsdan nog niet
                                        mogelijk gebleken dan wordt met het voorwerp gehandeld als
                                        met verbeurdverklaarde voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een
                                        beslag op rust, door een derde onder hem gelegd ingevolge
                                        het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene
                                        door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk
                                        anders bepaalt</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">145a</nr></kop><al>Het openbaar ministerie kan op verzoek van de beslagene of van
                                    een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel
                                    119a in beslag is genomen onder zekerheidstelling doen
                                    teruggeven. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden
                                    door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een
                                    derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het
                                    openbaar ministerie wordt aanvaard.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">[vervallen]</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">146</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">147</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">148</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">149</nr></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beklag over inbeslagneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">150</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over
                                        inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen
                                        voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave,
                                        over de teruggave aan een bepaald persoon, over de
                                        kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de
                                        artikelen 127, 128 en 140.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de
                                        inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming van de
                                        gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke
                                        aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd
                                        vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk, indien het
                                        is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn
                                        verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is
                                        gekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt
                                        het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
                                        drie jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend
                                        ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen het
                                        rechtsgebied waarvan de inbeslagneming of kennisneming is
                                        geschied. Het gerecht is bevoegd tot afdoening tenzij de
                                        vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling
                                        van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat
                                        geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan
                                        het gerecht, bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het gerecht geeft een met redenen omklede beschikking, nadat
                                        de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Op
                                        last van het gerecht stelt de griffier tevens andere
                                        belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de
                                        gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de
                                        kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te
                                        dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij
                                        tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden
                                        gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als
                                        oproeping.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich beklaagt over het uitblijven
                                        van een last tot teruggave aan hem, dan wordt de beslagene
                                        in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de
                                        daarmee overeenkomende last.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">150a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen
                                        verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen
                                        over een schikking als bedoeld in artikel 503b op de grond
                                        dat deze betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de
                                        officier van justitie die de voorwaarden heeft opgelegd,
                                        onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is
                                        gebleken die voorwerpen of de waarde die zij bij verkoop
                                        redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt, niet later dan nadat de verdachte,
                                        gewezen verdachte of veroordeelde aan de gestelde
                                        voorwaarden of aan de termen van de schikking heeft voldaan,
                                        dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter
                                        griffie van het gerecht waarbij de in het eerste lid
                                        bedoelde officier van justitie is geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager
                                        en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te
                                        worden gehoord. Het gerecht doet tevens de verdachte,
                                        gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem in
                                        de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Deze kan zich
                                        doen bijstaan door een advocaat of een daartoe bij
                                        bijzondere volmacht gemachtigde welke in de gelegenheid
                                        wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De beschikking
                                        van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het
                                        openbaar uitgesproken. Aan de klager en de verdachte,
                                        gewezen verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is
                                        verschenen wordt door de griffie tijdig te voren
                                        schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak.
                                        Acht dit gerecht het beklag gegrond, dan verklaart het de
                                        voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking, bedoeld in het
                                        eerste lid, vervallen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">151</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, kunnen zich
                                        schriftelijk beklagen over de verbeurdverklaring van hun
                                        toebehorende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige
                                        voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien
                                        het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de
                                        uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel
                                        vervangende vrijheidsstraf is toegepast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het klaagschrift wordt, binnen drie maanden nadat de
                                        beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend ter griffie
                                        van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de
                                        beslissing heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager
                                        en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld te
                                        worden gehoord. De beschikking van het gerecht is met
                                        redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan
                                        de klager wordt door de griffier tijdig te voren
                                        schriftelijk mededeling gedaan van de dag der
                                        uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de
                                        verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en
                                        geeft een last, als bedoeld in artikel 397.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht
                                        de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien
                                        zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 35a, 35b en 37,
                                        laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafrecht zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">152</nr></kop><al>Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen
                                    voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde
                                    aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien
                                    zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die
                                    hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">153</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op een last, ingevolge deze afdeling gegeven met betrekking
                                        tot een voorwerp, is artikel 145 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan een last tot teruggave van een voorwerp, dat verbeurd
                                        verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard was met
                                        verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt niet
                                        voldaan zolang het bedrag niet in 's Lands kas is
                                        teruggestort.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">154</nr></kop><al>Met hetgeen onder het Land berust als verbeurdverklaarde of aan
                                    het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de
                                    mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat,
                                    gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">154a</nr></kop><al>68 Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door
                                    openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel
                                    119d is de burgerlijke rechter bevoegd.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">X</nr><titel status="officieel">Binnentreden in woningen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">155</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke
                                    toestemming van de bewoner is een bijzondere schriftelijke
                                    machtiging vereist, onverminderd het bepaalde in het vierde lid.
                                    Van het vereiste van een machtiging is vrijgesteld de rechter of
                                    de rechter-commissaris, die bevoegd is tot binnentreden zonder
                                    toestemming van de bewoner.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het model van de machtiging wordt vastgesteld bij landsbesluit,
                                    houdende algemene maatregelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De machtiging wordt, zo mogelijk voorafgaande aan het
                                    binnentreden of anders bij de eerste gelegenheid daarna, aan de
                                    bewoner getoond. De machtiging wordt de bewoner in afschrift
                                    uitgereikt of voor hem achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, is voor de
                                    officier van justitie of de hulpofficier van justitie met het
                                    oog op de opsporing van misdrijven, huiszoeking ter
                                    inbeslagneming van voorwerpen of het doorzoeken van een woning
                                    ter aanhouding van een verdachte niet vereist in de gevallen
                                    waarin met het binnentreden niet kan worden gewacht, totdat hij
                                    over een machtiging beschikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">156</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het geven van een bijzondere schriftelijke machtiging zijn
                                    alleen de procureur-generaal, de officier van justitie en de
                                    hulpofficier van justitie bevoegd. Ingeval de officier van
                                    justitie of de hulpofficier van justitie zelf een machtiging
                                    nodig heeft, dan wordt die door de naast hogere autoriteit
                                    gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging kan uitsluitend worden gegeven aan hen, die bij of
                                    krachtens dit wetboek bevoegd zijn verklaard zonder de
                                    uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in een woning binnen
                                    te treden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">157</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in een
                                    bepaalde in de machtiging aan te duiden woning.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige
                                    hechtenis is toegelaten kan een machtiging worden gegeven, die
                                    betrekking heeft op een groter aantal woningen die niet bepaald
                                    in de machtiging worden aangeduid. In dat geval wordt in de
                                    machtiging nauwkeurig vermeld, in verband met welke misdrijven
                                    wordt binnengetreden, en voor welke tijdsduur de machtiging
                                    geldt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de
                                    gevangenneming van een in de machtiging aan te duiden persoon
                                    kan een machtiging worden gegeven die geldt voor iedere woning,
                                    waarin die persoon zich bevindt of redelijkerwijze verondersteld
                                    wordt zich te bevinden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">158</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De machtiging omschrijft het doel van het binnentreden en zoveel
                                    mogelijk de grond van de verdenking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging is gedagtekend en ondertekend. Zij blijft van
                                    kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is
                                    gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">159</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tussen middernacht en zes uur 's morgens kan slechts zonder de
                                    uitdrukkelijke toestemming van de bewoner worden binnengetreden,
                                    voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een
                                    machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk
                                    bepaalt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden
                                    binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en,
                                    indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de
                                    machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">160</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal of de officier van justitie, die de
                                    machtiging heeft gegeven, kan degene die bevoegd is binnen te
                                    treden, vergezellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van
                                    de bewoner binnen te treden, kan zich door anderen doen
                                    vergezellen, voor zover dit voor het doel van het binnentreden
                                    redelijkerwijze is vereist en, indien krachtens een machtiging
                                    wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk
                                    bepaalt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">161</nr></kop><al>Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de
                                bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in
                                de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit
                                redelijkerwijze vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de
                                sterke arm inroepen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">162</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd hetgeen in deze titel ten aanzien van de machtiging
                                    is bepaald, is degene die in een woning binnentreedt, verplicht
                                    zich voorafgaand tegenover de bewoner te legitimeren en
                                    mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien
                                    twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning
                                    binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die
                                    bij het binnentreden de leiding heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde
                                    verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en
                                    onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of
                                    goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke
                                    verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven
                                    waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan, gelden deze
                                    verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die
                                    omstandigheden kan worden gevergd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degene die zich ingevolge het eerste lid legitimeert, toont een
                                    legitimatiebewijs dat is uitgegeven door of vanwege de Minister
                                    van Justitie. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de houder
                                    en vermeldt diens naam en hoedanigheid. Indien de veiligheid van
                                    de houder van het legitimatiebewijs vordert dat zijn identiteit
                                    verborgen blijft, kan in plaats van zijn naam zijn nummer worden
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van
                                    de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het
                                    binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan
                                    degene die wenst binnen te treden en wordt schriftelijk
                                    vastgelegd in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het
                                    binnentreden wordt opgemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">163</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene die zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner
                                    in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of
                                    -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het
                                    binnentreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het verslag vermeldt hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn naam en hoedanigheid;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening van de machtiging en de naam en
                                            hoedanigheid van degene die de machtiging tot
                                            binnentreden heeft gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust
                                            en het doel waartoe is binnengetreden;</al></li><li nr="d."><al>de plaats van de woning en de naam van de bewoner;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van binnentreden en het tijdstip waarop in de
                                            woning is binnengetreden en waarop deze is
                                            verlaten;</al></li><li nr="f."><al>hetgeen in de woning is verricht of overigens is
                                            voorgevallen, het aantal en de hoedanigheid van degenen
                                            die hem hebben vergezeld, de namen van de personen aan
                                            wie in de woning hun vrijheid is ontnomen en de
                                            voorwerpen die in de woning in beslag zijn genomen.</al></li><li nr="g."><al>voor zover van toepassing: de redenen waarom en de wijze
                                            waarop het bepaalde in artikel 155, vierde lid, dan wel
                                            artikel 162, tweede lid, toepassing heeft gevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het verslag wordt binnen tweemaal vierentwintig uren nadat in de
                                    woning is binnengetreden, toegezonden aan de officier van
                                    justitie. Een afschrift van het verslag wordt binnen diezelfde
                                    termijn aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. Indien het
                                    niet mogelijk is dit afschrift uit te reiken of toe te zenden,
                                    houdt degene aan wie het verslag is toegezonden dan wel degene
                                    die zijn bevoegdheid zonder machtiging binnen te treden heeft
                                    uitgeoefend, het afschrift gedurende zes maanden voor de bewoner
                                    beschikbaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XI</nr><titel status="officieel">Betreden van enkele bijzondere
                                plaatsen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">164</nr></kop><al>In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit
                                wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van
                                ontdekking op heterdaad, niet:</al><lijst><li nr="a."><al>in de vergaderruimten van de Staten of van een van de
                                        eilandsraden, gedurende de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                                        gedurende de godsdienstoefening of
                                        bezinningssamenkomst;</al></li><li nr="c."><al>in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden,
                                        gedurende de terechtzitting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XII</nr><titel status="officieel">Handhaving van de orde ter gelegenheid van
                                ambtsverrichtingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">165</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor de handhaving van de orde ter gelegenheid van
                                    ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of
                                    de rechter of ambtenaar, die met de leiding van die
                                    verrichtingen is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze is bevoegd de maatregelen te nemen die in het belang van
                                    het onderzoek of in het belang van de veiligheid van personen
                                    geboden zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien daarbij iemand de orde verstoort of op enigerlei wijze
                                    hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of
                                    ambtenaar, na hem zo nodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat
                                    hij zal vertrekken en, in geval van weigering, hem doen
                                    verwijderen en tot de afloop van de ambtsverrichtingen doen
                                    ophouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de
                                    processtukken wordt gevoegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XIII</nr><titel status="officieel">Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of
                                een huiszoeking</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">166</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van een schouw of huiszoeking kan de daarmee belaste
                                    rechter of ambtenaar de nodige maatregelen tot bewaking of
                                    afsluiting nemen en bevelen dat niemand zich, zonder zijn
                                    uitdrukkelijke bewilliging, van de plaats van de schouw of van
                                    de huiszoeking zal verwijderen, zolang het onderzoek aldaar niet
                                    is afgelopen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 165, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XIV</nr><titel status="officieel">Aftappen van gegevensverkeer</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">167</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Gegevensverkeer mag ten behoeve van de strafvordering
                                    uitsluitend worden afgetapt in de gevallen en onder de
                                    voorwaarden in deze titel bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onder aftappen wordt mede verstaan het met technische middelen
                                    afluisteren en opnemen van gegevensverkeer.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">168</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor het aftappen van gegevensverkeer is een bijzondere
                                    schriftelijke machtiging vereist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het model van de machtiging wordt vastgesteld bij landsbesluit,
                                    houdende algemene maatregelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">169</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het geven van een bijzondere schriftelijke machtiging is
                                    alleen de rechter-commissaris, na een met redenen omklede
                                    vordering van de officier van justitie, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging wordt slechts gegeven, indien het ernstige
                                    vermoeden bestaat, dat aan het gegevensverkeer wordt deelgenomen
                                    door of in opdracht van een verdachte van een misdrijf waarvoor
                                    voorlopige hechtenis is toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien aan het gegevensverkeer wordt deelgenomen door of in
                                    opdracht van meer dan een verdachte van een misdrijf waarvoor
                                    voorlopige hechtenis is toegelaten, dient voor dezelfde
                                    aansluiting of inrichting voor iedere verdachte een
                                    afzonderlijke machtiging te worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tot het aftappen van gegevensverkeer zijn uitsluitend de
                                    opsporingsambtenaren bevoegd, wier namen in de machtiging zijn
                                    vermeld. Tot afluisteren is ook de rechter-commissaris
                                    bevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De rechter-commissaris wordt zo spoedig mogelijk en geregeld op
                                    de door hem te bepalen wijze in kennis gesteld van de inhoud van
                                    het gegevensverkeer tot het aftappen waarvan hij een machtiging
                                    heeft gegeven. Hij trekt de machtiging terstond in, zodra de
                                    gronden waarop zij is verleend, zijn vervallen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De inhoud van het afgetapte gegevensverkeer wordt, voor zover
                                    rechtstreeks op het onderzoek betrekking hebbende, in een
                                    proces-verbaal vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Van het aftappen wordt binnen tweemaal vierentwintig uren
                                    proces-verbaal opgemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">170</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De machtiging wordt gegeven voor het aftappen van
                                    gegevensverkeer dat door middel van een of meer bepaald
                                    aangewezen aansluitingen of inrichtingen plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De machtiging is van kracht tot en met de veertiende dag na die
                                    waarop zij is gegeven. Zij kan telkens, na een met redenen
                                    omklede vordering van de officier van justitie, voor ten hoogste
                                    veertien dagen bij afzonderlijke machtiging worden
                                    verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien tijdens het aftappen tegen de verdachte ernstige bezwaren
                                    zijn gerezen ter zake van andere misdrijven, dan waarvoor de
                                    machtiging is gegeven, geldt zij ook voor die misdrijven, mits
                                    daarvan in de machtiging tot verlenging melding is gemaakt en
                                    ook overigens aan de bepalingen van deze titel is voldaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">171</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra de verdachte bekend is, wordt diens naam, ambtshalve door
                                    de rechter-commissaris of op nadere vordering van de officier
                                    van justitie, onverwijld in de machtiging vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Elke houder van een aansluiting of inrichting, die is afgetapt,
                                    wordt na de beëindiging van het aftappen en zodra het belang van
                                    het onderzoek dat toelaat, meegedeeld, dat en over welke periode
                                    is afgetapt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Als de verdachte bekend is en hij heeft deelgenomen aan
                                    gegevensverkeer door middel van een andere dan zijn eigen
                                    aansluiting of inrichting, wordt, na de beëindiging van het
                                    aftappen en zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, ook
                                    hem meegedeeld, dat en over welke periode is afgetapt. In dat
                                    geval wordt hem ook de kennisneming toegestaan van de
                                    processen-verbaal, bedoeld in de artikelen 169, zesde en zevende
                                    lid, en 173, en van de machtigingen, de eventuele verlengingen
                                    daarvan, alsmede van de eventuele intrekking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter ter terechtzitting kan, indien het belang van de
                                    verdediging dit bepaaldelijk vordert, aan de verdachte, op diens
                                    verzoek, toestaan van de inhoud van het afgetapte
                                    gegevensverkeer, voor zover hijzelf daaraan heeft deelgenomen,
                                    in het oorspronkelijke, geheel of gedeeltelijk kennis te nemen.
                                    Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels
                                    gesteld omtrent het bewaren van het oorspronkelijke materiaal
                                    waarop het afgetapte gegevensverkeer is vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De in het tweede en derde lid bedoelde mededelingen worden zo
                                    spoedig mogelijk gedaan door de rechter-commissaris.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">172</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf
                                    waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, geeft iedere
                                    ambtenaar of enig ander persoon, belast met het toezicht op of
                                    met de dienst ten behoeve van de
                                    telecommunicatie-infrastructuur, omtrent gegevensverkeer ten
                                    aanzien waarvan het ernstige vermoeden bestaat, dat de verdachte
                                    eraan heeft deelgenomen, aan de officier van justitie of, indien
                                    een machtiging tot aftappen is gegeven, de rechter-commissaris
                                    op diens vordering de door deze gewenste inlichtingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 251 tot en met 253 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">173</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet te zijnen overstaan
                                    processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan
                                    worden ontleend, dat is verkregen als gevolg van de
                                    inlichtingen, bedoeld in artikel 172, eerste lid, of door
                                    aftappen als bedoeld in de artikelen 167 tot en met 171, en die
                                    van geen betekenis zijn voor het onderzoek in verband waarmee is
                                    afgetapt, zo spoedig mogelijk vernietigen. Van de vernietiging
                                    wordt onverwijld proces-verbaal opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet op dezelfde wijze onverwijld
                                    processen-verbaal en andere voorwerpen als in het eerste lid
                                    bedoeld vernietigen, voor zover deze betrekking hebben op
                                    mededelingen gedaan door of aan een persoon die zich op grond
                                    van artikel 252 zou kunnen verschonen, indien hem als getuige
                                    naar de inhoud van de mededeling zou worden gevraagd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris voegt de overige processen-verbaal en de
                                    andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig
                                    mogelijk na de beëindiging van het aftappen en zodra het belang
                                    van het onderzoek het toelaat, bij de processtukken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Omtrent de selectie van gegevens die al dan niet waren te
                                    vernietigen, kan de rechter-commissaris de officier van justitie
                                    en de verdachte of diens raadsman horen. Indien zij toestemming
                                    tot vernietiging geven, wordt daarvan in het proces-verbaal
                                    melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De officier van justitie doet te zijnen overstaan de
                                    processen-verbaal en de andere voorwerpen, waaraan een gegeven
                                    kan worden ontleend, dat hij heeft verkregen als gevolg van
                                    inlichtingen als bedoeld in artikel 172, eerste lid,
                                    vernietigen, indien hij niet binnen een maand na het verkrijgen
                                    van die inlichtingen een machtiging tot aftappen vordert. Hij
                                    maakt van de vernietiging proces-verbaal op.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">174</nr></kop><al>Alle technische voorzieningen waarmee gegevensverkeer kan worden
                                afgetapt, staan gedurende de periode waarvoor de machtiging van
                                kracht is, onder het toezicht van de rechter-commissaris. Hij kan
                                daartoe aan opsporingsambtenaren en aan personen, belast met het
                                toezicht op of met de dienst ten behoeve van de
                                telecommunicatie-infrastructuur, de nodige aanwijzingen geven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XV</nr><titel status="officieel">Opneming ter observatie</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">175</nr></kop><al>Indien het noodzakelijk is, dat een onderzoek naar de geestvermogens
                                van een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal
                                worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan
                                plaatsvinden, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van
                                de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of
                                diens raadsman, bevelen, dat de verdachte ter waarneming zal worden
                                overgebracht naar een in het bevel aan te duiden inrichting tot
                                verpleging of genezing bestemd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">176</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel, bedoeld in artikel 175, is met redenen omkleed en
                                    wordt niet gegeven, dan nadat het oordeel van een of meer
                                    deskundigen is ingewonnen en de verdachte en zijn raadsman
                                    terzake zijn gehoord. De rechter-commissaris nodigt de officier
                                    van justitie uit bij het horen tegenwoordig te zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel, houdende last tot overbrenging, en dat waarbij een
                                    daartoe strekkend verzoek van de verdachte is afgewezen, worden
                                    deze onverwijld betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan van die bevelen binnen drie dagen na de
                                    betekening in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan, ook in geval van hoger beroep van de officier van
                                    justitie, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris een
                                    nader onderzoek doen instellen en zich daartoe de betrekkelijke
                                    stukken doen overleggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verblijf in de inrichting geldt als voorlopige hechtenis,
                                    mag de termijn van acht weken niet te boven gaan en eindigt,
                                    zodra de verdachte in vrijheid moet worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de
                                    vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de
                                    verdachte of diens raadsman, te allen tijde bevelen, dat het
                                    verblijf in de inrichting een einde zal nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XVI</nr><titel status="officieel">Strafrechtelijk financieel onderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van verdenking van een misdrijf, waarop naar de
                                    wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of
                                    meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld
                                    waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, kan
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze Titel een strafrechtelijk
                                    financieel onderzoek worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een strafrechtelijk financieel onderzoek is gericht op de
                                    bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen
                                    voordeel, met het oog op de ontneming daarvan op grond van
                                    artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse
                                    Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld
                                    krachtens een met redenen omklede machtiging van de
                                    rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie
                                    die met de opsporing van het misdrijf is belast, verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vordering van de officier van justitie is met redenen
                                    omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen
                                    overgelegd die reeds op grond van artikel 119a, tweede lid, in
                                    beslag zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Krachtens de ingevolge artikel 177a gegeven machtiging is een
                                    met het strafrechtelijk financieel onderzoek belaste
                                    opsporingsambtenaar op vertoon van een afschrift van de
                                    machtiging bevoegd, ten einde inzicht te verkrijgen in de
                                    vermogenspositie van degenen tegen wie het onderzoek is gericht,
                                    aan een ieder te bevelen hem op de eerste vordering:</al><lijst><li nr="a."><al>opgave te doen of inzage of afschrift te geven van
                                            bescheiden of gegevens;</al></li><li nr="b."><al>op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen
                                            hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of
                                            hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is
                                            gericht, en aldus verstrekte schriftelijke bescheiden in
                                            beslag te nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gericht aan degene tegen wie het onderzoek
                                    is gericht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 132, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ter gelegenheid van het eerste verhoor van degene tegen wie het
                                    onderzoek is gericht, wordt hem door de verhorende rechter of
                                    ambtenaar een afschrift van de in artikel 177a bedoelde
                                    vordering en machtiging ter hand gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek is de officier
                                    van justitie bevoegd zonder verder rechterlijke machtiging te
                                    gelasten dat voorwerpen op grond van artikel 119a in beslag
                                    worden genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie zulks in het belang van het
                                    strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk acht, vordert
                                    hij dat de rechter-commissaris ter inbeslagneming huiszoeking
                                    doet of andere hem krachtens het derde lid toekomende
                                    bevoegdheden uitoefent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris beschikt tijdens het strafrechtelijk
                                    financieel onderzoek over alle bevoegdheden die hem krachtens
                                    dit wetboek toekomen, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij ook bevoegd is huiszoeking te doen ter
                                            inbeslagneming van alle voorwerpen die kunnen dienen om
                                            door degene tegen wie het onderzoek is gericht,
                                            verkregen wederrechtelijk voordeel aan te tonen, of de
                                            uitlevering daarvan te bevelen;</al></li><li nr="b."><al>hij niet gehouden is degene tegen wie het onderzoek is
                                            gericht of diens raadsman, buiten het geval van de in
                                            onderdeel a bedoelde huiszoeking, tot bijwoning van
                                            enige door hem te verrichten onderzoekshandeling toe te
                                            laten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan de uitoefening van ambtsverrichtingen
                                    in een ander eilandgebied overdragen aan zijn ambtgenoot
                                    aldaar.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie die de in artikel 177a bedoelde
                                    vordering doet, kan bij dringende noodzakelijkheid ter
                                    inbeslagneming huiszoeking doen op elke plaats waar zich
                                    vermoedelijk bescheiden of gegevens als bedoeld in artikel 177b,
                                    of vermogensbestanddelen die voordeel in de zin van artikel 38e
                                    van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen
                                    vertegenwoordigen, bevinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van het eerste lid is artikel 122, tweede lid, van
                                    overeenkomstige toepassing en zijn de artikelen 155 tot en met
                                    164 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177e</nr></kop><al>Ten aanzien van de artikelen 177a tot en met 177d zijn de artikelen
                                125 en 126 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het gerecht in eerste aanleg waakt tegen nodeloze vertraging van
                                    het strafrechtelijk financieel onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het kan op verzoek van de onderzochte persoon zich de stukken
                                    van het onderzoek doen overleggen en de onverwijlde of spoedige
                                    beëindiging van het onderzoek bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">177g</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie oordeelt dat het strafrechtelijk
                                    financieel onderzoek is voltooid, of dat tot voortzetting
                                    daarvan geen grond meer bestaat, sluit hij het onderzoek bij
                                    schriftelijke gedagtekende beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte bij de einduitspraak ter zake van het
                                    strafbare feit of het misdrijf, bedoeld in artikel 38e, eerste
                                    onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van
                                    de Nederlandse Antillen, niet wordt veroordeeld, sluit de
                                    officier van justitie het strafrechtelijk financieel onderzoek
                                    evenzo. In dat geval is de officier van justitie bevoegd van de
                                    rechter-commissaris heropening van het strafrechtelijk
                                    financieel onderzoek te vorderen, zodra de verdachte alsnog ter
                                    zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie zendt zijn beschikking aan de
                                    rechter-commissaris en doet een afschrift daarvan aan degene
                                    tegen wie het is gericht, betekenen, onder mededeling van het
                                    recht tot kennisneming van de stukken van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, de artikelen 503c,
                                    tweede en derde lid, 503d, derde lid, en 503f, tweede lid,
                                    onderdeel c, kan een gesloten strafrechtelijk financieel
                                    onderzoek slechts worden heropend krachtens een nadere
                                    machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de
                                    officier van justitie verleend. Het vierde lid van artikel 177a
                                    is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Een nadere machtiging wordt zo spoedig mogelijk met de vordering
                                    waarop zij rust, aan degene tegen wie het onderzoek is gericht,
                                    betekend. Het eerste tot en met vierde lid is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">XVII</nr><titel status="officieel">Schadevergoeding wegens toepassing van
                                dwangmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">178</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige
                                    toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op
                                    schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel
                                    kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er
                                    gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de
                                    geleden schade geheel of gedeeltelijk door het Land wordt
                                    gedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het
                                    tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in
                                    vermogensschade bestaat. Bij landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen, kan de hoogte van het bedrag van de
                                    schadevergoeding aan een maximum worden gebonden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor vergoeding komt ook de schade in aanmerking die de gewezen
                                    verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsontneming, die
                                    hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door
                                    Nederlands-Antilliaanse autoriteiten gedaan verzoek om
                                    uitlevering.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De vaststelling van de schadevergoeding geschiedt alle
                                    omstandigheden in aanmerking genomen. In het bijzonder kan
                                    rekening worden gehouden met de mate waarin de gelaedeerde de
                                    toepassing van het dwangmiddel aan zichzelf heeft te wijten. In
                                    geval van schade die niet in vermogensschade bestaat, kan bij
                                    het bepalen van het bedrag ook met de levensomstandigheden van
                                    de gelaedeerde rekening worden gehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">179</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend
                                    binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de
                                    beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden
                                    ingesteld. De gelaedeerde wordt gehoord, althans daartoe
                                    behoorlijk opgeroepen. Hij kan zich door een advocaat doen
                                    bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg
                                    waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou
                                    worden vervolgd. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld
                                    uit de leden, die op de terechtzitting over de zaak hebben
                                    gezeten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van
                                    de gelaedeerde orden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen
                                    worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die
                                    niet in vermogensschade bestaat, achterwege. Indien de
                                    gelaedeerde na het indienen van zijn verzoek of na het instellen
                                    van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten
                                    behoeve van zijn erfgenamen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">180</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de door de rechter in eerste aanleg genomen beslissing
                                    staat de officier van justitie en de gelaedeerde of zijn
                                    erfgenamen binnen veertien dagen hoger beroep open bij het Hof
                                    van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de gelaedeerde of zijn erfgenamen vinden de
                                    artikelen 443 tot en met 452 overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof van Justitie beslist na de gelaedeerde of zijn
                                    erfgenamen te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te
                                    hebben opgeroepen. De gelaedeerde of zijn erfgenamen kunnen zich
                                    door een advocaat doen bijstaan. Artikel 49 vindt
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">181</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor het bedrag van de schadevergoeding wordt door de rechter in
                                    eerste aanleg of ingeval het Hof van Justitie de vergoeding
                                    toekent, door de voorzitter van dat college een bevelschrift van
                                    tenuitvoerlegging afgegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Uitbetaling geschiedt door of vanwege de Minister van
                                    Financiën.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">182</nr></kop><al>Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van
                                een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen
                                van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk
                                recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.</al></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">OPSPORINGSONDERZOEK, GERECHTELIJK VOORONDERZOEKEN
                            DAARNA TE NEMEN BESLISSINGEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Het opsporingsonderzoek</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">De ambtenaren</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">183</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van
                                        strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de
                                        opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe
                                        bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek,
                                        onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de
                                        tussenkomst van de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks
                                        opdracht tot nader onderzoek geven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">184</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaren van politie;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaren van de Landsrecherche, zoals daarin
                                                bij wettelijke regeling is voorzien;</al></li><li nr="c."><al>de buitengewone agenten van politie, voor zover deze
                                                daartoe zijn aangesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de
                                        procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd.
                                        Gelijke bevoegdheid komt toe aan de plaatselijke hoofden van
                                        politie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht
                                        om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de
                                        openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering
                                        onmiddellijk te voldoen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">185</nr></kop><al>Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan
                                    wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke
                                    regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of
                                    de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is
                                    toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en,
                                    voor zover dat in die regeling is bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">186</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste
                                        lid, en 185, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het
                                        door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen
                                        tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal
                                        wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor
                                        zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen
                                        tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun
                                        binnen die termijn de belofte afgenomen voor een
                                        hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het
                                        proces-verbaal stelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren
                                        persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij
                                        moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven
                                        de redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de opsporing door een officier van justitie
                                        persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken
                                        bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte.
                                        Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden
                                        opgegeven de redenen van wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing
                                        uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van
                                        justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">187</nr></kop><al>Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een
                                    strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek
                                    instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het
                                    instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt
                                    overgegaan.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">188</nr></kop><al>De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde
                                    enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de
                                    personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met
                                    uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de
                                    bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">189</nr></kop><al>In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf
                                    waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van
                                    justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een
                                    plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats
                                    betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten,
                                    onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met
                                    164.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">190</nr></kop><al>De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de
                                    verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te
                                    lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem
                                    gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen
                                    omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde
                                    afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige
                                    toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">191</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij
                                        bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van
                                        justitie:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaatselijke hoofden van politie;</al></li><li nr="b."><al>alle ambtenaren van politie in de rang van
                                                onderinspekteur en de daarboven gelegen rangen;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaren van de landsrecherche;</al></li><li nr="d."><al>de bij landsbesluit aan te wijzen hoofdagenten van
                                                politie, met uitzondering van het personeel van de
                                                politie, dat is aangesteld om uitsluitend
                                                werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de
                                                inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun
                                                bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de
                                                officier van justitie, hoofd van het parket, tot
                                                bepaalde taken worden beperkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle
                                        inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen
                                        als door de officier van justitie wordt gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">192</nr></kop><al>Kan het optreden van de officier van justitie niet worden
                                    afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij
                                    de artikelen 188 en 189 beschreven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">193</nr></kop><al>De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij
                                    hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als
                                    benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld
                                    toekomen aan de officier van justitie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">194</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren, die geen hulpofficier van justitie
                                        zijn, doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten
                                        ter zake van strafbare feiten, als ook de opgave als
                                        benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
                                        onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie, onder
                                        wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in bijzondere gevallen
                                        gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van het eerste
                                        lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">195</nr></kop><al>Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen
                                    doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal,
                                    de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede
                                    de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen
                                    voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van
                                    justitie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">196</nr></kop><al>Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben
                                    gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige
                                    opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van
                                    justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig
                                    afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en
                                    winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer
                                    klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen
                                    inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij
                                    handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">197</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek
                                        in strafzaken de medewerking inroepen van personen en
                                        lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam
                                        zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben
                                        verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens
                                        betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of
                                        de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende
                                        de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of
                                        mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat
                                        verzoekt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als
                                        bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van
                                        opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de
                                        uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig
                                        ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of
                                        zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel
                                        mogelijk gevolg.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Aangiften en klachten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">198</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven
                                        omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek
                                        van Strafrecht, in Titel VII van het Tweede Boek van dat
                                        wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of
                                        in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek, van
                                        mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen
                                        tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld
                                        aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een
                                        vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging
                                        hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen
                                        verschonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen
                                        gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor
                                        bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen
                                        bij een opsporingsambtenaar.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">199</nr></kop><al>Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is
                                    bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de
                                    belanghebbende bevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">200</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van
                                        hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de
                                        opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht
                                        daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot
                                        de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie
                                        of een hulpofficier van justitie,</al><lijst><li nr="a."><al>indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als
                                                bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het
                                                Wetboek van Strafrecht, dan wel</al></li><li nr="b."><al>indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar,
                                                die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft
                                                geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van
                                                macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt
                                                geschonken, dan wel</al></li><li nr="c."><al>indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig
                                                gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de
                                                uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is
                                                opgedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier
                                        desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met
                                        de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de
                                        uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn
                                        gekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van
                                        toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte
                                        of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan
                                        voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens
                                        vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou
                                        kunnen verschonen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen
                                        van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn
                                        omschreven bij of krachtens landsverordening, voor zover
                                        daartoe bij landsbesluit aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene
                                        maatregelen, kunnen regels worden gesteld in het belang van
                                        een goede uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld
                                        in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de
                                        officier van justitie en met inachtneming van de regels
                                        gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">201</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of
                                        schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de
                                        aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem
                                        van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar
                                        ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met
                                        de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze
                                        niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel
                                        vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens
                                        gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo
                                        zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek
                                        afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen
                                        198 en 199, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het
                                        ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200, de
                                        daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">202</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij strafbare feiten alleen op klacht vervolgbaar, geschiedt
                                        deze klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde
                                        ambtenaar, hetzij door de tot de klacht gerechtigde in
                                        persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een
                                        bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht
                                        bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede en derde lid van artikel 201 zijn van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">203</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het ontvangen van de klacht is elke officier van
                                        justitie en elke hulpofficier van justitie verplicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 193 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">204</nr></kop><al>Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het
                                    Wetboek van Strafrecht door de wettige vertegenwoordiger van een
                                    minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder
                                    curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie
                                    niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo
                                    deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld
                                    zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te
                                    maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen,
                                    tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke
                                    toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet
                                    mogelijk of niet wenselijk is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">205</nr></kop><al>De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de
                                    wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen
                                    201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Opgave als benadeelde partij</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">206</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade
                                        heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij.Ten
                                        aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met
                                        derde lid, van overeenkomstige toepassing. De
                                        opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave
                                        verplicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het
                                        proces-verbaal betreffende haar opgave.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt
                                        schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de
                                        zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het
                                        proces-verbaal melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare
                                        feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige
                                        bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking
                                        hebben op de totstandkoming van een regeling tot
                                        schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft
                                        bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de
                                        benadeelde partij.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beslissing omtrent al dan niet
                                    vervolgen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">207</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie naar aanleiding van het
                                        ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is, dat
                                        vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig
                                        mogelijk over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het
                                        algemeen belang ontleend. Aan die beslissing kunnen door de
                                        officier van justitie voorwaarden worden verbonden. Daarbij
                                        wordt in het bijzonder acht geslagen op de belangen van de
                                        benadeelde partij.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 278, tweede tot en met vijfde lid, is van
                                        overeenkomstige toepassing. De kennisgeving behelst alsdan
                                        de beslissing niet te vervolgen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">208</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien gronden voor vervolging aanwezig worden geacht,
                                        beziet de officier van justitie, alle omstandigheden in
                                        aanmerking genomen, of de zaak langs andere dan
                                        gerechtelijke weg kan worden afgedaan. Bij die beslissing
                                        kunnen door hem voorwaarden worden gesteld aan de verdachte,
                                        indien deze heeft bekend en zich bereid heeft verklaard de
                                        voorwaarden na te leven, met het oog op het zonder
                                        vergoeding verrichten van werkzaamheden ten algemene
                                        nutte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In verband met een goede uitvoering van het in het eerste
                                        lid bepaalde, worden door het openbaar ministerie
                                        richtlijnen vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">209</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij, die de in artikel 206, derde lid,
                                        bedoelde wens kenbaar heeft gemaakt, wordt door de officier
                                        van justitie ingelicht omtrent de door hem genomen
                                        beslissing omtrent al dan niet vervolgen. Indien de zaak
                                        wordt vervolgd, houdt hij de benadeelde partij op de hoogte
                                        van voor haar van belang zijnde momenten in de verdere
                                        procedure. Indien de zaak niet wordt vervolgd, wijst hij
                                        haar op de mogelijkheid om op de voet van de artikelen 15
                                        tot en met 28 bij het Hof van Justitie beklag te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Desgevraagd wordt degene, die door een misdrijf ernstig is
                                        benadeeld, in de gelegenheid gesteld om, in verband met door
                                        de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn
                                        zienswijze kenbaar te maken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">De rechter-commissaris belast met de
                                behandeling van strafzaken</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Benoeming en ontslag</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">210</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De president van het Hof van Justitie wijst, na de
                                        procureur-generaal te hebben gehoord, een of meer leden of
                                        plaatsvervangende leden van het Hof of
                                        rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg aan als
                                        rechter-commissaris, belast met de behandeling van
                                        strafzaken bij het gerecht in eerste aanleg, of als diens
                                        plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De aanwijzing geschiedt voor een door de president te
                                        bepalen termijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op zijn verzoek om gewichtige
                                        redenen voor de afloop van de termijn waarvoor hij is
                                        aangewezen, nadat de procureur-generaal is gehoord, door de
                                        president van het Hof uit zijn functie worden ontheven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">211</nr></kop><al>De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door
                                    hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten
                                    einde.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">212</nr></kop><al>Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens
                                    plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de
                                    leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of
                                    rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Verrichtingen van de rechter-commissaris
                                    in het algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">213</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris wordt bij zijn verrichtingen
                                        bijgestaan door een griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij verhindering of ontstentenis van deze kan de
                                        rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon
                                        aanwijzen, ten einde voor bepaald aan te wijzen
                                        verrichtingen als griffier op te treden. Deze
                                        plaatsvervangende griffier wordt voor de aanvang van zijn
                                        werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd, dat hij
                                        zijn taak naar behoren zal vervullen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">214</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet door de griffier een
                                        proces-verbaal opmaken van hetgeen bij het onderzoek is
                                        verklaard, verricht en voorgevallen of door hem is
                                        waargenomen; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk
                                        uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van
                                        wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien dit tot juist begrip van een verklaring of om andere
                                        redenen gewenst is, of indien de verdachte, getuige of
                                        deskundige of de raadsman dit verlangt, doet hij ook de
                                        vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd, in
                                        het proces-verbaal opnemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman
                                        verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden
                                        opgenomen, geschiedt dat, voor zover de opgave redelijke
                                        grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">215</nr></kop><al>Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen
                                    te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in
                                    vrijheid zijn afgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">216</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Iedere getuige, deskundige of verdachte ondertekent zijn
                                        verklaring, nadat die hem is voorgelezen of door hem is
                                        gelezen, en hij verklaard heeft daarbij te volharden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij gebreke van ondertekening wordt de weigering of de
                                        oorzaak van het beletsel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">217</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tussen de regels van het proces-verbaal wordt niet
                                        geschreven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Doorhalingen en verwijzingen worden ondertekend of
                                        gewaarmerkt door de rechter-commissaris en de griffier, en
                                        door hem op wiens verklaring de doorhaling of verwijzing
                                        betrekking heeft. Bij gebreke van ondertekening of
                                        waarmerking wordt de weigering of de oorzaak van het
                                        beletsel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">218</nr></kop><al>Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de
                                    griffier ondertekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">219</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van
                                        de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte
                                        of diens raadsman, in het belang van het onderzoek het doen
                                        van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren
                                        genoemd in artikel 184, eerste lid, en aan de personen
                                        genoemd in artikel 185.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in
                                        artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">220</nr></kop><al>Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende
                                    het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de
                                    rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat
                                    toekomen aan de officier van justitie.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Gang van het gerechtelijk
                                vooronderzoek</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">De vordering van de officier van
                                    justitie</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">221</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling
                                        van artikel 187 ten aanzien van een strafbaar feit een
                                        gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, vordert hij dat door
                                        de rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden
                                        overgegaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de vordering wordt het feit zo nauwkeurig mogelijk
                                        omschreven als in deze stand van de zaak mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Die vordering of, zo de verdachte eerst later bekend wordt,
                                        een onverwijld in te dienen nadere vordering wijst de
                                        verdachte aan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">222</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie dient ook een nadere vordering in,
                                        zodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare
                                        feiten moet worden uitgebreid, en, zodra het belang van het
                                        onderzoek de indiening toelaat, wanneer een meer nauwkeurige
                                        omschrijving van het feit mogelijk is geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra de rechter-commissaris, al of niet na verzoek van de
                                        verdachte, oordeelt dat een nadere vordering nodig is, geeft
                                        hij daarvan schriftelijk kennis aan de officier van
                                        justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">223</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris deelt de officier van justitie de
                                        inhoud van de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek
                                        mee, zo dikwijls deze dit verlangt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de inhoud van die stukken de officier van justitie
                                        daartoe aanleiding geeft, doet hij de vereiste vorderingen
                                        tot nader onderzoek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">224</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat tot het
                                        gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart hij
                                        dit bij een met redenen omklede beschikking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 221 kan de
                                        rechter-commissaris, zo de verdachte zich in voorlopige
                                        hechtenis bevindt en aan hem nog niet een dagvaarding ter
                                        terechtzitting is betekend, op het verzoek van de verdachte
                                        een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het
                                        feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Indien de
                                        rechter-commissaris oordeelt, dat grond tot gebruik van deze
                                        bevoegdheid bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen
                                        omklede beschikking. Een afschrift daarvan zendt hij aan de
                                        officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra een overeenkomstig het tweede lid ingesteld
                                        gerechtelijk vooronderzoek moet worden uitgebreid tot andere
                                        strafbare feiten, dient de officier van justitie een daartoe
                                        strekkende vordering in.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit
                                        mogelijk is geworden, dient de officier van justitie een
                                        dienovereenkomstige vordering in, zodra het belang van het
                                        onderzoek de indiening toelaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Artikel 222, tweede lid, en artikel 223 zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">225</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Telkens ter gelegenheid van het eerste verhoor van de
                                        verdachte, nadat een vordering als vermeld in de artikelen
                                        221, 222 en 224, derde en vierde lid, is ingekomen, dan wel
                                        een beschikking als bedoeld in artikel 222, tweede lid, is
                                        gegeven, wordt hem door de rechter-commissaris een afschrift
                                        van die vordering of beschikking ter hand gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter bevelen, dat de vordering
                                        of de beschikking reeds voor het verhoor aan de verdachte
                                        zal worden betekend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Instellen van het gerechtelijk
                                    vooronderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">226</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien tot het instellen van het onderzoek wordt overgegaan,
                                        worden zo spoedig en zo dikwijls het belang van de zaak dit
                                        vordert, verdachten, getuigen en deskundigen verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman zijn bevoegd de
                                        verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen. De
                                        rechter-commissaris bevordert, dat zij bij de verhoren
                                        tegenwoordig kunnen zijn, zonder dat het onderzoek daardoor
                                        mag worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman kunnen, ook wanneer
                                        zij de verhoren niet bijwonen, de vragen opgeven die zij
                                        wensen te zien gesteld. Ten aanzien van de raadsman is
                                        artikel 48, derde en vijfde lid, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">227</nr></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 261, nodigt de
                                    rechter-commissaris, indien naar zijn oordeel het gegrond
                                    vermoeden bestaat dat de getuige of de deskundige niet ter
                                    terechtzitting zal kunnen verschijnen, de officier van justitie,
                                    de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het verhoor uit,
                                    tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor
                                    gedoogt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">228</nr></kop><al>De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te
                                    beletten dat de voor verhoor verschenen verdachten, getuigen en
                                    deskundigen zich voor of tijdens hun verhoor met elkaar
                                    onderhouden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">229</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachten, getuigen en deskundigen worden ieder
                                        afzonderlijk verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan hen echter, hetzij op de
                                        vordering van de officier van justitie, hetzij op het
                                        verzoek van de verdachte of diens raadsman, tegenover elkaar
                                        stellen of in elkaars tegenwoordigheid verhoren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte of diens raadsman wordt zoveel mogelijk in de
                                        gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen. Wanneer naar
                                        het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde
                                        vermoeden bestaat dat een getuige niet op de terechtzitting
                                        zal kunnen verschijnen, komt de verdachte of diens raadsman
                                        het recht toe hem te ondervragen. De ondervraging geschiedt
                                        op de wijze door de rechter-commissaris te bepalen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">230</nr></kop><al>De rechter-commissaris vraagt de verdachte, getuigen en
                                    deskundigen naar hun naam en voornamen, leeftijd, beroep en
                                    woon- of verblijfplaats, voorts de verdachte tevens naar zijn
                                    geboorteplaats. Indien de verdachte bekend is, vraagt de
                                    rechter-commissaris de getuigen en de deskundigen, of zij diens
                                    bloedverwanten of aangehuwden zijn, en zo ja, in welke
                                    graad.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">231</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een verdachte, getuige of deskundige de taal die de
                                        rechter-commissaris bezigt, niet verstaat, benoemt deze een
                                        tolk, die de leeftijd van achttien jaren moet hebben
                                        bereikt. Artikel 349, tweede lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer
                                        gebrekkig horen of spreken kan, bepaalt de
                                        rechter-commissaris dat de vragen of de antwoorden
                                        schriftelijk zullen geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet
                                        of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan kan de
                                        rechter-commissaris een daartoe geschikte persoon tot tolk
                                        benoemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De tolk wordt, zo nodig, op bevel van de rechter-commissaris
                                        gedagvaard en wordt beëdigd. Artikel 250, tweede lid,
                                        betreffende de vervanging van de beëdiging door een
                                        aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">232</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, hetzij op de vordering van de
                                        officier van justitie, hetzij op het verzoek van de
                                        verdachte of diens raadsman, ten einde de plaatselijke
                                        toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door
                                        hem aangewezen, elke plaats betreden met uitzondering van
                                        een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet
                                        uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van
                                        justitie bepalen, dat de verdachte, de getuigen en
                                        deskundigen ter plaatse zullen worden verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">233</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft tijdig schriftelijk kennis van
                                        de voorgenomen schouw aan de officier van justitie en aan de
                                        verdachte en diens raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie en de raadsman kunnen bij iedere
                                        schouw tegenwoordig zijn. De verdachte wordt, voor zover het
                                        belang van het onderzoek dit niet verbiedt, door de
                                        rechtercommissaris toegelaten de schouw geheel of
                                        gedeeltelijk bij te wonen. Zij kunnen verzoeken dat zij
                                        aanwijzingen mogen doen of inlichtingen mogen geven of dat
                                        bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal zullen worden
                                        vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">234</nr></kop><al>Ingeval de schouw moet geschieden in een ander eilandgebied,
                                    draagt de rechter-commissaris haar over aan zijn ambtgenoot in
                                    dat andere eilandgebied.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">235</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier
                                        van justitie, bevelen dat de verdachte tegen wie ernstige
                                        bezwaren bestaan, en, in geval van dringende
                                        noodzakelijkheid, bovendien degenen ten aanzien van wie
                                        vermoed wordt dat zij sporen van het strafbare feit aan het
                                        lichaam of aan de kleding dragen, aan hun lichaam of kleding
                                        zullen worden onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 78, derde lid, is van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het verhoor van de verdachte</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">236</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van
                                        justitie de verdachte, die zich in voorlopige hechtenis
                                        bevindt, voor zich doen verschijnen. Hij kan op de vordering
                                        van de officier van justitie de dagvaarding van de
                                        verdachte, die in vrijheid is, bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geen geval wordt het gerechtelijk vooronderzoek gesloten
                                        voordat de verdachte is gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">237</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in een ander eilandgebied bevindt,
                                        kan de rechter-commissaris het verhoor overdragen aan zijn
                                        ambtgenoot in dat andere eilandgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De overige artikelen van deze afdeling zijn van toepassing
                                        op de rechter met het verhoorbelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">238</nr></kop><al>Het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte, dat op
                                    verzoek van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, wordt
                                    hem gesloten en verzegeld toegezonden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">239</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte verhinderd is te verschijnen, kan zijn
                                        verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem
                                        aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van
                                        artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een
                                        woning, tot het betreden waarvan de bewoner niet
                                        uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">240</nr></kop><al>Indien de verdachte in vrijheid is en niet op de dagvaarding
                                    verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van
                                    de officier van justitie andermaal doen dagvaarden. Daarbij kan
                                    worden gevoegd een bevel tot medebrenging, doch slechts indien
                                    de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is in verband met
                                    een onderzoek naar zijn persoonlijkheid of zijn persoonlijke
                                    omstandigheden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">241</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien dit in het belang van het onderzoek dringend
                                        noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris bevelen, dat de
                                        overeenkomstig artikel 240 meegebrachte verdachte gedurende
                                        ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen
                                        plaats zal worden opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">242</nr></kop><al>De verdachte wordt bij zijn verhoor mondeling mededeling gedaan
                                    van de verklaringen van getuigen en deskundigen, die buiten zijn
                                    tegenwoordigheid zijn verhoord, voor zover naar het oordeel van
                                    de rechter-commissaris het belang van het onderzoek dit niet
                                    verbiedt.Wordt de verdachte de wetenschap van bepaalde opgaven
                                    onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit mondeling te
                                    kennen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Het verhoor van de getuige</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">243</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan bij zijn verhoor mondeling getuigen en
                                        feiten ten onderzoek opgeven. Bij het proces-verbaal wordt,
                                        voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt,
                                        van een en ander melding gemaakt, met korte aanduiding van
                                        hetgeen de getuigen volgens de opgave van de verdachte
                                        zouden kunnen verklaren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris bezwaar heeft, hetzij tegen
                                        het vermelden van een en ander in het proces-verbaal, hetzij
                                        tegen het verhoren van de opgegeven getuigen, hetzij tegen
                                        het onderzoek naar de opgegeven feiten, deelt hij zijn
                                        weigering om tot een of ander over te gaan, bij het verhoor
                                        of het eerstvolgend verhoor aan de verdachte mee, en
                                        vermeldt deze onder opgave van redenen in het
                                        proces-verbaal. Wanneer de verdachte de dagvaarding van
                                        getuigen verzoekt, ten aanzien van wie naar het oordeel van
                                        de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat
                                        zij niet op de terechtzitting zullen kunnen verschijnen en
                                        die naar het oordeel van de verdachte voor hem ontlastende
                                        verklaringen zouden kunnen afleggen, mag dagvaarding niet
                                        worden geweigerd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan binnen drie dagen na de in het tweede lid
                                        bedoelde mededeling tegen die weigering een bezwaarschrift
                                        indienen bij het Hof van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">244</nr></kop><al>De rechter-commissaris verhoort de getuige, wiens verhoor door
                                    de rechter wordt bevolen, door de officier van justitie wordt
                                    gevorderd of door de verdachte of diens raadsman wordt verzocht.
                                    Hij kan op de vordering van de officier van justitie de
                                    dagvaarding van de getuige bevelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">245</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het eerste lid van artikel 237 alsmede artikel 238 vinden
                                        ten aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in een
                                        ander eilandgebied ophouden, overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Houdt de getuige zich op in een ander eilandgebied, dan
                                        beveelt de rechter-commissaris diens dagvaarding alleen,
                                        indien hij overkomst noodzakelijk of in het belang van de
                                        getuige oordeelt. Het bevel wordt gegeven, op de vordering
                                        van de officier van justitie of op het verzoek van de
                                        verdachte of diens raadsman. In de dagvaarding wordt van de
                                        noodzakelijkheid van de overkomst of van het belang van de
                                        getuige melding gemaakt. Artikel 243, tweede lid, laatste
                                        volzin, blijft van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">246</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige verhinderd is te verschijnen, kan zijn
                                        verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem
                                        aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van
                                        artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een
                                        woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet
                                        uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">247</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ieder die als getuige is gedagvaard, is verplicht voor de
                                        rechter-commissaris te verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de getuige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de
                                        rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van
                                        justitie of op het verzoek van de verdachte of diens
                                        raadsman andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een
                                        bevel tot medebrenging of zodanig bevel later
                                        uitvaardigen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">248</nr></kop><al>Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk
                                    is, kan de rechter-commissaris op de vordering van de officier
                                    van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens
                                    raadsman bevelen, dat de overeenkomstig artikel 247 meegebrachte
                                    getuige gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem
                                    aan te wijzen plaats zal worden opgehouden. De redenen daarvan
                                    worden in het bevel vermeld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">249</nr></kop><al>De getuige verklaart de gehele waarheid en niets dan de waarheid
                                    te zullen zeggen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">250</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris beëdigt de getuige, indien er naar
                                        zijn oordeel gegrond vermoeden bestaat dat deze niet op de
                                        terechtzitting zal kunnen verschijnen, of ingeval de
                                        overlegging van beëdigde getuigenissen nodig is om de
                                        uitlevering van de verdachte te verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
                                        storing van zijn geestvermogens, naar het oordeel van de
                                        rechter-commissaris, de betekenis van de eed niet voldoende
                                        beseft, of indien een getuige de volle ouderdom van vijftien
                                        jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd doch
                                        aangemaand de gehele waarheid en niets anders dan de
                                        waarheid te zeggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de reden van de beëdiging of aanmaning wordt in het
                                        proces-verbaal melding gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">251</nr></kop><al>Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van
                                    bepaalde vragen kunnen zich verschonen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de
                                            verdachte of de medeverdachte;</al></li><li nr="b."><al>de bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de derde
                                            graad ingesloten, van de verdachte of de
                                            medeverdachte;</al></li><li nr="c."><al>de echtgenoot of vroegere echtgenoot van de verdachte of
                                            de medeverdachte, dan wel de persoon, met wie de
                                            verdachte of medeverdachte duurzaam feitelijk samenwoont
                                            of heeft samengewoond. Die samenwoning zal op genoegzame
                                            wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">252</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van
                                        bepaalde vragen kunnen zich ook verschonen zij, die uit
                                        hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot
                                        geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen
                                        waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is
                                        toevertrouwd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is op overeenkomstige wijze
                                        van toepassing op de rechters, de leden van het openbaar
                                        ministerie en andere personen, die bekend zijn met de
                                        identiteit van de getuige die op de voet van het bepaalde in
                                        artikel 261 is verhoord. De bevoegdheid zich te verschonen
                                        is beperkt tot de vragen die gericht zijn op de onthulling
                                        van de identiteit van de getuige.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">253</nr></kop><al>De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem
                                    gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een van zijn
                                    bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de
                                    tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot
                                    dan wel de persoon, met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of
                                    samengewoond heeft, aan het gevaar van een strafrechtelijke
                                    veroordeling zou blootstellen. Die samenwoning zal op genoegzame
                                    wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">254</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De getuige legt zijn verklaring af, zonder zich van een
                                        schriftelijk opstel te mogen bedienen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter om bijzondere redenen de
                                        getuige toestaan, bij zijn verklaring zodanig gebruik te
                                        maken van geschriften of schriftelijke aantekeningen als hij
                                        veroorloven zal.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">255</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond
                                        weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem
                                        gevorderde verklaring of eed af te leggen, beveelt de
                                        rechter-commissaris, zo dit in het belang van het onderzoek
                                        dringend noodzakelijk is, op de vordering van de officier
                                        van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens
                                        raadsman, dat de getuige in gijzeling zal worden
                                        gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet op het verzoek van de gegijzelde
                                        verslag aan het Hof van Justitie. Het Hof beveelt binnen
                                        tweemaal vierentwintig uren daarna, na de getuige te hebben
                                        gehoord, dat deze in gijzeling zal worden gehouden of
                                        daaruit zal worden ontslagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">256</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bevel van de rechter-commissaris dat de getuige in
                                        gijzeling zal worden gesteld, is voor niet langer dan twaalf
                                        dagen geldig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan echter gedurende het gerechtelijk
                                        vooronderzoek, op de vordering van de officier van justitie
                                        of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman,
                                        telkens, nadat de getuige opnieuw is gehoord, dat bevel van
                                        twaalf tot twaalf dagen verlengen. Ten aanzien van deze
                                        verlengingen komt de gegijzelde eenmaal de bevoegdheid toe,
                                        bedoeld in artikel 255, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">257</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris beveelt het ontslag van de getuige
                                        uit de gijzeling, zodra deze aan zijn verplichting heeft
                                        voldaan of zijn getuigenis niet meer nodig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de
                                        vordering van de officier van justitie of op het verzoek van
                                        de getuige, diens ontslag uit de gijzeling bevelen. De
                                        getuige wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe
                                        opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In ieder geval gelast de officier van justitie het ontslag
                                        uit de gijzeling, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is
                                        beëindigd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">258</nr></kop><al>Alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd,
                                    of waarbij een verzoek van de getuige tot ontslag uit de
                                    gijzeling wordt afgewezen, zijn met redenen omkleed en worden
                                    binnen vierentwintig uren aan de getuige betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">259</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Gedurende de gijzeling kan de getuige zich beraden met een
                                        advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze heeft vrije toegang tot de getuige, kan hem alleen
                                        spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud
                                        door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het
                                        vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke
                                        reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden
                                        opgehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie staat de advocaat op diens verzoek
                                        toe van de processen-verbaal betreffende de verhoren van de
                                        getuige kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij kan, voor zover het belang van het onderzoek dit niet
                                        verbiedt, de advocaat op diens verzoek toestaan ook van de
                                        overige processtukken kennis te nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Weigert de officier van justitie de inzage, dan staat tegen
                                        diens beslissing binnen drie dagen na de mededeling beroep
                                        open bij de rechter-commissaris.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">260</nr></kop><al>Wanneer de getuigenis van de Gouverneur gedurende het
                                    gerechtelijk vooronderzoek vereist mocht worden en hij
                                    toegestemd zal hebben verhoord te worden, zal de
                                    rechter-commissaris zich met de griffier ten Gouvernementshuize
                                    begeven, teneinde aldaar de verklaring van de Gouverneur te
                                    ontvangen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bedreigde getuigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">261</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer een getuige met het oog op een door hem af te leggen
                                        verklaring ernstig wordt bedreigd, kan de
                                        rechter-commissaris, op de vordering van de officier van
                                        justitie of op het verzoek van de getuige, bepalen dat de
                                        getuige op zodanige wijze wordt verhoord, dat zijn
                                        identiteit geheel verborgen blijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid kan slechts
                                        worden aangenomen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de getuige met het oog op de door hem af te leggen
                                                verklaring zich zodanig bedreigd kan achten dat,
                                                naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, ernstig
                                                voor het leven, de gezondheid of het maatschappelijk
                                                functioneren van de getuige of van een andere
                                                persoon moet worden gevreesd,</al></li><li nr="b."><al>de getuige te kennen heeft gegeven vanwege die
                                                bedreiging anders geen verklaring te willen
                                                afleggen, en</al></li><li nr="c."><al>er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige
                                                deswege niet ter terechtzitting zal kunnen
                                                verschijnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien het verhoor
                                        een misdrijf betreft, waarvoor geen voorlopige hechtenis is
                                        toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij toepassing van het eerste lid ziet de
                                        rechter-commissaris erop toe, dat de getuige bij gelegenheid
                                        van het verhoor tegen herkenning wordt beschermd. In
                                        uitzonderlijke gevallen kan hij bepalen dat de verdachte en
                                        diens raadsman het verhoor van de getuige niet zullen
                                        bijwonen. In dat geval zal de officier van justitie daarbij
                                        ook niet tegenwoordig zijn. De rechter-commissaris stelt hun
                                        zodra mogelijk in kennis van de inhoud van de door de
                                        getuige afgelegde verklaringen. Zij worden in de gelegenheid
                                        gesteld zoveel mogelijk de vragen op te geven, die zij
                                        gesteld wensen te zien.Tenzij het belang van het onderzoek
                                        geen uitstel van het verhoor gedoogt, kunnen vragen reeds
                                        voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven. Het
                                        proces-verbaal van verhoor wordt naar de vorm van vraag en
                                        antwoord ingericht. De persoonsgegevens van de getuige,
                                        bedoeld in artikel 230, worden niet in het proces-verbaal
                                        van verhoor opgenomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Voorafgaand aan het verhoor, bedoeld in het vierde lid,
                                        toetst de rechter-commissaris de bezwaren van de getuige
                                        tegen onthulling van diens identiteit. Deze bezwaren worden
                                        in het proces-verbaal vermeld. De rechter-commissaris
                                        verantwoordt daarin of hij de bezwaren gegrond acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De getuige die op de voet van het vierde lid zal worden
                                        verhoord, wordt door de rechter-commissaris in verband met
                                        artikel 250, eerste lid, beëdigd. Daarvan wordt in het
                                        proces-verbaal melding gemaakt. Artikel 250, tweede en derde
                                        lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Wanneer de rechter-commissaris van oordeel is dat ernstige
                                        bedreiging in de zin van het eerste lid niet kan worden
                                        aangenomen, en de getuige volhardt in zijn wens anoniem te
                                        blijven, beslist de rechter-commissaris dat de getuige zal
                                        worden verhoord zonder toepassing van het vierde lid, tenzij
                                        de officier van justitie zich daartegen verzet, in welk
                                        geval wordt afgezien van verhoor van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>In bijzonder spoedeisende gevallen, waarin het verhoor door
                                        de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, kan de
                                        getuige ook door een opsporingsambtenaar worden verhoord,
                                        doch alleen op grond van verkregen toestemming door de
                                        rechter-commissaris. Het in het eerste tot en met zevende
                                        lid bepaalde vindt zoveel mogelijk overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">9.</lidnr><al>Toepassing van dit artikel vindt, voor zoveel nodig, plaats
                                        in afwijking van het bepaalde omtrent het verhoor van de
                                        getuige en de daaraan door de verdachte of diens raadsman te
                                        ontlenen bevoegdheden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Deskundigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">262</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier
                                        van justitie of op het verzoek van de verdachte, een of meer
                                        deskundigen benoemen, ten einde hem voor te lichten of bij
                                        te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde
                                        onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed
                                        verslag uit te brengen. Hij kan hun dagvaarding
                                        bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd te verzoeken dat een of meer door
                                        hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden
                                        benoemd. Indien het belang van het onderzoek dit niet
                                        verbiedt, kiest de rechter-commissaris een of meer van de
                                        deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen
                                        personen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de
                                        artikelen 243, en 245 tot en met 247 alsmede de artikelen
                                        251 tot en met 254 overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ieder die tot deskundige is benoemd, is verplicht de door de
                                        rechter-commissaris gevorderde diensten te bewijzen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">263</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De deskundige wordt door de rechter-commissaris
                                        beëdigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie,
                                        door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige
                                        is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een
                                        schriftelijk verslag geen nadere eed gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">264</nr></kop><al>De rechter-commissaris bepaalt het tijdstip waarop het onderzoek
                                    van de deskundigen zal aanvangen, en de termijn waarbinnen dit
                                    zal moeten zijn afgelopen; deze termijn kan door de
                                    rechter-commissaris worden verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">265</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris geeft de officier van justitie
                                        schriftelijk of mondeling kennis van de aan de deskundigen
                                        verleende opdracht, van tijd en plaats van hun onderzoek en
                                        van de uitslag daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet
                                        verzet, geeft de rechter-commissaris na de officier van
                                        justitie te hebben gehoord, de verdachte en diens raadsman
                                        schriftelijk kennis van de aan de deskundigen verleende
                                        opdracht en van tijd en plaats van hun onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de uitslag daarvan geschiedt gelijke kennisgeving, zodra
                                        het belang van het onderzoek dit toelaat.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">266</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek van de deskundigen geschiedt in
                                        tegenwoordigheid van de rechter-commissaris, indien deze dat
                                        nodig oordeelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, indien het belang van het
                                        onderzoek zich daartegen niet verzet, bepalen dat de
                                        verdachte aan wie van de opdracht aan deskundigen is kennis
                                        gegeven, en diens raadsman, het onderzoek van de deskundigen
                                        geheel of gedeeltelijk zullen kunnen bijwonen. De officier
                                        van justitie kan bij het onderzoek tegenwoordig zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman,
                                        hebben, ook indien het onderzoek van de deskundigen buiten
                                        hun tegenwoordigheid geschiedt, de bevoegdheid met
                                        betrekking tot dat onderzoek aanwijzingen te doen en
                                        opmerkingen te maken. Desverlangd wordt aan de deskundigen
                                        en aan de verdachte de gelegenheid gegeven om ten overstaan
                                        van of, voor zover dat in het belang van het onderzoek
                                        noodzakelijk schijnt, door bemiddeling van de
                                        rechter-commissaris een onderhoud te hebben.Ten aanzien van
                                        de officier van justitie en de raadsman is daarbij het
                                        tweede lid van artikel 233 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris stelt de deskundigen mondeling of
                                        schriftelijk in kennis van de opmerkingen en aanwijzingen,
                                        voor zover deze geschied zijn buiten hun
                                        tegenwoordigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">267</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundigen is
                                        kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te
                                        wijzen, die het recht heeft bij het onderzoek van de door de
                                        rechter-commissaris benoemde deskundigen tegenwoordig te
                                        zijn, daarbij de nodige aanwijzingen te doen en opmerkingen
                                        te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan om redenen in de persoon gelegen,
                                        de toelating van een bepaalde aangewezen deskundige tot het
                                        onderzoek weigeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan alsdan onverwijld de weigering onderwerpen
                                        aan het oordeel van het Hof, dat alsnog de toelating kan
                                        bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin
                                        bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de aanvang of de
                                        loop van het onderzoek plaatshebben.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">268</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte aan wie van de uitslag van het onderzoek is
                                        kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te
                                        wijzen, die het recht heeft het verslag van de door de
                                        rechter-commissaris benoemde deskundigen te onderzoeken. Het
                                        tweede en derde lid van artikel 267 zijn van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin
                                        bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de loop van het
                                        gerechtelijk vooronderzoek plaatshebben.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris verleent aan de aangewezen deskundige
                                        inzage of afschrift van het verslag, bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">269</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Met betrekking tot de door de verdachte overeenkomstig een
                                        van de beide voorgaande artikelen aangewezen deskundige zijn
                                        de artikelen 245 tot en met 247, 263 tot en met 265, 266,
                                        derde en vierde lid, en 267 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Die deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met
                                        redenen omkleed verslag uit. Het verslag wordt schriftelijk
                                        of mondeling uitgebracht, naar gelang de rechter-commissaris
                                        dit vordert.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Die deskundige ontvangt uit 's Lands kas vergoeding op
                                        dezelfde voet als de deskundigen, die door de
                                        rechter-commissaris zijn benoemd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">270</nr></kop><al>Ingeval hetzij de wijze waarop het onderzoek door de deskundigen
                                    is geschied, hetzij het verschil van de deskundigen omtrent de
                                    feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe
                                    aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, hetzij op de
                                    vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek
                                    van de verdachte, het onderzoek aan andere deskundigen opdragen.
                                    De voorgaande artikelen van deze afdeling en artikel 271 zijn
                                    van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">271</nr></kop><al>De rechter-commissaris kan de deskundigen geheimhouding
                                    opleggen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Sluiting van het gerechtelijk
                                    vooronderzoek</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">272</nr></kop><al>Indien de rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk
                                    vooronderzoek is voltooid of dat tot voortzetting daarvan geen
                                    grond bestaat, of wel indien de officier van justitie hem
                                    schriftelijk meedeelt dat van verdere vervolging wordt afgezien,
                                    sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin de reden van
                                    de sluiting is vermeld, en doet hij deze aan de officier van
                                    justitie toekomen en aan de verdachte betekenen. Tegen deze
                                    beschikking is geen voorziening toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">273</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en
                                        met 29 is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie
                                        een mededeling overeenkomstig artikel 272 niet dan nadat
                                        daarin is bewilligd door het Hof van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie doet te dien einde de
                                        processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden
                                        voor zodanige mededeling, toekomen aan het Hof van
                                        Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">274</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, doch het
                                        onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan
                                        de rechter in eerste aanleg, op de vordering van de officier
                                        van justitie of op het verzoek van de verdachte, de
                                        rechter-commissaris het verrichten van bepaalde handelingen
                                        van nader onderzoek opdragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vordering van de officier van justitie en het verzoek van
                                        de verdachte bevatten, op straffe van niet-ontvankelijkheid
                                        met redenen omkleed, een nauwkeurige opgave van de
                                        handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris
                                        dienen te worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de rechter daartoe gronden aanwezig acht, hoort hij
                                        de officier van justitie of de verdachte, tenzij hij de
                                        vordering of het verzoek aanstonds niet ontvankelijk of
                                        ongegrond acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het door de rechter-commissaris te verrichten nader
                                        onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt
                                        gevoerd overeenkomstig de artikelen 226 tot en met 272.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Beslissing omtrent al dan niet verdere
                                vervolging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">275</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidend
                                    onderzoek de officier van justitie van oordeel is dat verdere
                                    vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig
                                    mogelijk over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is
                                    aangevangen, kan van verdere vervolging worden afgezien, ook op
                                    gronden aan het algemeen belang ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">276</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geval van de mededeling genoemd in artikel 272 doet de
                                    officier van justitie de verdachte onverwijld kennisgeven, dat
                                    hij hem ter zake van het feit waarop het gerechtelijk
                                    vooronderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is voorlopige hechtenis toegepast en heeft de officier van
                                    justitie de mededeling genoemd in artikel 272 gedaan, dan wordt
                                    daardoor elk bevel tot voorlopige hechtenis op het tijdstip van
                                    de beschikking tot sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek
                                    van rechtswege opgeheven. De rechter-commissaris maakt daarvan
                                    in zijn beschikking melding.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">277</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad, doet de
                                    officier van justitie, buiten het geval van artikel 276,
                                    uiterlijk binnen een maand nadat de beschikking tot sluiting
                                    daarvan aan de verdachte betekend is geworden, hetzij deze
                                    kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit waarop dat
                                    onderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen, hetzij hem
                                    dagvaarden ter terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door
                                    de rechter-commissaris eenmaal voor ten hoogste een maand worden
                                    verlengd. Indien de officier van justitie het Hof ingevolge
                                    artikel 279, tweede lid, om bewilliging heeft verzocht, wordt de
                                    termijn van rechtswege verlengd tot en met de veertiende dag
                                    nadat het Hof op het verzoek heeft beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie kan, op het verzoek van de verdachte,
                                    en al dan niet onder het stellen van bepaalde voorwaarden, voor
                                    het doen van kennisgeving overeenkomstig het eerste lid een
                                    bepaalde langere termijn nemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">278</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad,
                                    doch wel voorlopige hechtenis is toegepast, doet de officier van
                                    justitie, zodra de zaak tot klaarheid is gebracht, hetzij de
                                    verdachte kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit,
                                    waarvoor de voorlopige hechtenis is toegepast, niet verder zal
                                    vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan, op het verzoek van de verdachte, de
                                    officier van justitie eenmaal een termijn stellen van ten
                                    hoogste een maand, binnen welke deze tot kennisgeving of
                                    dagvaarding overeenkomstig de bepaling van het eerste lid moet
                                    overgaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt op het verzoek gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het tweede en derde lid van artikel 277 zijn van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verplichting tot kennisgeving of dagvaarding vervalt, indien
                                    binnen de gestelde of verlengde termijn een gerechtelijk
                                    vooronderzoek is geopend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">279</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Door een kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de
                                    zaak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en met
                                    29, is gevraagd of gegeven, blijft een kennisgeving van niet
                                    verdere vervolging achterwege, tenzij daaraan een mededeling
                                    overeenkomstig artikel 272 is voorafgegaan of in de kennisgeving
                                    is bewilligd door het Hof van Justitie. Artikel 273, tweede lid,
                                    is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">280</nr></kop><al>Indien de zaak niet verder wordt vervolgd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>onbevoegdheid van de rechter tot kennisneming van het
                                        feit,</al></li><li nr="b."><al>niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie,</al></li><li nr="c."><al>niet-strafbaarheid van het feit of van de verdachte,</al></li><li nr="d."><al>onvoldoende aanwijzing van schuld, wordt daarvan in de
                                        kennisgeving melding gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">281</nr></kop><al>Indien de officier van justitie van oordeel is, dat artikel 39,
                                eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, doch
                                dat tevens de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, moet
                                worden gegeven, is hij bevoegd een behandeling door de raadkamer te
                                vorderen. De verdachte wordt bij het onderzoek gehoord. De artikelen
                                294, tweede lid, en 295 zijn van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">282</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet
                                    verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de
                                    hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak
                                    geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte
                                    worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend
                                    geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen
                                    van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en
                                    processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn
                                    onderzocht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de
                                    rechter in eerste aanleg worden gedagvaard, dan na een ter zake
                                    van die nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk
                                    vooronderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij verzuim van een termijn, als bedoeld in de artikelen 272 tot
                                    en met 278, kan de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet
                                    weer in rechte worden betrokken dan onder de voorwaarden, in
                                    eerste tot en met derde lid bepaald. Echter kan het gerecht,
                                    voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op de vordering
                                    van de officier van justitie, deze alsnog eenmaal een nieuwe
                                    termijn stellen, indien het algemeen belang dat dringend eist.
                                    De verdachte wordt op de vordering gehoord. Artikel 277, tweede
                                    lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Verzuim van een termijn voor verdere vervolging of kennisgeving
                                    van niet verdere vervolging wordt niet aanwezig geacht, indien
                                    een tijdig uitgebrachte dagvaarding om ter terechtzitting te
                                    verschijnen, vervalt of wordt ingetrokken of nietig
                                    verklaard.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">283</nr></kop><al>Door de kennisgeving van niet verdere vervolging, de beschikking tot
                                buitenvervolgingstelling of de beschikking houdende verklaring dat
                                de zaak geëindigd is, wordt elk bevel tot voorlopige hechtenis van
                                rechtswege opgeheven. Daarvan wordt in de kennisgeving of
                                beschikking melding gemaakt.</al></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">DE TERECHTZITTING</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Het aanhangig maken van de zaak ter
                                terechtzitting in eerste aanleg</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">284</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een
                                    dagvaarding vanwege de officier van justitie aan de verdachte
                                    betekend. Het rechtsgeding neemt op het moment van de betekening
                                    een aanvang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt
                                    krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding
                                    waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel
                                    98, vierde lid, reeds tweemaal is verlengd, kan de dagvaarding
                                    geschieden, ook al is het gerechtelijk vooronderzoek nog niet
                                    gesloten.Van de dagvaarding geeft de officier van justitie in
                                    dat geval schriftelijk kennis aan de rechter-commissaris. Door
                                    deze kennisgeving eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De
                                    artikelen 272 en 277 vinden alsdan geen toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij de betekening van de dagvaarding, zomede in de oproeping
                                    bedoeld bij artikel 414 wordt, de bevoegdheid vermeld, die de
                                    verdachte bij artikel 76, vierde lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht is verleend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter bepaalt, op de voordracht van de officier van
                                    justitie, de dag van de terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">285</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De dagvaarding bevat een zodanige opgave van het feit dat ten
                                    laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar
                                    ter plaatse het begaan zou zijn, dat de verdachte daaruit
                                    redelijkerwijze kan begrijpen, ter zake waarvan hij wordt
                                    verdacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder
                                    het feit zou zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt
                                    krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding,
                                    waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of, ingevolge artikel
                                    98, vierde lid, reeds tweemaal is verlengd, kan voor de opgave
                                    van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat
                                    bevel is gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">286</nr></kop><al>Strafbare feiten die op dezelfde terechtzitting worden aangebracht
                                en waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn
                                begaan, worden gevoegd aan de kennisneming van de rechter
                                onderworpen, indien dit in het belang van het onderzoek is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">287</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bevoegd getuigen en deskundigen ter
                                    terechtzitting te doen dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de dagvaarding van de verdachte worden voor zover mogelijk
                                    opgegeven de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats,
                                    of, bij onbekendheid van een of ander, de aanduiding, zo
                                    nauwkeurig mogelijk, van de getuigen en deskundigen, die vanwege
                                    de officier van justitie zullen worden gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt daarbij kenbaar gemaakt dat hij het recht
                                    heeft getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of op de
                                    terechtzitting mee te brengen; hij wordt daarbij tevens
                                    opmerkzaam gemaakt op de voorschriften van de artikelen 289,
                                    eerste en tweede lid, 293 en 308, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">288</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie doet aan ieder, die zich met betrekking
                                    tot het tenlastegelegde feit overeenkomstig artikel 206 als
                                    benadeelde partij heeft opgegeven, kennisgeven van de dag, het
                                    uur en de plaats van de terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De kennisgeving geschiedt zo mogelijk tenminste drie dagen voor
                                    de dag van de terechtzitting. Zij behelst een korte aanduiding
                                    van het tenlastegelegde feit. Bij de kennisgeving wordt de
                                    benadeelde partij tevens opmerkzaam gemaakt op de haar
                                    betreffende voorschriften van de artikelen 374 tot en met
                                    380.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">289</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte heeft het recht getuigen en deskundigen ter
                                    terechtzitting te doen dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij geeft deze daartoe ten minste drie dagen voor de
                                    terechtzitting in persoon ten parkette van de officier van
                                    justitie of schriftelijk bij aangetekende, aan de officier
                                    gerichte brief op. Hij vermeldt daarbij de namen, het beroep en
                                    de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of
                                    ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij
                                    schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief,
                                    die onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van
                                    opgave.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officier van justitie doet de getuigen of deskundigen,
                                    opgegeven met inachtneming van het tweede lid, onverwijld
                                    dagvaarden, tenzij er naar zijn oordeel dwingende gronden
                                    bestaan om de dagvaarding te weigeren. In dit laatste geval
                                    maakt hij de verdachte opmerkzaam op het bepaalde in artikel
                                    318, derde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De getuigen en deskundigen, die zijn gedagvaard, worden gebracht
                                    op de in artikel 318, tweede lid, bedoelde lijst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">290</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op straffe van nietigheid moet tussen de dag waarop de
                                    dagvaarding aan de verdachte is betekend, en die van de
                                    terechtzitting, een termijn van ten minste zeven dagen, of,
                                    ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende
                                    Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de
                                    openbare orde zijn gegeven, van ten minste vier dagen verlopen.
                                    Wanneer de verdachte in een ander eilandgebied wordt gedagvaard
                                    dan waar de rechter zitting houdt, wordt de termijn van
                                    dagvaarding met zeven dagen verlengd. De termijn bedraagt ten
                                    minste zes weken, indien de verdachte in het buitenland
                                    woonachtig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met toestemming van de verdachte kan deze termijn worden
                                    verkort, mits van deze toestemming blijkt door een verklaring,
                                    af te leggen op de griffie van het gerecht in eerste aanleg
                                    waarvoor gedagvaard wordt; de artikelen 446 en 447 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing. Geschiedt de betekening van de
                                    dagvaarding door een deurwaarder of ambtenaar van politie, dan
                                    kan de verdachte de verklaring ook doen opnemen in de akte van
                                    uitreiking; hij moet de verklaring tekenen; indien hij niet kan
                                    tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Vrijwillige verschijning van de verdachte op een dagvaarding,
                                    betekend in strijd met de voorschriften van dit artikel, dekt de
                                    nietigheid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In dat geval kan de rechter op het verzoek van de verdachte en
                                    in het belang van diens verdediging schorsing van het onderzoek
                                    tot een bepaalde dag bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">291</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is
                                    aangevangen, kan de officier van justitie de dagvaarding
                                    intrekken. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de
                                    verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie draagt zorg dat de gedagvaarde getuigen
                                    en deskundigen tijdig met de intrekking worden
                                    bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt bij of na de intrekking van de dagvaarding van verdere
                                    vervolging afgezien, dan doet de officier van justitie de
                                    verdachte onverwijld kennisgeven, dat hij hem ter zake van het
                                    feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder zal
                                    vervolgen. De artikelen 279 en 280 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">292</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de dagvaarding is ingetrokken, zonder dat de verdachte
                                    een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, stelt
                                    de rechter op het verzoek van de verdachte, de officier van
                                    justitie een termijn waarbinnen hetzij tot dagvaarding, hetzij
                                    tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden
                                    overgegaan. De verdachte wordt op het verzoek gehoord. Artikel
                                    282, vierde en vijfde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door
                                    de rechter telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Bezwaarschrift tegen de dagvaarding</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">293</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de dagvaarding kan de verdachte binnen vijf dagen na de
                                    betekening een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie.
                                    Het bezwaarschrift is op straffe van niet-ontvankelijkheid met
                                    redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien niet voor het tijdstip waartegen de verdachte is
                                    gedagvaard, op het gehele bezwaarschrift onherroepelijk is
                                    beslist, wordt de behandeling ter terechtzitting voor bepaalde
                                    of onbepaalde tijd uitgesteld. De artikelen 362 en 363 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">294</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Naar de gegrondheid van het bezwaarschrift stelt het Hof een
                                    onderzoek in. De verdachte en de procureur-generaal worden
                                    gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan, alvorens te beslissen, door de rechter-commissaris
                                    een onderzoek doen instellen en zich de daartoe betrekkelijke
                                    stukken doen overleggen. Dit onderzoek geldt als een
                                    gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de artikelen
                                    226 tot en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de
                                    bevoegdheden, die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en
                                    overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na tussenkomst van
                                    de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte zijn
                                    toegekend, ambtshalve uitoefenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">295</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het feit niet tot de kennisneming van het Hof behoort,
                                    verklaart het zich onbevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is de officier van justitie niet ontvankelijk, het feit waarop
                                    de dagvaarding betrekking had, of de verdachte niet strafbaar,
                                    of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt het Hof
                                    de verdachte ten aanzien van de gehele telastelegging of voor
                                    een bij de beschikking nader aan te duiden gedeelte van de
                                    telastelegging buiten vervolging. In het geval, bedoeld in
                                    artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan
                                    tevens gegeven worden de last, bedoeld in het tweede lid van dat
                                    artikel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle andere gevallen verklaart het Hof het bezwaarschrift
                                    niet ontvankelijk of ongegrond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De beschikking van het Hof wordt onverwijld aan de verdachte ter
                                    kennis gebracht. Indien de verdachte in raadkamer verschijnt,
                                    kan de beslissing hem worden meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wanneer de beschikking waarbij de verdachte ten aanzien van de
                                    gehele telastelegging buiten vervolging wordt gesteld,
                                    onherroepelijk is geworden, vervalt een reeds uitgebrachte
                                    dagvaarding. Wanneer de beschikking waarbij de verdachte voor
                                    een gedeelte buiten vervolging wordt gesteld, onherroepelijk is
                                    geworden, brengt de officier van justitie de dagvaarding in
                                    overeenstemming met die beschikking.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">296</nr></kop><al>Tegen de dagvaarding, die is uitgebracht na een bevel krachtens
                                artikel 25, eerste lid, is een bezwaarschrift niet toegelaten,
                                tenzij nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">297</nr></kop><al>Is bij de beschikking tot buitenvervolgingstelling tevens gegeven de
                                last, bedoeld in het tweede lid van artikel 39 van het Wetboek van
                                Strafrecht, dan kan de verdachte of diens raadsman daartegen bezwaar
                                maken door middel van een verklaring ter griffie van het Hof, af te
                                leggen uiterlijk binnen zes dagen nadat de beschikking in kracht van
                                gewijsde is gegaan. Alsdan vervalt de beschikking en beveelt het
                                Hof, dat de verdachte ter zake van het feit waarop de dagvaarding
                                betrekking had, binnen een bepaalde termijn opnieuw zal worden
                                gedagvaard. Deze termijn kan op de vordering van de officier van
                                justitie door het Hof eenmaal voor een bepaalde tijd worden
                                verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">298</nr></kop><al>In geval van buitenvervolgingstelling zijn de artikelen 282 en 283
                                van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Het aanhangig maken van de zaak ter
                                terechtzitting in hoger beroep</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">299</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De zaak wordt in hoger beroep ter terechtzitting aanhangig
                                    gemaakt door een dagvaarding, vanwege de procureur-generaal aan
                                    de verdachte betekend. Het rechtsgeding in hoger beroep neemt op
                                    het moment van de betekening een aanvang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van die dagvaarding is artikel 287 van toepassing,
                                    behoudens dat daarbij de verdachte, in plaats van op de
                                    voorschriften van artikel 289, eerste lid, opmerkzaam wordt
                                    gemaakt op die van artikel 301.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de gronden, in artikel 286 vermeld, kunnen verschillende
                                    zaken gevoegd aanhangig worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt, op de voordracht van de
                                    procureur-generaal, de dag van de terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">300</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op straffe van nietigheid moet tussen de dag waarop de
                                    dagvaarding aan de verdachte is betekend, en die van de
                                    terechtzitting een termijn van ten minste zeven dagen verlopen.
                                    Wanneer de verdachte in een ander eilandgebied wordt gedagvaard
                                    dan waar de rechter zitting houdt, wordt de termijn van
                                    dagvaarding met zeven dagen verlengd. De termijn bedraagt ten
                                    minste zes weken, indien de verdachte in het buitenland
                                    woonachtig is. Artikel 290, tweede, derde en vierde lid, is van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 288 is van overeenkomstige toepassing, met dien
                                    verstande dat bij kennisgeving de benadeelde partij tevens
                                    opmerkzaam wordt gemaakt op de voorschriften van artikel 374, en
                                    dat de kennisgeving steeds geschiedt aan de benadeelde partij
                                    die zich in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">301</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal en de verdachte kunnen zowel ter
                                    terechtzitting in eerste aanleg gehoorde, als nieuwe getuigen en
                                    deskundigen doen dagvaarden. Zij kunnen ook nieuwe bescheiden en
                                    stukken van overtuiging overleggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 289, tweede tot en met vierde lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Behandeling ter terechtzitting</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepaling</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">302</nr></kop><al>De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn
                                    toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste
                                    aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar
                                    gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor
                                    de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg
                                    wordt verstaan en waar gesproken wordt van de
                                    procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste
                                    aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander
                                    voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en
                                    onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de
                                    Titels I en II van het Zevende Boek.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Onderzoek van de zaak op de
                                    terechtzitting</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">303</nr></kop><al>Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een
                                    aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft
                                    doen uitroepen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">304</nr></kop><al>De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak
                                    heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het
                                    onderzoek op de terechtzitting geen deel.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">305</nr></kop><al>1.Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij
                                    in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als
                                    toehoorder niet toegelaten minderjarige personen die de leeftijd
                                    van zestien jaren nog niet hebben bereikt. 2. In geval van
                                    twijfel omtrent de leeftijd moet ten genoegen van de voorzitter
                                    aannemelijk worden gemaakt dat de persoon die toelating
                                    verlangt, de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">306</nr></kop><al>In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen
                                    gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen
                                    vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door
                                    hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding
                                    strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een
                                    daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij
                                    het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste
                                    geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">307</nr></kop><al>Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op
                                    de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij
                                    wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat
                                    vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">308</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte niet op de terechtzitting tegenwoordig
                                        is, kan het Hof zowel bij de aanvang als gedurende de loop
                                        van het onderzoek bevelen dat, zo er gronden zijn om aan te
                                        nemen, dat hij bij een herhaalde dagvaarding wederom niet
                                        zal verschijnen, hij op een door het Hof te bepalen tijdstip
                                        ter terechtzitting aanwezig zal zijn; het Hof kan daartoe
                                        tevens zijn medebrenging gelasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip niet op de
                                        terechtzitting is verschenen, verleent het Hof, tenzij het
                                        de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek,
                                        indien dit nog niet had plaatsgehad; het onderzoek wordt
                                        daarna voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip op de
                                        terechtzitting is verschenen, wordt het verstek dat tegen
                                        hem verleend mocht zijn, vervallen verklaard en het
                                        onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">309</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De terechtzitting is openbaar, tenzij het Hof ambtshalve,
                                        dan wel op de vordering van de procureur-generaal of op het
                                        verzoek van de verdachte, in het belang van de openbare orde
                                        of de zedelijkheid beveelt, dat de behandeling ter
                                        terechtzitting geheel of ten dele met gesloten deuren zal
                                        plaatsvinden. Het bevel kan ook worden gegeven op het
                                        verzoek van een getuige op grond dat het in het openbaar
                                        afleggen van zijn verklaring voor hemzelf, voor een of meer
                                        van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de
                                        zijlijn in de tweede of de derde graad of voor zijn
                                        echtgenote of vroegere echtgenote, dan wel de persoon met
                                        wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond,
                                        een ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen worden in het proces-verbaal van de
                                        terechtzitting vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof geeft het bevel niet dan na de verzoeker en in ieder
                                        geval de procureur-generaal en de verdachte, zo nodig met
                                        gesloten deuren, te hebben gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing in eerste
                                        aanleg is gegeven, staat daartegen geen beroep open.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de
                                        voorzitter, de procureur-generaal en de verdachte gehoord,
                                        bijzondere toegang verlenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">310</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de
                                        terechtzitting en geeft daartoe de nodige bevelen. Hij kan
                                        een door hem aangewezen lid van het college in zijn plaats
                                        belasten met de ondervraging. Dit lid oefent alsdan bij de
                                        ondervraging de bevoegdheden uit die bij deze titel aan de
                                        voorzitter zijn toegekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij draagt zorg dat geen vragen worden gesteld die de
                                        strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet
                                        gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">311</nr></kop><al>Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het
                                    Hof niemand plaats.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">312</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Worden strafbare feiten waarvan de voeging had behoren te
                                        geschieden, op dezelfde terechtzitting afzonderlijk
                                        aangebracht, dan beveelt het Hof dat de voeging alsnog zal
                                        plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien strafbare feiten waartussen verband bestaat of die
                                        door dezelfde persoon zijn begaan op verschillende
                                        terechtzittingen zijn aangebracht, maar de behandeling op
                                        dezelfde terechtzitting wordt hervat of aangevangen, beveelt
                                        het Hof eveneens de voeging, indien dit in het belang van
                                        het onderzoek is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof beveelt de splitsing van gevoegde zaken, indien het
                                        geen verband tussen die zaken aanwezig acht of de voeging
                                        niet in het belang van het onderzoek oordeelt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">313</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan echter het onderzoek wegens de uitgebreidheid of
                                        de duur daarvan, of voor het nemen van rust,
                                        onderbreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is voorts bevoegd, indien dit door het belang van
                                        het onderzoek wordt gevorderd, met of zonder tijdsbepaling,
                                        de schorsing van het onderzoek te gelasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De schorsing met tijdsbepaling kan zo nodig telkens voor een
                                        bepaalde tijd worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De reden van de onderbreking of schorsing wordt in het
                                        proces-verbaal vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">314</nr></kop><al>Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst
                                    het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde
                                    tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer
                                    dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te
                                    vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch
                                    in geen geval van meer dan vier maanden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">315</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na de aanvang van het onderzoek vraagt de voorzitter de
                                        verdachte, of, zo er meer verdachten zijn, ieder van hen in
                                        de volgorde waarin zij zijn gedagvaard, naar naam en
                                        voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of
                                        verblijfplaats.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal
                                        horen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Daarna doet hij de verdachte, mededeling van diens recht om
                                        zich te onthouden van antwoorden en, indien de verdachte
                                        geen raadsman heeft, van diens recht om zich door een
                                        raadsman te doen bijstaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">316</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding,
                                        niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of
                                        onbevoegdheid van het Hof zonder onderzoek van de zaak zelf
                                        kan blijken, is de verdachte bevoegd die verwering reeds
                                        dadelijk na de ondervraging in artikel 315 vermeld, voor te
                                        dragen en toe te lichten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan daarop antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte kan andermaal en, zo de procureur-generaal
                                        daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt
                                        het onderzoek van de zaak zelf onmiddellijk voortgezet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Ook ambtshalve kan het Hof zonder onderzoek van de zaak de
                                        nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van
                                        de procureur-generaal of de onbevoegdheid van het Hof, dan
                                        wel in het geding in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid
                                        van het beroep, ingesteld door het openbaar ministerie of de
                                        verdachte, uitspreken, na de procureur-generaal en de
                                        verdachte te hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">317</nr></kop><al>Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie,
                                    hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het
                                    eerste lid van artikel 316, hetzij naar aanleiding van het horen
                                    door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van
                                    oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn
                                    de artikelen 355 en 356 van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">318</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst
                                        van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen
                                        over.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de
                                        voorzitter doet voorlezen door de griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan
                                        de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem
                                        opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of
                                        geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die
                                        getuige te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede
                                        lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of
                                        geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter
                                        terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding
                                        als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege
                                        blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd
                                        komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van
                                        getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde
                                        voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of
                                        wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is
                                        verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst
                                        gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die
                                        gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is
                                        verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek
                                        tegenwoordig is geweest.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek
                                        van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst
                                        voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op
                                        bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst
                                        gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos
                                        moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan
                                        redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de
                                        verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen
                                        geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de
                                        getuigen à charge.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij
                                        het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de
                                        verdachte van hun verhoor afziet.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">319</nr></kop><al>Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt
                                    krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding
                                    waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel
                                    98, vierde lid, tweemaal is verlengd, kan de officier van
                                    justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij
                                    de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de
                                    terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig
                                    aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat
                                    geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste
                                    en tweede lid van artikel 318, worden aangehouden tot de
                                    hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">320</nr></kop><al>De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en
                                    van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen
                                    van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te
                                    verwijderen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">321</nr></kop><al>Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen,
                                    beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                    318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen
                                    een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal
                                    worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging
                                    gelasten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">322</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de getuigen worden
                                        voorgeroepen, nadat hij de procureur-generaal en de
                                        verdachte heeft gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij beveelt dat de getuigen zich zullen begeven naar het
                                        voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste
                                        die hij voor het Hof doet verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hij neemt, zo nodig, maatregelen om de getuigen te beletten
                                        dat zij zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar
                                        onderhouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">323</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt de getuige naar naam en voornamen,
                                        leeftijd, beroep en woon- en verblijfplaats; of hij bloed-
                                        of aanverwant is van de verdachte, en, zo ja, in welke
                                        graad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter beëdigt daarna de getuige. Artikel 250, tweede
                                        lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een
                                        aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Met betrekking tot het verhoren van de getuige en diens
                                        recht van verschoning vinden de artikelen 251 tot en met 254
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">324</nr></kop><al>De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de
                                    vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de
                                    verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij,
                                    die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot
                                    gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of
                                    tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf
                                    van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is
                                    ingesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">325</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem
                                        heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard.
                                        Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens
                                        raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op
                                        de wijze door de voorzitter te bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde,
                                        doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste
                                        lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang
                                        van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op
                                        de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige
                                        ondervragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens
                                        raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens
                                        verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en
                                        aan de procureur-generaal die tot het maken van
                                        opmerkingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">326</nr></kop><al>Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige
                                    door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de
                                    verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid, is
                                    van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">327</nr></kop><al>De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk
                                    uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">328</nr></kop><al>De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te
                                    merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de
                                    procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige
                                    vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de
                                    procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt
                                    gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn
                                    gegeven, wordt geen acht geslagen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">329</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond
                                        weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden of wel de
                                        eed die van hem gevorderd wordt, af te leggen, beveelt het
                                        Hof indien dit in het belang van het onderzoek dringend
                                        noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld en
                                        op een bepaald tijdstip weer voor het Hof zal worden
                                        gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gegeven dan nadat de getuige in zijn
                                        verdediging, door hem of zijn advocaat voorgedragen, is
                                        gehoord. Het is voor niet langer dan dertig dagen
                                        geldig.Tegen dit bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling,
                                        zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het
                                        onderzoek op de terechtzitting gesloten is. Het is echter
                                        bevoegd dat ontslag in elke stand van het onderzoek te
                                        bevelen, ook op verzoek van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 258 en 259 zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Tegen de beslissing, in het geding in eerste aanleg gegeven
                                        tot afwijzing van een verzoek van de getuige om ontslag,
                                        staat aan deze binnen drie dagen na de betekening hoger
                                        beroep open op het Hof. De getuige wordt gehoord, althans
                                        daartoe behoorlijk opgeroepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">330</nr></kop><al>Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de
                                    rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de
                                    procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te
                                    verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer
                                    in de rechtszaal aanwezig te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">331</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering
                                        van de procureur-generaal of op het verzoek van de
                                        verdachte, getuigen tegenover elkaar stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde
                                        getuigenis, een of meer getuigen de rechtszaal zullen
                                        verlaten en dat een of meer van hun opnieuw zullen worden
                                        binnengelaten, ten einde hetzij afzonderlijk, hetzij in
                                        elkaars bijzijn, nogmaals te worden verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">332</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op gelijke wijze als bij artikel 331 bedoeld, kan de
                                        voorzitter bevelen dat een of meer verdachten de rechtszaal
                                        zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun
                                        tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dat geval wordt de verdachte onmiddellijk op de hoogte
                                        gesteld van hetgeen in zijn afwezigheid is voorgevallen en
                                        eerst daarna met het onderzoek voortgegaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">333</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting
                                        aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan
                                        het Hof ambtshalve, op de vordering van de
                                        procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte
                                        dienaangaande onderzoek bevelen, zonodig met schorsing van
                                        het onderzoek op de terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dat geval wordt door de griffier dadelijk een
                                        proces-verbaal opgemaakt en dit door de voorzitter, de
                                        rechters, en hemzelf ondertekend. Het proces-verbaal bevat
                                        de afgelegde verklaring van de getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna
                                        wordt hem gevraagd, of hij bij zijn verklaring blijft
                                        volharden, in welk geval deze door hem wordt ondertekend.
                                        Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de
                                        weigering of de reden van verhindering.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan daarop het instellen van een gerechtelijk
                                        vooronderzoek bevelen, in te stellen door de
                                        rechter-commissaris belast met de behandeling van
                                        strafzaken. Het kan in dat geval tevens, indien daartoe de
                                        voorwaarden en de gronden aanwezig zijn, de gevangenneming
                                        bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door het Hof in handen gesteld van
                                        de officier van justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">334</nr></kop><al>Artikel 260 is van toepassing met betrekking tot het verhoren
                                    als getuige van de Gouverneur.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">335</nr></kop><al>Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek
                                    beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid, aangemaand,
                                    overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de
                                    terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, is
                                    afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting
                                    voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">336</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Alle bepalingen in deze titel ten aanzien van getuigen en
                                        hun verklaringen, zijn ook van toepassing ten aanzien van
                                        deskundigen en hun verklaringen, behoudens:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de deskundige wordt beëdigd op de wijze als in
                                                artikel 45 voor deskundigen is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>dat artikel 327 niet van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>dat gijzeling niet is toegelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verklaringen en verslagen van deskundigen zijn met
                                        redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht de door het Hof gevorderde
                                        diensten te bewijzen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie,
                                        door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige
                                        is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een
                                        verslag geen nadere eed gevorderd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">337</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere
                                        stukken worden door de voorzitter, wanneer deze of een van
                                        de rechters of wel de procureur-generaal dit verlangt,
                                        voorgelezen, voor zover daarbij naar zijn oordeel redelijke
                                        grenzen niet worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Gelijke voorlezing heeft plaats op verzoek van de verdachte,
                                        tenzij het Hof ambtshalve of op het verzet van de
                                        procureur-generaal anders beveelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle gevallen waarin de verdachte verzoekt dat een
                                        getuigenverklaring op de terechtzitting zal worden
                                        voorgelezen, ten einde als aldaar afgelegd te worden
                                        aangemerkt, zal die voorlezing moeten geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorlezing van stukken kan, tenzij de procureur-generaal
                                        of de verdachte zich daartegen verzet, worden vervangen door
                                        een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de
                                        voorzitter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Ten bezware van de verdachte wordt, op straffe van
                                        nietigheid, op geen stukken acht geslagen, dan voor zover
                                        zij zijn voorgelezen, of hun korte inhoud overeenkomstig het
                                        vierde lid is meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Stukken, die op de terechtzitting in eerste aanleg zijn
                                        voorgelezen, mogen voor de behandeling in hoger beroep als
                                        voorgelezen worden aangemerkt. Indien echter de verdachte
                                        verzoekt, dat bepaalde stukken opnieuw zullen worden
                                        voorgelezen, wordt aan dat verzoek gevolg gegeven, voor
                                        zover door die voorlezing naar het oordeel van het Hof
                                        redelijke grenzen niet worden overschreden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">338</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de verdachte zich ertegen verzet,dat een getuige op
                                        de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261
                                        anoniem is verhoord, kan het Hof die getuige horen zonder
                                        dat diens identiteit wordt onthuld. Het kan daartoe de
                                        nodige maatregelen nemen. Noch de procureur-generaal noch de
                                        verdachte of diens raadsman zijn bij het horen aanwezig. De
                                        artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing, doch alleen
                                        voor zover de inachtneming van die artikelen geen gevaar
                                        oplevert voor onthulling van de identiteit van de getuige.
                                        Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de
                                        procureur-generaal in de gelegenheid opmerkingen te
                                        maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin
                                        van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan
                                        beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op
                                        anonimiteit en dat hij alleen dan opnieuw kan worden
                                        verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen
                                        toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan
                                        met toestemming van de procureur-generaal. Het Hof kan ook
                                        beslissen dat het proces-verbaal, houdende de verklaring die
                                        door de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris
                                        anoniem is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare
                                        feit is toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel
                                        kan worden aangenomen, wordt het verweer van de verdachte
                                        verworpen en blijft het proces-verbaal van verhoor deel van
                                        de processtukken uitmaken. Indien een nader verhoor
                                        wenselijk wordt geoordeeld, kan het Hof beslissen dat de
                                        getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het
                                        vierde lid van artikel 261 nader zal worden verhoord,
                                        eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld
                                        wenst te zien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Nader verhoor door de rechter-commissaris kan ook worden
                                        opgedragen, indien bij een eerder verhoor bepaalde vormen
                                        zijn verzuimd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt het Hof ook
                                        ambtshalve toe.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">339</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer een getuige in verband met het bepaalde in het
                                        zevende lid van artikel 261 niet door de rechter-commissaris
                                        is verhoord, kan het Hof op de vordering van de
                                        procureur-generaal een onderzoek instellen naar de
                                        gegrondheid van de bezwaren tegen onthulling van de
                                        identiteit van die getuige. Het Hof kan daartoe de getuige
                                        overeenkomstig het eerste lid van artikel 338 horen.
                                        Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de verdachte of
                                        diens raadsman in de gelegenheid opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin
                                        van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan
                                        beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op
                                        anonimiteit en dat hij alleen dan kan worden verhoord,
                                        indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt.
                                        Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming
                                        van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel
                                        kan worden aangenomen, beslist het dat de getuige door de
                                        rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van
                                        artikel 261 kan worden verhoord, eventueel met vermelding
                                        van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">340</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de rechter in eerste aanleg het proces-verbaal,
                                        houdende de verklaring die door een getuige op de voet van
                                        het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 is afgelegd,
                                        niet tot het bewijs van het strafbare feit heeft toegelaten,
                                        vindt artikel 339 in hoger beroep overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is een niet eerder verhoorde getuige alsnog, na een daartoe
                                        strekkende beslissing van de rechter in eerste aanleg, door
                                        de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van
                                        artikel 261 verhoord, dan vindt artikel 338 in hoger beroep
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">341</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat alle deskundigen en getuigen zijn verhoord, wordt de
                                        verdachte ondervraagd. Hij wordt echter, indien dat door de
                                        voorzitter nodig wordt geoordeeld, eerder ondervraagd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is er meer dan een verdachte, dan geschiedt de ondervraging
                                        in de volgorde, door de voorzitter te bepalen, na de
                                        procureur-generaal en de raadslieden te hebben gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt eerst door de voorzitter ondervraagd.
                                        Daarna kunnen de andere rechters en vervolgens de raadsman
                                        en de procureur-generaal vragen stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter daartoe aanleiding ziet, kan hij de
                                        procureur-generaal in de gelegenheid stellen de verdachte
                                        het eerst te ondervragen. In dat geval krijgt de raadsman
                                        daarna de gelegenheid de verdachte vragen te stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In ieder geval geeft de voorzitter aan de raadsman en aan de
                                        procureur-generaal de gelegenheid om naar aanleiding van de
                                        verklaring van de verdachte opmerkingen te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn
                                        aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de
                                        raadsman of van de procureur-generaal, beletten dat aan
                                        enige vraag, aan de verdachte gesteld, gevolg wordt gegeven.
                                        Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven,
                                        wordt geen acht geslagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">342</nr></kop><al>Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte
                                    door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de
                                    raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">343</nr></kop><al>Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk
                                    onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">344</nr></kop><al>Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de
                                    terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of
                                    onschuld van de verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">345</nr></kop><al>Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting
                                    verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan
                                    deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig,
                                    bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de
                                    zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak
                                    wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte
                                    tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte
                                    met de verdediging belast.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">346</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering
                                        van de procureur-generaal of op het verzoek van de
                                        verdachte, bepalen dat vragen betreffende de persoonlijke of
                                        de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens
                                        tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de
                                        procureur-generaal of de raadsman buiten tegenwoordigheid
                                        van de verdachte betreffende diens geestvermogens het woord
                                        zal voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter kan dienovereenkomstig bepalen, dat de
                                        verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer
                                        medeverdachten zal worden verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 332 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">347</nr></kop><al>Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van
                                    artikel 326, aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of
                                    stukken worden voorgelezen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">348</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat
                                        heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een
                                        tolk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer
                                        gebrekkig horen of spreken kan, geschieden de vragen of de
                                        antwoorden schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet
                                        of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan wordt de
                                        bijstand van een daartoe geschikt persoon als tolk
                                        gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De tolk wordt, zo nodig, vanwege de procureur-generaal
                                        gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien op de terechtzitting de bijstand van een tolk blijkt
                                        nodig te zijn, kan het Hof de dagvaarding van een tolk
                                        bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Bij niet-verschijning van een tolk is artikel 321 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De verdachte kan op bepaald aangegeven gronden de tolk
                                        wraken. Het Hof doet daarover terstond uitspraak.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">349</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te
                                        vangen, beëdigd.Artikel 250, tweede lid, betreffende
                                        vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie
                                        door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is
                                        beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar
                                        ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">350</nr></kop><al>In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd,
                                    wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen
                                    ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem
                                    vertolkt te zijn.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">351</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter toont zo nodig de verdachte en de getuigen de
                                        voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen en
                                        verhoort hen daaromtrent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is bevoegd zodanige voorwerpen ter
                                        terechtzitting mee te nemen en over te leggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">352</nr></kop><al>Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het
                                    openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij
                                    ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of
                                    op het verzoek van de verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">353</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de
                                        ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de
                                        procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn
                                        vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering
                                        omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging
                                        daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk
                                        bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De
                                        procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte
                                        niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is
                                        een vordering als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van
                                        Strafrecht van de Nederlandse Antillen aanhangig te maken,
                                        alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek,
                                        als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld.Van deze
                                        mededeling van de procureur-generaal wordt in het
                                        proces-verbaal van de terechtzitting aantekening
                                        gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte kan hierop antwoorden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal kan daarna andermaal het woord
                                        voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Daarna kan de verdachte nog eenmaal opmerkingen maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Aan de verdachte wordt echter, op straffe van nietigheid,
                                        het recht gelaten om het laatst te spreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Ook daarna is artikel 347 van toepassing en kan ook de
                                        verdachte nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de
                                        procureur-generaal en de verdachte nogmaals, op de hiervoor
                                        vermelde voet, het woord voeren.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">354</nr></kop><al>Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden
                                    die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling
                                    tot verzwaring van straf grond opleveren, is de
                                    procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te
                                    leggen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">355</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in het geding in eerste aanleg en buiten het geval
                                        van artikel 354 de officier van justitie oordeelt dat de
                                        telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de
                                        inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen
                                        schriftelijk aan de rechter over, voordat hij voor de eerste
                                        maal overeenkomstig artikel 353 het woord voert, met de
                                        vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte wordt op de vordering tot wijziging
                                        gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de rechter de vordering toewijst, doet hij ter
                                        terechtzitting de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in
                                        het proces-verbaal opnemen. In geen geval worden wijzigingen
                                        toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer
                                        hetzelfde feit, in de zin van artikel 70 van het Wetboek van
                                        Strafrecht, zou inhouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">356</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de telastelegging overeenkomstig artikel 355 is
                                        gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een
                                        gewaarmerkt afschrift van de wijziging op de terechtzitting
                                        zelf ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter
                                        terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de wijziging zo
                                        spoedig mogelijk betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter schorst het onderzoek voor een bepaalde tijd; met
                                        toestemming van de verdachte kan echter het onderzoek
                                        aanstonds worden voortgezet.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">357</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien in de telastelegging voor de opgave van het feit is
                                        volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 285,
                                        derde lid, wordt die opgave alsnog in overeenstemming
                                        gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel
                                        gestelde eisen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 355, met uitzondering van de laatste volzin van
                                        het derde lid, en 356 vinden overeenkomstig toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">358</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het
                                        verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen
                                        of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of
                                        stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting
                                        aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een
                                        bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen
                                        tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of
                                        de overlegging van die bescheiden of die stukken van
                                        overtuiging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de
                                        getuige, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 is
                                        verhoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">359</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris
                                        noodzakelijk blijkt, stelt het Hof met schorsing van de zaak
                                        onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo
                                        nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de
                                        stukken in handen van de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en
                                        wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 226 tot
                                        en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de
                                        bevoegdheden die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek
                                        en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na
                                        tussenkomst van de officier van justitie of op het verzoek
                                        van de verdachte zijn toegekend, ambtshalve uitoefenen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">360</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de
                                        geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige
                                        hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende
                                        op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt het Hof bij
                                        een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter
                                        waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan
                                        te duiden inrichting tot verpleging of genezing
                                        bestemd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een
                                        of meer deskundigen is ingewonnen en de procureur-generaal,
                                        de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld
                                        om terzake te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 177 is van toepassing met dien verstande dat het
                                        bevel, bedoeld bij het tweede lid van dat artikel, slechts
                                        door het Hof kan worden gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">361</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof het houden van een schouw of het horen van
                                        getuigen of verdachten elders dan in de rechtszaal
                                        noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing van
                                        de zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden
                                        verplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof is bevoegd daartoe met de personen door haar
                                        aangewezen elke plaats te betreden. Van het binnentreden in
                                        een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de
                                        bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren
                                        proces-verbaal opgemaakt. Artikel 163, derde lid, is van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is bevoegd, naar aanleiding van de gesteldheid van
                                        de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden
                                        gehouden, de nodige voorschriften te geven voor de wijze van
                                        behandeling van de zaak op die terechtzitting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">362</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin het onderzoek wordt onderbroken of
                                        voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter
                                        aan de aanwezige verdachte en aan de aanwezige getuigen,
                                        deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd,
                                        waarop zij op de terechtzitting aanwezig zullen moeten zijn,
                                        tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte
                                        gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere
                                        behandeling niet is vereist. De aanzegging geldt als
                                        dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen
                                        of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 321 van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in
                                        het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting
                                        aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de
                                        nadere behandeling opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij
                                        het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord,
                                        bepaalt dat hun tegen-woordigheid bij de nadere behandeling
                                        niet is vereist.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">363</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde
                                        tijd is geschorst, wordt, zodra de oorzaak van de schorsing
                                        is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen,
                                        deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de
                                        nadere behandeling bepaald, gedagvaard, tenzij het Hof, de
                                        procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun
                                        tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is
                                        vereist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken die, ofschoon
                                        opgeroepen of gedagvaard, niet op de terechtzitting zijn
                                        verschenen, worden opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij
                                        het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord,
                                        bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling
                                        niet is vereist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Hetgeen bij artikel 290 ten opzichte van de dagvaarding van
                                        de verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de
                                        oproeping van de verdachte.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">364</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In alle gevallen, waarin, na schorsing, het onderzoek op een
                                        nadere terechtzitting wordt hervat, kunnen nieuw bij te
                                        brengen, nog niet verhoorde getuigen en deskundigen
                                        overeenkomstig de artikelen 287, eerste lid, en 289 worden
                                        gedagvaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 287, tweede en derde lid, vindt overeenkomstig
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De nieuw bijgebrachte getuigen worden op de getuigenlijst
                                        geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Artikel 318, derde lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De bepalingen strekkende tot bescherming van de bedreigde
                                        getuige zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">365</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde bij artikel 366, wordt in alle
                                        gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de
                                        zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin
                                        zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is
                                        bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting
                                        opnieuw wordt aangevangen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geval dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen,
                                        wordt de verklaring van een getuige die bij het voorgaand
                                        onderzoek is verhoord, mits op de nadere terechtzitting
                                        voorgelezen, als aldaar afgelegd aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien die getuige overleden is of naar het oordeel
                                                van het Hof niet op de nadere terechtzitting heeft
                                                kunnen verschijnen,</al></li><li nr="b."><al>indien die getuige op de nadere terechtzitting is
                                                verschenen, doch weigert getuigenis te geven,
                                                of</al></li><li nr="c."><al>indien met toestemming van de procureur-generaal en
                                                de verdachte van zijn verhoor wordt afgezien.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">366</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien bij de hervatting van het onderzoek de verdachte
                                        tegen wie voor de schorsing verstek is verleend, op de
                                        terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald,
                                        verschijnt, of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling,
                                        toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen,
                                        wordt het verleend verstek vervallen verklaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan gelasten dat bepaalde handelingen van onderzoek
                                        opnieuw zullen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">367</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Niettegenstaande de schorsing is het Hof bevoegd te allen
                                        tijde het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde
                                        spoedeisende maatregelen tijdelijk te heropenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 363, 364 en 365 zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">368</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien buiten het geval van artikel 308 of van artikel 366
                                        de verdachte tegen wie verstek is verleend, gedurende het
                                        onderzoek op de terechtzitting verschijnt of zich in de
                                        gevallen, bij wettelijke regeling toegelaten, door een
                                        gemachtigde laat vertegenwoordigen, kan het Hof het verstek
                                        vervallen verklaren. In dat geval wordt het onderzoek
                                        opnieuw aangevangen, hetzij dadelijk, hetzij op een nader te
                                        bepalen terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">369</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De griffier houdt het proces-verbaal van de terechtzitting,
                                        waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht
                                        genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak
                                        op de terechtzitting voorvalt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het behelst tevens de zakelijke inhoud van de verklaringen
                                        van de getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de
                                        procureur-generaal vordert of de verdachte verzoekt dat
                                        enige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt
                                        daaraan, voor zover de verklaring redelijke grenzen niet
                                        overschrijdt, op last van het Hof zoveel mogelijk voldaan en
                                        daarvan voorlezing gedaan Acht de procureur-generaal of de
                                        verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan
                                        beslist het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van
                                        enige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave
                                        aantekening zal worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een van de rechters
                                        het verlangt, of op de vordering van de procureur-generaal
                                        of op het verzoek van de verdachte.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">370</nr></kop><al>Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de
                                    rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier
                                    vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de
                                    terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van
                                    artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier
                                    tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn
                                    medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het
                                    proces-verbaal melding gemaakt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">371</nr></kop><al>Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de
                                    bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een
                                    vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden
                                    gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">372</nr></kop><al>Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de
                                    verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te
                                    beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur-
                                    generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig
                                    is, of diens raadsman.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">373</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend,
                                        komt ook toe aan diens raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin bij deze titel de toestemming of het
                                        horen van de verdachte of diens raadsman wordt gevorderd,
                                        geldt dit alleen ten aanzien van de op de terechtzitting
                                        aanwezige verdachte of raadsman.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Benadeelde partij</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">374</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij kan zich ter zake van haar vordering
                                        tot schadevergoeding, indien deze wordt beperkt tot ten
                                        hoogste vijftigduizend gulden en zij niet aan het oordeel
                                        van de burgerlijke rechter is onderworpen, voegen in het
                                        geding over de strafzaak in eerste aanleg. De vordering
                                        dient naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te
                                        zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de
                                        strafzaak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tot deze voeging kan zij voorts door de rechter worden
                                        toegelaten ingeval een niet tenlastegelegd strafbaar feit,
                                        als bedoeld in artikel 412, bij het onderzoek ter
                                        terechtzitting ter sprake komt en dit feit in beginsel bij
                                        de strafbepaling in aanmerking kan worden genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De voeging geschiedt op de terechtzitting door een opgave
                                        van de inhoud van de vordering, uiterlijk voordat de
                                        officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353
                                        overlegt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste
                                        aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in
                                        hoger beroep.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Heeft de voeging in eerste aanleg plaatsgehad, dan duurt
                                        zij, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege
                                        voort in hoger beroep, ook al is de benadeelde partij in
                                        hoger beroep niet verschenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Is de vordering niet of slechts ten dele toegewezen, dan kan
                                        de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste
                                        vordering in het geding in hoger beroep voegen. Het derde
                                        lid is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">375</nr></kop><al>Zij, die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen,
                                    bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om
                                    zich in het strafgeding te voegen, die bijstand of die
                                    vertegenwoordiging nodig. Ten aanzien van de verdachte zijn de
                                    bepalingen betreffende de bijstand of de vertegenwoordiging,
                                    nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">376</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij kan zich doen bijstaan door een
                                        advocaat. Zij kan zich doen vertegenwoordigen door een
                                        advocaat of door een daartoe bij bijzondere volmacht
                                        schriftelijk gemachtigde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Nadat de zaak ter terechtzitting is aanhangig gemaakt, kan
                                        zowel de benadeelde partij als haar advocaat ter griffie
                                        inzage nemen van de processtukken, zonder de voortzetting
                                        van de zaak op te houden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De benadeelde partij kan van deze stukken met toestemming
                                        van de voorzitter, afschriften doen nemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ten aanzien van de bevoegdheid van de benadeelde partij en
                                        haar advocaat tot de kennisneming van processtukken en het
                                        bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 51 tot en
                                        met 54 overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">377</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij of haar advocaat kan tot bewijs van de
                                        geleden schade of van het bedrag daarvan stukken
                                        overleggen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter kan aan de benadeelde partij toestemming geven
                                        om getuigen of deskundigen aan te brengen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">378</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij of haar advocaat kan aan elke getuige
                                        en deskundige vragen doen, doch alleen betreffende de
                                        geleden schade of het bedrag daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ondervraging van getuigen en deskundigen door de
                                        benadeelde partij of haar advocaat geschiedt door
                                        tussenkomst van de voorzitter, tenzij het Hof toestaat dat
                                        zij zonder die tussenkomst zal geschieden. De toestemming
                                        kan steeds worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof kan beletten dat aan enige vraag, door of namens de
                                        benadeelde partij gesteld, gevolg wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">379</nr></kop><al>De benadeelde partij kan haar eis toelichten of doen toelichten,
                                    nadat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel
                                    353 heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de
                                    officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweede
                                    male het woord te voeren.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">380</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof doet over de vordering van de benadeelde partij
                                        gelijktijdig met de strafzaak uitspraak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De vordering zal alleen ontvankelijk zijn, indien de
                                        verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of wordt
                                        schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of
                                        maatregel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij toewijzing van de vordering veroordeelt het Hof de
                                        verdachte geheel of ten dele in de kosten door de benadeelde
                                        partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog
                                        te maken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hieronder zijn niet begrepen de kosten die het Hof verklaart
                                        nodeloos te zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij gehele of gedeeltelijke ontzegging veroordeelt het Hof
                                        de benadeelde partij geheel of ten dele in de kosten door de
                                        verdachte te zijner verdediging tegen de vordering gemaakt,
                                        met uitzondering van die kosten die het Hof verklaart
                                        nodeloos te zijn gemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Bewijs</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">381</nr></kop><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
                                    begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien
                                    hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de
                                    inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft
                                    bekomen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">382</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:</al><lijst><li nr="a."><al>eigen waarneming van de rechter;</al></li><li nr="b."><al>verklaringen van de verdachte;</al></li><li nr="c."><al>verklaringen van een getuige;</al></li><li nr="d."><al>verklaringen van een deskundige;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijke bescheiden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven
                                        geen bewijs.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">383</nr></kop><al>Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan die welke
                                    bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is
                                    geschied.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">384</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan, zijn bij
                                        het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten
                                        of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan
                                        tot het bewijs, dat de verdachte het tenlastegelegde feit
                                        begaan heeft, meewerken, indien daarvan uit enig wettig
                                        bewijsmiddel blijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zijn opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
                                        begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden
                                        aangenomen op grond van diens eigen verklaringen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Houden de opgaven van de verdachte een gerechtelijke
                                        bekentenis van schuld in, dan worden zij door een herroeping
                                        van de bekentenis niet krachteloos gemaakt, tenzij die
                                        herroeping op aannemelijke gronden berust.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">385</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder verklaring van een getuige wordt verstaan, zijn bij
                                        het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van
                                        feiten of omstandigheden, die hij zelf waargenomen of
                                        ondervonden heeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt,
                                        kan niet meewerken tot het bewijs dat de verdachte het
                                        tenlastegelegde feit heeft begaan, behoudens ingeval de
                                        getuige met toepassing van het vierde lid van artikel 261 is
                                        verhoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
                                        begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden
                                        aangenomen op de verklaring van slechts één getuige.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Verklaringen van getuigen, die overeenkomstig het bepaalde
                                        in artikel 261 zijn verhoord, mogen alleen dan als
                                        bewijsmateriaal worden gebezigd, indien belangrijke steun
                                        aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">386</nr></kop><al>Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan, zijn bij het
                                    onderzoek op de terechtzitting meegedeeld gevoelen betreffende
                                    hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn
                                    oordeel onderworpen is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">387</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door
                                                colleges of personen met rechtspraak belast;</al></li><li nr="b."><al>processen-verbaal en andere geschriften, in de
                                                wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen,
                                                die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun
                                                mededeling van feiten of omstandigheden, door hen
                                                zelf waargenomen of ondervonden;</al></li><li nr="c."><al>geschriften opgemaakt door openbare colleges of
                                                ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de
                                                onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot
                                                bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te
                                                dienen;</al></li><li nr="d."><al>verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen
                                                betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent
                                                datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;</al></li><li nr="e."><al>alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen
                                                gelden in verband met de inhoud van andere
                                                bewijsmiddelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft
                                        gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het
                                        proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een
                                        persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als
                                        bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de
                                        toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet
                                        van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits
                                        belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan
                                        worden ontleend.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Beraadslaging en uitspraak</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">388</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na afloop van het onderzoek wordt dit door de voorzitter
                                        gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak
                                        gedaan, hetzij door de voorzitter mondeling meegedeeld,
                                        wanneer zij volgens de bepaling van het Hof zal
                                        plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitspraak kan op de bepaalde dag mondeling tot een nadere
                                        dag worden uitgesteld. De uitspraak kan, op straffe van
                                        nietigheid, niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt
                                        in tegenwoordigheid van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geen geval mag de uitspraak later plaatsvinden dan op de
                                        eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Heeft de uitspraak alsdan niet plaatsgehad, dan wordt de
                                        zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college
                                        opnieuw onderzocht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">389</nr></kop><al>De artikelen 414 tot en met 428 kunnen in eerste aanleg ook bij
                                    de berechting van misdrijven toepassing vinden, indien naar het
                                    oordeel van de rechter de zaak van eenvoudige aard is,
                                    bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van
                                    de wettelijke regeling en daarin geen zwaardere hoofdstraf dan
                                    gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden dient te worden
                                    opgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">390</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ingeval bij de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet
                                        volledig is geweest, kan het Hof op de terechtzitting
                                        bevelen dat op een door het Hof te bepalen terechtzitting
                                        het onderzoek wordt hervat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen,
                                        deskundigen en tolken, wier verhoor of tegenwoordigheid
                                        nodig wordt geacht, of de bescheiden of stukken van
                                        overtuiging waarvan het Hof inzage of bezichtiging
                                        wenst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor
                                        onbepaalde tijd geschorst, met dien verstande dat de
                                        verplichte oproeping alleen betreft de verdachte en dat
                                        alleen de in het bevel aangewezen getuigen, deskundigen, en
                                        tolken, opnieuw worden gedagvaard.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">391</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ook kan, in het geval bij het eerste lid van artikel 390
                                        bedoeld, het Hof overeenkomstig de bepalingen van artikel
                                        359 een onderzoek door de rechter-commissaris doen
                                        plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor
                                        onbepaalde tijd geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">392</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof onderzoekt op de grondslag van de telastelegging en
                                        naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de
                                        geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van het Hof
                                        tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de
                                        ontvankelijkheid van de procureur-generaal en of er redenen
                                        zijn voor schorsing van de vervolging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep geschiedt dat onderzoek mede
                                        naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in
                                        eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte
                                        proces-verbaal heeft plaatsgehad, en onderzoekt het Hof de
                                        ontvankelijkheid van het hoger beroep alvorens tot het
                                        onderzoek van de geldigheid van de dagvaarding over te
                                        gaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">393</nr></kop><al>Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld, daartoe aanleiding
                                    geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het
                                    ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de
                                    onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de
                                    procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">394</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld niet leidt tot
                                        toepassing van artikel 393, beraadslaagt het Hof op de
                                        grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het
                                        onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is
                                        dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk
                                        strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens wettelijke
                                        regeling oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit
                                        bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt het Hof over de
                                        strafbaarheid van de verdachte en over de oplegging van
                                        straf of maatregel, bij wettelijke regeling bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep geschiedt de beraadslaging
                                        mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
                                        in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte
                                        proces-verbaal heeft plaatsgehad.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">395</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof het tenlastegelegde feit bewezen en het feit en
                                        de verdachte strafbaar, dan legt het op de straf of de
                                        maatregel, op het feit gesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep kan slechts met eenparigheid
                                        van stemmen worden bewezenverklaard datgene waarvan de
                                        verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Die
                                        eenparigheid is echter niet vereist, indien bij een
                                        alternatieve telastelegging in eerste aanleg is beslist, dat
                                        door de verdachte een van de hem tenlastegelegde feiten is
                                        begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien alleen de verdachte in hoger beroep is gekomen, kan
                                        hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste
                                        bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen
                                        tot een zwaardere straf worden veroordeeld, dan hem bij het
                                        vonnis is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">396</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof niet bewezen dat de verdachte het hem
                                        tenlastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt het hem vrij.
                                        Indien de vrijspraak voortvloeit uit de toepassing van
                                        artikel 413, dan wordt daarvan in het bijzonder reden
                                        gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Acht het Hof het feit bewezen, en het feit of de verdachte
                                        niet strafbaar, dan ontslaat het hem van alle
                                        rechtsvervolging te dier zake. In het geval bedoeld bij
                                        artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht,
                                        wordt zonodig de last, bedoeld in het tweede lid van dat
                                        artikel, gegeven. In het geval bedoeld in artikel 41 van het
                                        Wetboek van Strafrecht, wordt zo nodig de maatregel van ter
                                        beschikkingstelling van de regering, zonder toepassing van
                                        enige straf opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">397</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geval van oplegging van straf of maatregel, van
                                        vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging gelast het
                                        Hof, tenzij het verklaart tot het geven van zodanige last
                                        niet in staat te zijn, dat inbeslaggenomen, nog niet
                                        teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan een
                                        met name genoemde persoon, voor zover zij niet worden
                                        verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. De
                                        beslissing van het Hof laat ieders rechten op het voorwerp
                                        onverlet. Artikel 144 vindt zoveel mogelijk toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan gelasten dat een voorwerp, waarover een geding
                                        bij de burgerlijke rechter aanhangig is, hangende dit geding
                                        op een bepaalde wijze zal worden bewaard, op kosten van
                                        ongelijk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op een last, ingevolge het eerste en tweede lid gegeven, is
                                        artikel 145 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het Hof kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen
                                        onder zekerheidstelling gelasten. Artikel 145a is van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">398</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een uitspraak bij verstek is gedaan, kan, nadat deze
                                        uitvoerbaar is geworden, de beslissing van het Hof ten
                                        aanzien van de stukken van overtuiging worden uitgevoerd,
                                        nadat van die stukken, indien de uitspraak nog niet in
                                        kracht van gewijsde is gegaan, een nauwkeurige beschrijving
                                        door de griffier is opgemaakt en op de griffie
                                        neergelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof kan van de teruggave of vernietiging overeenkomstig
                                        het eerste lid uitzonderen zodanige voorwerpen, als het
                                        nodig vindt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">399</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof valsheid in authentiek geschrift aanneemt,
                                        verklaart het bij de uitspraak het gehele stuk vals, of
                                        wijst het aan waarin de valsheid bestaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, stelt de
                                        griffier een door hem ondertekende aantekening op het stuk,
                                        houdende dat dit geheel of gedeeltelijk is vals verklaard en
                                        vermeldende het vonnis waarbij dit is geschied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op
                                        akten, voorkomende in een register van de burgerlijke
                                        stand.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Grossen, afschriften of uittreksels van het stuk worden niet
                                        uitgegeven, dan met bijvoeging van de daarop gestelde
                                        aantekening.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">400</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis behelst voor zover mogelijk naam en voornamen,
                                        leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats
                                        van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bevat voorts, op straffe van nietigheid, de namen van de
                                        rechters door wie het is gewezen en de dag van de
                                        uitspraak.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">401</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geding in eerste aanleg bevat het vonnis, in de
                                        gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde
                                        beslissingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de andere gevallen bevat het vonnis de beslissing over de
                                        punten, bij artikel 394, eerste lid, vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt, in strijd met het te dien aanzien door de verdachte
                                        uitdrukkelijk voorgedragen verweer, artikel 393 niet
                                        toegepast of aangenomen dat het bewezenverklaarde een
                                        bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde
                                        strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig
                                        is, dan geeft het vonnis daaromtrent bepaaldelijk een
                                        beslissing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het vonnis vermeldt verder, in geval van oplegging van straf
                                        of maatregel, de wettelijke voorschriften waarop deze is
                                        gegrond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">402</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de inhoud van
                                        de bewijsmiddelen, voor zover deze tot bewijs daarvan
                                        geldt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede
                                        en derde lid, zijn met redenen omkleed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet
                                        steunen op daartoe redengevende feiten of omstandigheden,
                                        als zodanig in het vonnis aangewezen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de
                                        straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Bij de oplegging van een straf of maatregel die
                                        vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het
                                        bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze
                                        strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.
                                        Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden
                                        aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is
                                        gelet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de
                                        procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf
                                        onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van
                                        langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft
                                        gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de
                                        redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt
                                        ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan
                                        de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">403</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van
                                        één getuige als bedoeld bij artikel 250, tweede lid, of van
                                        een getuige, die is verhoord op de voet van het bepaalde in
                                        artikel 261, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder
                                        reden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien na schorsing van de vervolging wegens een geschilpunt
                                        van burgerlijk recht van de uitspraak van de burgerlijke
                                        rechter wordt afgeweken, geeft het vonnis ook daarvan in het
                                        bijzonder reden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Alles op straffe van nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">404</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan
                                        beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de
                                        vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van die
                                        partij, over de gegrondheid van haar vordering, en over de
                                        verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte
                                        gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof
                                        over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van
                                        de benadeelde partij wordt uitgesproken, ook in de
                                        beslissing van het Hof over de vordering en over de
                                        verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte
                                        gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">405</nr></kop><al>Heeft de procureur-generaal tevens een vordering ingediend tot
                                    het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van
                                    een met toepassing van artikel 17a van het Wetboek van
                                    Strafrecht opgelegde straf, dan beraadslaagt het Hof mede over
                                    zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de
                                    ontvankelijkheid van de procureur-generaal en over de
                                    gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij
                                    onbevoegdheid van het Hof om over de vordering te oordelen of
                                    niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal wordt
                                    uitgesproken, ook de beslissing van het Hof over de vordering
                                    in.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">406</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof,
                                        in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde
                                        beslissingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de
                                        rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke
                                        overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet,
                                        met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat
                                        de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste
                                        aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn
                                        van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe
                                        de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde
                                        rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de
                                        verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is
                                        verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste
                                        aanleg recht met inachtneming van 's Hofs vonnis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in
                                        eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten
                                        daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te
                                        nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het
                                        proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan
                                        nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit
                                        niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van
                                        straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn
                                        vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te
                                        dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in
                                        eerste aanleg had behoren te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is
                                        uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten
                                        aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van
                                        vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de
                                        straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">407</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis wordt in eerste aanleg op straffe van nietigheid
                                        door de rechter in een openbare zitting uitgesproken in
                                        tegenwoordigheid van de officier van justitie en de
                                        griffier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In hoger beroep geschiedt de uitspraak op straffe van
                                        nietigheid in een openbare zitting van het Hof, zoveel
                                        mogelijk samengesteld uit drie leden, in tegenwoordigheid
                                        van de procureur-generaal en van de griffier.</al><al>De uitspraak geschiedt zo mogelijk door de voorzitter of
                                        door een van de rechters die over de zaak heeft
                                        geoordeeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">408</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting
                                        onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de
                                        uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is
                                        of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg
                                        te willen blijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is zodanige verdachte tot het bijwonen van de uitspraak
                                        buiten staat, dan wordt ten spoedigste het vonnis hem ter
                                        plaatse waar hij wordt gevangengehouden, door de griffier
                                        voorgelezen, met de kennisgeving in artikel 409 voor de
                                        voorzitter voorgeschreven. Van een en ander wordt door de
                                        griffier op het vonnis melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de verdachte gevangen wordt gehouden in een ander
                                        eilandgebied dan dat waar het rechtsgeding heeft
                                        plaatsgevonden, kan de voorlezing bedoeld in het tweede lid
                                        geschieden door de griffier in het eilandgebied waar de
                                        verdachte wordt gevangengehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">409</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte in het geding in eerste aanleg bij het
                                        uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de rechter
                                        hem daarbij mondeling kennis van het rechtsmiddel, dat tegen
                                        het vonnis openstaat, en van de termijn waarbinnen dat
                                        rechtsmiddel kan worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In hoger beroep geeft de voorzitter de verdachte op gelijke
                                        wijze kennis van diens bevoegdheid cassatie in te stellen
                                        bij de Hoge Raad der Nederlanden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">410</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het vonnis wordt binnen tweemaal vierentwintig uren na de
                                        uitspraak ondertekend door de rechter of rechters die over
                                        de zaak hebben geoordeeld, en door de griffier die bij de
                                        uitspraak tegenwoordig is geweest.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zo een of meer van hun daartoe buiten staat zijn, wordt
                                        hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra het vonnis is getekend en in ieder geval na afloop van
                                        de termijn waarbinnen enig rechtsmiddel openstaat, kan de
                                        verdachte of zijn raadsman daarvan en van het proces-verbaal
                                        van de terechtzitting kennisnemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">411</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte bij het vonnis bij verstek gewezen, niet
                                        van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, wordt een
                                        mededeling van de beslissing door het Hof overeenkomstig de
                                        artikelen 393, 395, eerste lid, of 396, tweede lid, gegeven,
                                        vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de
                                        verdachte betekend. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van
                                        de verdachte aan wie voor zover betreft het rechtsgeding bij
                                        verstek, de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen
                                        in persoon is betekend.De mededeling vermeldt de rechters
                                        die het vonnis hebben gewezen, de dagtekening van het
                                        vonnis, de in het vonnis voorkomende rechtskundige benaming
                                        van het strafbare feit met vermelding omstreeks welke tijd
                                        en waar ter plaatse dat feit begaan zou zijn, en, voor zover
                                        in het vonnis vermeld, naam en voornamen, leeftijd,
                                        geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de
                                        verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De mededeling wordt in alle gevallen waarin de
                                        procureur-generaal dit bepaalt, en overigens zoveel
                                        mogelijk, aan de verdachte in persoon betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek
                                        van Strafrecht toegepast, dan vermeldt de mededeling
                                        bovendien alle beslissingen die betrekking hebben op het in
                                        dat artikel bedoelde bevel, alsmede het tijdstip waarop
                                        ingevolge artikel 17b, tweede lid, van het Wetboek van
                                        Strafrecht de proeftijd zal ingaan, terwijl de betekening
                                        niet anders geschiedt dan aan de verdachte in persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De mededeling vindt eveneens plaats, indien de dagvaarding
                                        om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon
                                        is betekend of de verdachte ter terechtzitting is
                                        verschenen, maar nadien het onderzoek op de terechtzitting
                                        voor onbepaalde tijd is geschorst en de oproeping om op de
                                        nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte
                                        in persoon is betekend en hij evenmin op de nadere zitting
                                        is verschenen. Het derde lid is van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Zaken ad informandum</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">412</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Ingeval een straf of maatregel wordt opgelegd kan de rechter
                                        ter bepaling daarvan als bijzondere reden een in de
                                        processtukken aangeduid, doch niet tenlastegelegd strafbaar
                                        feit in aanmerking nemen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>ervan mag worden uitgegaan, dat tegen de verdachte
                                                ter zake van dat feit geen vervolging meer zal
                                                worden ingesteld, en</al></li><li nr="b."><al>op grond van de, in enig wettig bewijsmiddel
                                                vastgelegde dan wel ter terechtzitting gedane,
                                                erkenning van de verdachte te dier zake aannemelijk
                                                is geworden, dat hij dat feit heeft begaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het is de rechter niet toegestaan om de in het eerste lid
                                        bedoelde feiten in aanmerking te nemen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die feiten wat betreft hun aard zodanig verschillen
                                                van het tenlastegelegde feit, dat daarin voor de
                                                bestraffing wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar
                                                voren komen, dan wel door de ernst daarvan of door
                                                hun aantal de straf of maatregel in verregaande mate
                                                zouden beïnvloeden;</al></li><li nr="b."><al>bij het onderzoek ter terechtzitting blijkt, dat de
                                                verdachte zijn aanvankelijke erkenning niet langer
                                                handhaaft, dan wel daarop terug wenst te komen;</al></li><li nr="c."><al>de zaak bij verstek wordt behandeld en door het
                                                openbaar ministerie is verzuimd tijdig voor de
                                                aanvang van de terechtzitting aan de verdachte mee
                                                te delen, dat hij het voornemen heeft bedoelde
                                                feiten aan de rechter voor te leggen, opdat deze
                                                daarmee bij de strafbepaling rekening kan
                                                houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien ter zake van een niet tenlastegelegd feit, als
                                        bedoeld in het eerste lid, inverzekeringstelling of
                                        voorlopige hechtenis is toegepast en dit feit op de voet van
                                        de voorgaande artikelen door de rechter bij de strafbepaling
                                        in aanmerking is genomen,</al><lijst><li nr="a."><al>vindt het bepaalde in artikel 31 van het Wetboek van
                                                Strafrecht overeenkomstige toepassing;</al></li><li nr="b."><al>dient de rechter op de voet van artikel 35 van het
                                                Wetboek van Strafrecht een beslissing te geven met
                                                betrekking tot de terzake inbeslaggenomen
                                                voorwerpen.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Gevolgen van normschendingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">413</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven
                                        voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het
                                        voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting,
                                        ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer
                                        plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij
                                        ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar
                                        ministerie of het verzoek van de verdachte of diens
                                        raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de
                                        aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel
                                        bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige
                                        aanwijzingen geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Herstel blijft achterwege, indien de normschending niet meer
                                        kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan reeds uit
                                        enige wettelijke regeling voortvloeien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien een termijn die de duur van de vrijheidsbeneming
                                        betreft, wordt overschreden, kan zij niet worden verlengd,
                                        tenzij de rechtsorde door de invrijheidstelling van de
                                        verdachte zodanig ernstig zou worden geschokt, dat het
                                        algemene belang voortzetting van de vrijheidsbeneming
                                        bepaaldelijk vordert. Alsdan kan de rechter, uiterlijk
                                        binnen vierentwintig uren nadat de termijnoverschrijding is
                                        vastgesteld, doch niet later dan zeven dagen na het
                                        verstrijken van de termijn, op de vordering van het openbaar
                                        ministerie een nieuwe termijn stellen, doch alleen voor
                                        zover dit wetboek in een nieuwe termijn voorziet en ook
                                        overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan. Gedurende
                                        deze vierentwintig uren blijft het bevel tot
                                        vrijheidsbeneming waarvan de termijn is verstreken, van
                                        kracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet
                                        plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in
                                        geval van het vijfde lid, zonder gevolgen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij
                                        op de vordering van het openbaar ministerie of op het
                                        verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending
                                        van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een
                                        redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen,
                                        beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling
                                        niet reeds in de gevolgen van de normschending
                                        voorziet:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de
                                                ernst van de normschending, zal worden verlaagd,
                                                indien het door de schending veroorzaakte nadeel
                                                langs die weg redelijkerwijze kan worden
                                                gecompenseerd;</al></li><li nr="b."><al>dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij
                                                rechtstreeks door middel van de normschending zijn
                                                verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare
                                                feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze
                                                aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik
                                                van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn
                                                verdediging is geschaad;</al></li><li nr="c."><al>dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt
                                                verklaard, indien door toedoen van de normschending
                                                er geen sprake kan zijn van een behandeling van de
                                                zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces
                                                voldoet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de rechter van oordeel is, dat er gronden van
                                        redelijkheid en billijkheid zijn voor toekenning van
                                        schadevergoeding, kan hij daartoe, hetzij ambtshalve, hetzij
                                        op de vordering van het openbaar ministerie of op het
                                        verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij
                                        afzonderlijke beschikking besluiten. Deze bevoegdheid komt
                                        toe aan de rechter die de zaak ter terechtzitting behandelt,
                                        of, als de zaak is geëindigd, voor wie deze het laatst heeft
                                        gediend. Schadevergoeding kan zowel naast als in de plaats
                                        van de in het vijfde lid genoemde beslissingen worden
                                        toegekend. De artikelen 181 en 182 zijn van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te
                                        verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het
                                        geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder
                                        rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van
                                        de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat
                                        daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid
                                        van degene die de norm schond.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Berechting van overtredingen in eerste
                                aanleg</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">414</nr></kop><al>Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar
                                zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter
                                terechtzitting aanhangig gemaakt:</al><lijst><li nr="a."><al>hetzij door oproeping;</al></li><li nr="b."><al>hetzij door dagvaarding.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">415</nr></kop><al>De officier van justitie, hoofd van het parket, kan ten aanzien van
                                het al of niet aanhangig maken door oproeping aan de
                                opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere voorschriften
                                geven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">416</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het aanhangig maken van de zaak door oproeping kan enkel plaats
                                    vinden in geval van ontdekking op heterdaad door een
                                    opsporingsambtenaar. Het aanhangig maken geschiedt doordat aan
                                    de verdachte onverwijld een oproeping wordt uitgereikt door een
                                    opsporingsambtenaar om te verschijnen op een in die oproeping
                                    vermelde terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg. De
                                    officier van justitie, hoofd van het parket, geeft voorschriften
                                    omtrent de dag en het tijdstip van de terechtzitting waartegen
                                    de oproeping geschiedt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de uitreiking worden desgevraagd inhoud en strekking van de
                                    oproeping aan de verdachte, zo mogelijk, mondeling kort
                                    toegelicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wordt een aangeboden oproeping niet aangenomen, dan wordt zij
                                    niettemin geacht de verdachte op het ogenblik van de aanbieding
                                    te zijn uitgereikt. In dat geval wordt volstaan met toezending
                                    van een oproeping over de post, uiterlijk op de twintigste dag
                                    na de ontdekking van het feit.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van het uitreiken van de oproeping, van het niet aannemen en de
                                    redenen daarvan en van het toezenden van de oproeping over de
                                    post wordt in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar
                                    melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De oproeping bevat een vermelding van de bevoegdheid, de
                                    verdachte toegekend bij artikel 76, eerste lid, van het Wetboek
                                    van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Niet nakoming van het eerste, derde of vierde lid heeft
                                    nietigheid van de oproeping tot gevolg.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">417</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de oproeping wordt de gewone termijn van dagvaarding in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte overeenkomstig artikel 74 is aangehouden,
                                    kan onverwijld een oproeping worden uitgereikt en kan hij worden
                                    opgeroepen om nog op de dag zelf ter terechtzitting van het
                                    gerecht in eerste aanleg te verschijnen. Hij kan dan voor de
                                    officier van justitie en vervolgens ter terechtzitting worden
                                    geleid. Artikel 428, derde lid, blijft in dit geval buiten
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De oproeping voldoet aan de eisen in artikel 285, eerste lid,
                                    betreffende de dagvaarding gesteld. Evenwel kan met een korte
                                    aanduiding van het feit worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De oproeping wordt door de opsporingsambtenaar, die het feit
                                    heeft geconstateerd, gedagtekend en ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Niet-nakoming van het eerste, derde of vierde lid van dit
                                    artikel heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg.
                                    Vrijwillige verschijning dekt de nietigheid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">418</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is
                                    aangevangen, kan de officier van justitie de intrekking van de
                                    oproeping, zo mogelijk schriftelijk, aan de verdachte doen
                                    meedelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de officier van justitie oordeelt, dat de zaak op een
                                    latere terechtzitting moet worden aangebracht, doet hij de
                                    verdachte die latere zitting aanzeggen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">419</nr></kop><al>Het formulier van de oproeping aan de verdachte om ter
                                terechtzitting te verschijnen wordt vastgesteld bij landsbesluit,
                                houdende algemene maatregelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">420</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In zaken, die door oproeping op de dag zelf ter terechtzitting
                                    aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door de ambtenaar, die
                                    het feit heeft opgespoord, worden uitgenodigd om ter
                                    terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen.
                                    De uitnodiging wordt door een deurwaarder of ambtenaar van
                                    politie uitgereikt aan de persoon van de getuige of aan een van
                                    zijn huisgenoten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een dubbel van de uitnodiging wordt bij de processtukken
                                    gevoegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de officier van justitie de oproeping van de verdachte
                                    intrekt of oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting
                                    moet worden aangebracht, geeft hij daarvan onverwijld, aan de
                                    ingevolge dit artikel uitgenodigde getuigen kennis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter
                                    terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen
                                    wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">421</nr></kop><al>De officier van justitie is bevoegd getuigen, deskundigen en tolken
                                mondeling op te roepen of door een deurwaarder of een ambtenaar van
                                politie mondeling te doen oproepen om ter terechtzitting van het
                                gerecht in eerste aanleg te verschijnen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">422</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, is artikel
                                    307 betreffende het verstek van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 411, 429 en 437 wordt een
                                    oproeping, die aan de persoon van de verdachte is uitgereikt,
                                    gelijkgesteld met een dagvaarding om ter terechtzitting te
                                    verschijnen, die aan de persoon van de verdachte is
                                    betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">423</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, doet de
                                    officier van justitie, indien de oproeping enkel inhoudt een
                                    korte aanduiding van het feit, dat ten laste wordt gelegd, ter
                                    terechtzitting bij de aanvang van het onderzoek mondeling of, na
                                    voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit, dat de
                                    verdachte ten laste wordt gelegd. De nadere opgave beantwoordt
                                    op straffe van nietigheid aan de korte aanduiding van het feit
                                    in de oproeping, behoudens verbetering of aanvulling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De oproeping, zo nodig door de officier van justitie ter
                                    terechtzitting verbeterd of aangevuld, geldt wat betreft de
                                    grondslag voor de verdere vervolging, als dagvaarding.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op verlangen van de rechter of van de verdachte wordt de nadere
                                    opgave hem op schrift gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">424</nr></kop><al>Indien de verdachte bij zijn eerste verschijning ter terechtzitting
                                aannemelijk maakt, dat hij in het belang van zijn verdediging
                                uitstel behoeft, schorst de rechter het onderzoek voor een bepaalde
                                tijd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">425</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de
                                    terechtzitting hetzij onmiddellijk, hetzij diezelfde dag op een
                                    door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur
                                    mondeling vonnis. De artikelen 400 en 402, derde en vierde lid,
                                    blijven buiten toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het vonnis wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting
                                    aangetekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Zodra het proces-verbaal van de terechtzitting is getekend,
                                    kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennisnemen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">426</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter is bevoegd en, op de vordering van de officier van
                                    justitie of op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman,
                                    verplicht schriftelijk vonnis te wijzen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op
                                    de eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek. Artikel
                                    388, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">427</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zowel de officier van justitie als de verdachte kunnen na de
                                    mededeling betreffende het rechtsmiddel dat tegen het vonnis
                                    openstaat, ter terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid om
                                    dat rechtsmiddel aan te wenden. Op zijn recht daartoe wordt de
                                    verdachte opmerkzaam gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen wordt in het
                                    proces-verbaal van die terechtzitting vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">428</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op het rechtsgeding bij het gerecht in eerste aanleg zijn
                                    overigens de Eerste Titel en de Vierde Titel van dit Boek van
                                    overeenkomstige toepassing, behoudens de uitzonderingen, vermeld
                                    in het tweede tot en met zesde lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen en, indien
                                    door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van
                                    het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde
                                    zijn gegeven, ten minste twee dagen. De in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn van twee dagen wordt, zo nodig, zoveel
                                    verlengd, dat daarin ten minste een dag voorkomt, die niet een
                                    zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bepalingen met betrekking tot de voordracht van de zaak door
                                    de officier van justitie, de voorlopige hechtenis en het
                                    bezwaarschrift tegen de dagvaarding, zijn niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van artikel 333 wordt geen gerechtelijk vooronderzoek
                                    gelast, doch worden de stukken toegezonden aan de officier van
                                    justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien tegen de verdachte verstek is verleend, zomede voor zover
                                    door de verdachte en door zijn raadsman, zo hij die heeft,
                                    verklaard is, dat van bepaaldelijk aangeduide stukken noch de
                                    voorlezing noch de mededeling van de korte inhoud wordt gewenst,
                                    kan in de plaats van de voorlezing van de tenlastelegging,
                                    verklaringen, processen-verbaal, verslagen van deskundigen of
                                    andere stukken, vermeld in artikel 337, treden een op last van
                                    de rechter gedane aantekening in het proces-verbaal van de
                                    terechtzitting van de overlegging van die stukken; daarop mag
                                    dan ook ten bezware van de verdachte worden acht geslagen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>In geval van artikel 359 zijn de artikelen 235, 237, eerste lid,
                                    en 241 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De in artikel 411 bedoelde mededeling behoeft niet te
                                    geschieden, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek
                                            van Strafrecht is toegepast, dan wel,</al></li><li nr="b."><al>een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende
                                            vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, dan wel,</al></li><li nr="c."><al>een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting
                                            van bepaalde rechten of de ontzetting van bepaalde
                                            bevoegdheden is uitgesproken.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">ZESDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">RECHTSMIDDELEN</titel></kop><titeldeel><kop><nr status="officieel">A.</nr><titel status="officieel"> Gewone
                                Rechtsmiddelen</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Verzet tegen einduitspraken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">429</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als
                                        einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de
                                        gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel
                                        of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de dagvaarding om ter terechtzitting te
                                                verschijnen hem in persoon is betekend, gedurende
                                                veertien dagen na de uitspraak;</al></li><li nr="b."><al>in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat
                                                zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit
                                                voortvloeit dat het vonnis hem bekend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hoger beroep kan door de verdachte niet worden ingesteld
                                        tegen een vonnis, waartegen hij verzet kan doen. Hoger
                                        beroep, ingesteld door de officier van justitie, vervalt op
                                        het moment dat de verdachte verzet doet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het
                                        onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd
                                        geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te
                                        verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan
                                        kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de
                                        nadere zitting is verschenen, het verzet worden ingesteld
                                        uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft
                                        voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het vonnis de verdachte
                                        bekend is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">430</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien verzet is gedaan, doet de officier van justitie de
                                        verdachte de dag voor de behandeling van de zaak bepaald,
                                        ten minste zeven dagen voor die dag aanzeggen. Deze termijn
                                        kan met toestemming van de verdachte worden verkort, mits
                                        van die toestemming blijkt op de wijze bepaald in artikel
                                        290, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij gebreke van het een of ander wordt door de rechter de
                                        aanzegging van een nieuwe rechtsdag bevolen, tenzij de
                                        verdachte is verschenen. In dit laatste geval wordt, indien
                                        de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel
                                        verzoekt, het onderzoek voor een bepaalde tijd
                                        geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">431</nr></kop><al>Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan doet
                                    de officier van justitie haar van de dag van de terechtzitting
                                    schriftelijk mededeling.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">432</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien degene die in verzet is gekomen, niet op de dienende
                                        dag ter terechtzitting verschijnt, wordt het verzet
                                        vervallen verklaard en het bij verstek gewezen vonnis ten
                                        uitvoer gelegd of verder uitgevoerd, behoudens beroep in
                                        cassatie van het openbaar ministerie tegen het bij verstek
                                        gewezen vonnis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter kan echter, bij niet-verschijning van de
                                        verdachte, met toepassing van artikel 313, een of meermalen
                                        schorsing van het onderzoek bevelen ten einde deze, indien
                                        hij verhinderd was het onderzoek bij te wonen, daartoe
                                        alsnog in de gelegenheid te stellen. Verschijnt de verdachte
                                        niet op de nadere terechtzitting, dan is het voorgaande lid
                                        van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">433</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien degene die in verzet is gekomen, op de dienende dag
                                        ter terechtzitting verschijnt, wordt de zaak overeenkomstig
                                        de Vierde en Vijfde Titel van het Vijfde Boek behandeld, als
                                        ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan. Artikel
                                        365, tweede lid, vindt, zowel ten aanzien van getuigen als
                                        van deskundigen, tijdens het rechtsgeding bij verstek
                                        verhoord, overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter bekrachtigt de bij verstek gewezen uitspraak of
                                        doet met gehele of gedeeltelijke vernietiging van die
                                        uitspraak opnieuw recht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Hoger beroep van vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">434</nr></kop><al>Tegen de vonnissen door de rechter in eerste aanleg als
                                    einduitspraak of in de loop van het onderzoek op de
                                    terechtzitting gegeven, kan hoger beroep worden ingesteld door
                                    de officier van justitie en door de verdachte die niet van de
                                    gehele telastelegging is vrijgesproken. Zijn in eerste aanleg
                                    strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter
                                    onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen
                                    ten aanzien van die gevoegde zaken, waarin hij niet van de
                                    gehele tenlastelegging is vrijgesproken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">435</nr></kop><al>Tegen de vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger
                                    beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak
                                    toegelaten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">436</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel
                                        worden ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan
                                        het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger
                                        beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de
                                        gevoegde zaken betreft, worden beperkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">437</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het hoger beroep moet worden ingesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de dagvaarding om ter terechtzitting te
                                                verschijnen de verdachte in persoon is betekend of
                                                de verdachte ter terechtzitting is verschenen,
                                                binnen veertien dagen na de einduitspraak;</al></li><li nr="b."><al>in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat
                                                zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit
                                                voortvloeit dat het vonnis de verdachte bekend
                                                is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, het
                                        onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd
                                        geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te
                                        verschijnen niet aan de verdachte in persoon betekend, dan
                                        kan, behoudens het geval dat de verdachte alsnog op de
                                        nadere zitting is verschenen, het hoger beroep worden
                                        ingesteld uiterlijk veertien dagen nadat zich een
                                        omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het
                                        vonnis de verdachte bekend is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">438</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Nadat hoger beroep is ingesteld, zendt de griffier van het
                                        gerecht in eerste aanleg de stukken van het geding zo
                                        spoedig mogelijk aan de griffier van het Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien hoger beroep alleen door de officier van justitie is
                                        ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar,
                                        heeft zij ten onrechte plaatsgehad, op straffe van
                                        nietigheid van de behandeling van de zaak, geen gevolg
                                        gegeven, dan nadat het beroep aan de verdachte in persoon is
                                        betekend of zich enige andere omstandigheid heeft
                                        voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep hem bekend
                                        is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">439</nr></kop><al>Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan
                                    de partij die in beroep is gekomen bij de griffie van het Hof
                                    een schriftuur indienen, houdende de middelen en gronden, waarop
                                    zij haar beroep steunt. Deze schriftuur wordt bij de
                                    processtukken gevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">440</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte, die zich ter zake van het feit in voorlopige
                                        hechtenis bevindt in een ander eilandgebied dan waar het Hof
                                        zitting houdt, wordt, nadat hij zijn verklaring heeft
                                        afgelegd, of nadat de officier van justitie hoger beroep
                                        heeft ingesteld en de termijn voor het instellen van hoger
                                        beroep is verstreken, ten spoedigste overgebracht naar het
                                        eilandgebied waar het Hof zitting houdt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing, indien de verdachte
                                        behoort tot hen die in een bepaalde afdeling moeten worden
                                        ondergebracht, en een zodanige afdeling ontbreekt in het
                                        huis van bewaring van het eilandgebied waar het Hof zitting
                                        houdt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III</nr><titel status="officieel">Hoger beroep van beschikkingen.</titel></kop><paragraaf><kop><titel status="officieel">Bezwaarschriften</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">441</nr></kop><al>Tegen beschikkingen staat hoger beroep niet open en is een
                                        bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit
                                        wetboek bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">442</nr></kop><al>Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van beroep
                                        van de officier van justitie regelen, kan hij van alle
                                        beschikkingen van de rechter in eerste aanleg of de
                                        rechter-commissaris, waarbij een krachtens dit wetboek
                                        gedane vordering niet is toegewezen, binnen drie dagen bij
                                        het Hof in hoger beroep komen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">443</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De akte van hoger beroep en het bezwaarschrift behelzen,
                                            op straffe van niet-ontvankelijkheid, de gronden waarop
                                            deze berusten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beschikking blijft van kracht niettegenstaande hoger
                                            beroep.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">444</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof zal het beroep of het bezwaarschrift afwijzen,
                                            of bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen van de
                                            wet behoort of had behoren te geschieden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het hoger beroep van of het bezwaarschrift tegen
                                            een handeling of beschikking van de rechter-commissaris
                                            gegrond wordt geoordeeld, kan bij de beslissing van het
                                            Hof voor het instellen of voortzetten van dat onderzoek
                                            een andere rechter-commissaris worden aangewezen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Aanwenden van gewone
                                    rechtsmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">445</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verzet wordt gedaan en hoger beroep ingesteld door een
                                        verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel
                                        aanwendt, op de griffie van het gerecht in eerste aanleg van
                                        elk rechtsgebied.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bezwaarschriften worden bij dezelfde griffie ingediend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">446</nr></kop><al>Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 445, kan
                                    ook geschieden door:</al><lijst><li nr="a."><al>een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene
                                            die het middel aanwendt, bepaaldelijk te zijn
                                            gemachtigd;</al></li><li nr="b."><al>een bij bijzondere volmacht schriftelijk
                                            gemachtigde.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">447</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van iedere verklaring of indiening, als bedoeld in de
                                        artikelen 445 en 446, maakt de griffier een akte op, die hij
                                        met degene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift
                                        inlevert, ondertekent. Indien deze niet kan tekenen, wordt
                                        de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De schriftelijke volmacht, in artikel 446 bedoeld, of, zo
                                        zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek
                                        afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van elk aangewend rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening
                                        gedaan in een daartoe bestemd op de griffie berustend
                                        register, dat door de belanghebbenden kan worden
                                        ingezien.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">448</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Is degene die een rechtsmiddel wenst aan te wenden
                                        ingesloten in een huis van bewaring, gevangenis, of een
                                        andere inrichting dan kan hij de rechtsmiddelen bedoeld in
                                        artikel 445 ook aanwenden door middel van een schriftelijke
                                        verklaring, die hij doet toekomen aan het hoofd van de
                                        inrichting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het hoofd van de inrichting doet deze verklaring onverwijld
                                        inschrijven in een daarvoor bestemd register en zendt haar
                                        vervolgens toe aan de griffie van het gerecht door of bij
                                        hetwelk de beslissing is gegeven onder kennisgeving van de
                                        datum van inschrijving in het register. Als dag waarop het
                                        rechtsmiddel is aangewend, geldt de dag van inschrijving van
                                        de verklaring in het register.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De Minister van Justitie bepaalt het model van het register
                                        en kan omtrent het bijhouden daarvan nadere regels geven.
                                        Het register kan door de belanghebbenden worden
                                        ingezien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De verklaring wordt na ontvangst op de griffie bij de
                                        processtukken gevoegd. Van het aanwenden van het
                                        rechtsmiddel wordt dadelijk aantekening gedaan in het op de
                                        griffie berustend register, bedoeld in artikel 447, derde
                                        lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">449</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Artikel 446 is op de indiening van schrifturen van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De griffier tekent dag en uur van ontvangst onverwijld op
                                        ingekomen schrifturen aan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Van de ontvangst wordt dadelijk aantekening gedaan in het op
                                        de griffie berustend register.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Intrekking en afstand van gewone
                                    rechtsmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">450</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het
                                        verzet,beroep of bezwaarschrift kan degene door wie het
                                        rechtsmiddel is aangewend, dat intrekken. Deze intrekking
                                        brengt mee afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel
                                        opnieuw aan te wenden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Eveneens kan afstand worden gedaan van de bevoegdheid om het
                                        rechtsmiddel, dat tegen een bepaalde beslissing of handeling
                                        openstaat, aan te wenden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">451</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Intrekking en afstand geschieden door een verklaring, af te
                                        leggen op de griffie van het gerecht in het rechtsgebied
                                        waar het rechtsmiddel is aangewend, respectievelijk zou
                                        kunnen worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Afstand van het rechtsmiddel van hoger beroep kan eveneens
                                        onmiddellijk na de uitspraak ter terechtzitting worden
                                        gedaan, in welk geval van de gedane afstand aantekening
                                        geschiedt in het proces-verbaal van de terechtzitting.
                                        Afstand kan ook ter terechtzitting in hoger beroep worden
                                        gedaan, mits de daartoe strekkende verklaring onmiddellijk
                                        na de voordracht van de zaak wordt afgelegd. Ook in dat
                                        geval geschiedt aantekening in het proces-verbaal van de
                                        terechtzitting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De artikelen 446 en 447 zijn van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">452</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover mogelijk geschiedt van de intrekking door de
                                        officier van justitie gedaan, onverwijld schriftelijke
                                        mededeling aan de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien aan de benadeelde partij overeenkomstig artikel 431
                                        kennisgeving is gedaan, wordt haar van elke intrekking van
                                        het verzet of beroep vanwege de officier van justitie
                                        kennisgegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk></titeldeel><titeldeel><kop><nr status="officieel">B.</nr><titel status="officieel">Buitengewoon rechtsmiddel</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Herziening van vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">453</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Herziening van een in kracht van gewijsde gegane
                                        einduitspraak houdende veroordeling, kan worden
                                        aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van de omstandigheid dat bij onderscheidene
                                                vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij
                                                verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn
                                                uitgesproken, die niet zijn overeen te brengen;</al></li><li nr="b."><al>op grond van enige omstandigheid die bij het
                                                onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was
                                                gebleken en die op zichzelf of in verband met de
                                                vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet
                                                bestaanbaar schijnt, zodanig dat ernstig vermoeden
                                                ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek
                                                van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot vrijspraak
                                                van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van
                                                rechtsvervolging op grond dat deze niet strafbaar
                                                was, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het
                                                openbaar ministerie, hetzij tot
                                                toepasselijkverklaring van een minder zware
                                                strafbepaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op gelijke gronden kan herziening worden aangevraagd, indien
                                        bij het gewijsde een tenlastegelegd feit als bewezen is
                                        aangenomen zonder dat ter zake een veroordeling is gevolgd.
                                        Onder veroordeelde wordt in deze titel begrepen hij tegen
                                        wie zodanig gewijsde is gegeven; de bepalingen daarvan
                                        worden te zijnen aanzien overeenkomstig toegepast, met dien
                                        verstande dat artikel 475 geen toepassing vindt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">454</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aanvrage tot herziening wordt bij het Hof van Justitie
                                        aangebracht door het indienen van een vordering door de
                                        procureur-generaal of door het indienen van een
                                        verzoekschrift door een veroordeelde te wiens aanzien het
                                        vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of door zijn
                                        advocaat. De instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid,
                                        met de toevoeging is belast, kan hem met overeenkomstige
                                        toepassing van de artikelen 61, tweede en derde lid, 63,
                                        tweede, derde en zesde lid, 64, eerste lid, en 65 tot en met
                                        69, een advocaat toevoegen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 446 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">455</nr></kop><al>De aanvrage vermeldt de omstandigheid waarop zij steunt, met
                                    opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan
                                    blijken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">456</nr></kop><al>Indien de aanvrage niet voldoet aan de vereisten bij het
                                    voorgaande artikel gesteld, verklaart het Hof bij met redenen
                                    omklede beschikking haar niet-ontvankelijk. In het andere geval
                                    zijn de navolgende bepalingen van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">457</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de aanvrage betreft het geval vermeld in artikel 453,
                                        eerste lid, onderdeel a, vernietigt het Hof, na de aanvrage
                                        gegrond te hebben bevonden, bij met redenen omklede
                                        beschikking de vonnissen, met verwijzing van de zaken naar
                                        de openbare terechtzitting, te houden op een door de
                                        voorzitter te bepalen dag ten einde die gelijktijdig opnieuw
                                        te onderzoeken en daarin bij een en dezelfde uitspraak recht
                                        te doen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn dan
                                        die welke bij de vernietigde vonnissen is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de veroordeelde krachtens het vernietigde vonnis een
                                        vrijheidsstraf ondergaat en het Hof geen vrijheidsstraf
                                        oplegt, wordt hij onverwijld in vrijheid gesteld, behoudens
                                        het bepaalde bij artikel 465.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien het Hof de aanvrage niet gegrond acht, wijst het die
                                        bij met redenen omklede beschikking af.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">458</nr></kop><al>Indien de aanvrage betreft het geval, vermeld in artikel 453,
                                    eerste lid, onderdeel b, beveelt het Hof na zich, zo nodig, door
                                    tussenkomst van de procureur-generaal nadere berichten te hebben
                                    doen overleggen, de verdere behandeling op de openbare
                                    terechtzitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen
                                    dag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">459</nr></kop><al>De procureur-generaal doet ten minste tien dagen voor de dag van
                                    de terechtzitting aan de veroordeelde aanzegging van die
                                    dag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">460</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voorzitter geeft op de terechtzitting een overzicht van
                                        de feiten, die uit het geding en naar aanleiding van de
                                        aanvrage tot herziening zijn bekend geworden. Daarna wordt
                                        het woord gevoerd door de procureur-generaal, de
                                        veroordeelde en diens advocaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof zal hierop de dag van de uitspraak bepalen. Het
                                        vonnis wordt op de openbare terechtzitting
                                        uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">461</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof de aanvrage niet gegrond, dan wijst het die bij
                                        met redenen omklede uitspraak af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Acht het Hof de aanvrage gegrond, dan beveelt het de
                                        opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het
                                        gewijsde en verwijst het de zaak op de voet van het bepaalde
                                        bij artikel 457, ten einde hetzij het gewijsde te handhaven,
                                        hetzij met vernietiging daarvan de verdachte vrij te spreken
                                        of als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging,
                                        het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren of de
                                        verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de
                                        minder zware strafbepaling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van de veroordeelde die krachtens het gewijsde
                                        vrijheidsstraf ondergaat, is het tweede lid van artikel 457
                                        toepasselijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">462</nr></kop><al>Acht het Hof alvorens een beslissing te nemen een onderzoek
                                    nodig, dan beveelt het dit en draagt dat onderzoek op aan een
                                    rechter-commissaris, die in de zaak nog geen onderzoek heeft
                                    verricht. Artikel 359 is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">463</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Na afloop van het onderzoek doet de rechter-commissaris de
                                        stukken toekomen aan het Hof. Artikel 53 is dan van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt een dag tot voortzetting van de
                                        openbare behandeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal doet aan de veroordeelde tijdig
                                        mededeling van de dag van de behandeling.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">464</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Acht het Hof de zaak nog niet voldoende onderzocht, dan
                                        beveelt het een nader onderzoek, zo nodig met aanwijzing van
                                        een andere rechter-commissaris, met inachtneming van artikel
                                        462 te benoemen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Artikel 463 is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">465</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de verwijzing kan het Hof een bevel tot gevangenhouding
                                        tegen de veroordeelde uitvaardigen. Dit bevel is geldig voor
                                        onbepaalde termijn, doch kan door het Hof worden geschorst
                                        of opgeheven. In geen geval zal deze gevangenhouding langer
                                        mogen duren dan de nog niet volbrachte straftijd die bij het
                                        gewijsde was opgelegd. De artikelen 90, 100, 101, 103, 106,
                                        109 tot en met 116 en 440 zijn van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de veroordeelde, tegen wie een bevel tot
                                        gevangenhouding als bedoeld in het eerste lid is
                                        uitgevaardigd, geen advocaat heeft, wordt deze hem
                                        ambtshalve door de voorzitter van het Hof toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">466</nr></kop><al>De beslissingen van het Hof, genoemd in de artikelen 456, 457,
                                    461 en 465, worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal
                                    aan de belanghebbende schriftelijk meegedeeld en in afschrift
                                    toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van
                                    het gewijsde waarvan de herziening is gevraagd, of van het
                                    vernietigde vonnis.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">467</nr></kop><al>Het Hof ingevolge verwijzing op grond van artikel 457, eerste
                                    lid, of van artikel 461, tweede lid, rechtdoende, is, op straffe
                                    van nietigheid, samengesteld uit drie leden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">468</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het rechtsgeding in de verwezen zaak of zaken wordt bij het
                                        Hof gevoerd met overeenkomstige toepassing van de artikelen
                                        299, eerste, tweede en vierde lid, 300, 301 en van de
                                        bepalingen betreffende de behandeling ter terechtzitting in
                                        hoger beroep, met dien verstande dat artikel 354 buiten
                                        toepassing blijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In de gevallen voorzien bij de artikelen 359 en 391 wordt
                                        het onderzoek gevoerd door een daartoe door het Hof
                                        aangewezen rechter-commissaris, die nog geen onderzoek in de
                                        zaak heeft verricht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">469</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen
                                        392 en 394, geschieden zowel naar aanleiding van het
                                        onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het
                                        onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens
                                        daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken
                                        doet het Hof opnieuw recht; ten aanzien van de bij de
                                        verwijzing niet vernietigde uitspraak handhaaft het Hof deze
                                        met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of
                                        verbetering van de gronden of doet, met gehele of
                                        gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, opnieuw recht
                                        met inachtneming van artikel 461, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">470</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In geen geval mag een straf worden opgelegd, die de bij het
                                        vernietigde vonnis opgelegde te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is
                                        uitgesproken en de herziening slechts gevraagd is ten
                                        aanzien van een of meer van die feiten, wordt, in geval van
                                        vernietiging, bij de uitspraak in herziening de straf voor
                                        het andere feit of de andere feiten bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien uit het nieuwe onderzoek blijkt dat de verdachte een
                                        ander strafbaar feit heeft gepleegd dan waarvoor hij
                                        veroordeeld is en dat strafbare feit hem oorspronkelijk mede
                                        was ten laste gelegd zonder dat daarover was beslist, doet
                                        het Hof te dier zake uitspraak en kan hem wegens dat feit
                                        veroordelen, zonder dat echter de straf zwaarder mag zijn
                                        dan welke bij het vernietigde vonnis is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij de uitspraak wordt bepaald dat de reeds vroeger
                                        krachtens de vernietigde uitspraak voor het feit ondergane
                                        straf, en de krachtens artikel 465 ondergane voorlopige
                                        hechtenis in mindering zal worden gebracht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">471</nr></kop><al>Indien gedurende de behandeling van de zaak de veroordeelde
                                    overlijdt, wordt het geding voortgezet en wordt door het Hof een
                                    bijzondere curator benoemd. De voorgaande artikelen van deze
                                    titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">472</nr></kop><al>1.Indien van straf, opgelegd bij het gewijsde, door gratie
                                    kwijtschelding is verleend, of in geval van voortzetting van het
                                    geding tegen de benoemde bijzondere curator, kan in geen geval
                                    straf worden opgelegd. 2. Is de straf door gratie gewijzigd of
                                    verminderd, dan wordt in geen geval een straf opgelegd, die de
                                    gewijzigde of verminderde te boven gaat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">473</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aanvrage tot herziening kan na het overlijden van de
                                        veroordeelde gedaan worden door de overlevende echtgenoot,
                                        dan wel de persoon met wie de overledene duurzaam feitelijk
                                        samenwoonde, elke bloedverwant in de rechte lijn of in de
                                        tweede graad van de zijlijn en door de
                                        procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Deze aanvrage strekt alleen tot opheffing van de
                                        veroordeling tegen de overledene uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">474</nr></kop><al>Geen rechter die op enigerlei wijze deelgenomen heeft aan het
                                    onderzoek of de berechting van de zaak waarvan herziening wordt
                                    gevraagd, mag aan het onderzoek of de berechting in herziening
                                    deelnemen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">475</nr></kop><al>Indien na de vernietiging van het gewijsde geen straf of
                                    maatregel of wel de maatregel, bedoeld bij artikel 39, tweede
                                    lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd, wordt, op
                                    verzoek van de gewezen veroordeelde of van zijn erfgenamen, ter
                                    zake van de ondergane straf een schadevergoeding toegekend. De
                                    toekenning heeft plaats op de voet van het bepaalde in de
                                    artikelen 178 tot en met 181.</al></artikel></hoofdstuk></titeldeel></deel><deel><kop><nr status="officieel">ZEVENDE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Strafvordering ter zake van
                                ambtsmisdrijven</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">476</nr></kop><al>Bij de opsporing, vervolging en berechting van de feiten, strafbaar
                                gesteld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                Strafrecht, alsmede bij de tenuitvoerlegging van straffen en
                                maatregelen, ter zake van deze feiten opgelegd, worden, indien een
                                minister als verdachte wordt aangemerkt, de bevoegdheden van de
                                officier van justitie zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
                                uitgeoefend door de procureur-generaal, dan wel door een lid van het
                                openbaar ministerie, dat door de procureur-generaal in het bijzonder
                                is aangewezen om te dezen namens hem op te treden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Strafvordering in zaken betreffende jeugdige
                                personen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">477</nr></kop><al>Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit
                                    begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft
                                    bereikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">478</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In gevallen, waarin uit feiten of omstandigheden een
                                        redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden
                                        de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft
                                        begaan, zijn uitsluitend de artikelen 72 tot en met 79, 80,
                                        82, 120 tot en met 129, 145, 150, 153 en 154 van toepassing.
                                        De artikelen 141 tot en met 143 zijn van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 144
                                        en het doen van beklag als bedoeld in artikel 150 geschiedt
                                        voor de minderjarige, in het eerste lid bedoeld, door zijn
                                        wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Strafvordering in zaken betreffende
                                    personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is
                                    aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben
                                    bereikt</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">479</nr></kop><al>Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de
                                    vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien
                                    jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit
                                    wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende
                                    bepalingen bevat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">480</nr></kop><al>De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd
                                    betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de
                                    verdachte minderjarig is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">481</nr></kop><al>Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige
                                    hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde
                                    gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt
                                    verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De
                                    officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan
                                    de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de
                                    toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet
                                    plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de
                                    toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht
                                    van artikel 67, eerste lid, ook toe aan de ouders of voogd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">482</nr></kop><al>Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten
                                    aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">483</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen dat de
                                        tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling
                                        zal worden geschorst, indien de verdachte zich bereid heeft
                                        verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden
                                        voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als algemene voorwaarde waaraan de verdachte zal moeten
                                        voldoen wordt gesteld, dat hij geen strafbaar feit zal
                                        begaan noch zich op andere wijze zal misdragen. Bovendien
                                        kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld het gedrag van
                                        de verdachte betreffende; deze mogen zijn godsdienstige of
                                        staatkundige vrijheid niet beperken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De schorsing, bepaald krachtens het eerste lid, kan slechts
                                        worden opgeheven wegens overtreding van de gestelde
                                        voorwaarden. Het bevel tot opheffing is met redenen omkleed.
                                        De verdachte wordt zo mogelijk gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De termijn gedurende welke een bevel tot
                                        inverzekeringstelling van kracht is, loopt niet gedurende de
                                        tijd waarin de tenuitvoerlegging is geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Behoudens eerdere opheffing vervalt het bevel tot
                                        inverzekeringstelling waarvan de tenuitvoerlegging is
                                        geschorst, aan het einde van de tiende dag na die waarop het
                                        bevel is gegeven.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">484</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter de voorlopige hechtenis van de verdachte
                                        beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel,
                                        hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan
                                        worden geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het bevel tot voorlopige hechtenis en tot schorsing
                                        daarvan worden zodanige bepalingen opgenomen als voor de
                                        juiste uitvoering daarvan nodig worden geoordeeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tot het ondergaan van inverzekeringstelling of voorlopige
                                        hechtenis kan elke daartoe geschikte plaats worden
                                        aangewezen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">485</nr></kop><al>Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt
                                    daaronder begrepen opschorting.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">486</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De voogdijraad wordt door de officier van justitie
                                        onverwijld in kennis gesteld van het bevel tot
                                        inverzekeringstelling en van het bevel tot schorsing of
                                        opheffing daarvan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde
                                        kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de officier van
                                        justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te
                                        doen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">487</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer de officier van justitie voornemens is een van
                                        misdrijf verdachte te vervolgen, stelt hij de voogdijraad
                                        hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De voogdijraad licht
                                        de officier van justitie op diens verzoek in omtrent de
                                        persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte.
                                        Zodanige inlichtingen kan de voogdijraad ook uit eigen
                                        beweging geven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of
                                        ingevolge artikel 175 in een inrichting is opgenomen, geeft
                                        de officier van justitie hiervan terstond bericht aan de
                                        voogdijraad.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris is eveneens bevoegd om bij de
                                        voogdijraad de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, in
                                        te winnen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">488</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het rechtsgeding wordt in het openbaar behandeld, tenzij de
                                        verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de
                                        vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien
                                        jaren nog niet hebben bereikt. In dat geval kan de rechter
                                        tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting
                                        bijzondere toegang verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter kan om gewichtige bij het proces-verbaal van de
                                        terechtzitting te vermelden redenen bepalen, hetzij
                                        ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar
                                        ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens
                                        raadsman, dat het rechtsgeding, indien dit ingevolge het
                                        bepaalde in het eerste lid met gesloten deuren moet
                                        plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk in het openbaar zal
                                        worden gehouden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">489</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De ouders of de voogd worden tot bijwoning van de
                                        terechtzitting opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen,
                                        worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een
                                        getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in
                                        de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot
                                        verdediging kan dienen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Niettemin kan de rechter ambtshalve, op de vordering van het
                                        openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of
                                        diens raadsman bevelen, dat tijdens een zitting met gesloten
                                        deuren een verhoor van de verdachte, van een getuige of van
                                        een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd
                                        geschiedt. De rechter deelt in dat geval de zakelijke inhoud
                                        van een en ander aan de ouders of voogd mee, tenzij
                                        gewichtige redenen zich daartegen verzetten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">490</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar
                                        ministerie of op het verzoek van de raadsman bepalen, dat
                                        vragen betreffende de persoonlijkheid of de
                                        levensomstandigheden van de verdachte buiten diens
                                        tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat
                                        het openbaar ministerie of de raadsman buiten
                                        tegenwoordigheid van de verdachte daarover het woord zal
                                        voeren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 332 is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">491</nr></kop><al>Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een
                                    onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van
                                    de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de
                                    voogdijraad inwinnen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">492</nr></kop><al>De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van
                                    overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders
                                    wordt bepaald.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">493</nr></kop><al>Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de
                                    oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping
                                    tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de
                                    aanhef van artikel 420, is dat artikel ten aanzien van de wijze
                                    van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking
                                    van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">494</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte, die op het tijdstip waarop de
                                        vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van zestien
                                        jaren nog niet heeft bereikt en een raadsman heeft, komen
                                        alle bevoegdheden hem in dit wetboek, met uitzondering van
                                        de Vierde Titel van het Vijfde Boek, toegekend, eveneens toe
                                        aan zijn raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tegen het instellen, intrekken of afstand doen door de
                                        raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het geval van het
                                        eerste lid, de verdachte of diens wettelijke
                                        vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor
                                        het instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift
                                        indienen bij de rechter in eerste aanleg of de voorzitter
                                        van het college, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het
                                        laatst is vervolgd. De rechter in eerste aanleg of de
                                        voorzitter beslist ten spoedigste; de verdachte, diens
                                        wettelijke vertegenwoordiger alsmede de raadsman worden
                                        gehoord, althans, op de wijze door de rechter in eerste
                                        aanleg of de voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het
                                        bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, loopt de termijn voor
                                        het instellen of intrekken van het rechtsmiddel alsnog
                                        gedurende drie dagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">495</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De straf van berisping wordt tenuitvoergelegd door de
                                        rechter in eerste aanleg of door de voorzitter van de
                                        samenstelling van het Hof die de veroordeling heeft
                                        uitgesproken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging geschiedt in een niet openbare
                                        terechtzitting zodra mogelijk na het uitspreken van de
                                        veroordeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter kan daarbij de hulp inroepen van een door hem aan
                                        te wijzen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij die tenuitvoerlegging kunnen de ouders of de voogd van
                                        de veroordeelde desverlangd tegenwoordig zijn, waartoe zij
                                        door de griffier van het Hof of van het gerecht in eerste
                                        aanleg worden opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de verdachte bij de uitspraak van de veroordeling
                                        aanwezig is, kan de tenuitvoerlegging van de straf van
                                        berisping terstond plaats vinden. In dit geval geschiedt
                                        daarvan aantekening in het proces-verbaal van de
                                        terechtzitting en blijft de oproeping, bedoeld in het vierde
                                        lid, achterwege.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">496</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien wordt afgezien van verhaal of verder verhaal van het
                                        bedrag, verschuldigd wegens een opgelegde geldboete of
                                        verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen,
                                        kan het nog te betalen bedrag, op vordering van het openbaar
                                        ministerie, worden vervangen door berisping.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering wordt beslist door de rechter die de straf
                                        heeft opgelegd, nadat de veroordeelde in de gelegenheid is
                                        gesteld daarop te worden gehoord. Indien het hem raadzaam
                                        voorkomt geeft de rechter de nodige bevelen voor de
                                        verschijning van de veroordeelde in de raadkamer.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter beslist bij een met redenen omklede beschikking.
                                        Indien hij de vordering afwijst, kan hij bepalen dat het
                                        verschuldigde alsnog in gedeelten met inachtneming van door
                                        hem vast te stellen termijnen mag worden voldaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">497</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden alle
                                        dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of
                                        andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige
                                        verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of
                                        voogd, alsmede van zijn raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepaling van het eerste lid geldt niet ten aanzien van de
                                        raadsman in zaken die overtredingen betreffen, ook niet in
                                        hoger beroep van zodanige zaken, en evenmin ten aanzien van
                                        ouders of voogd in geval van oproeping overeenkomstig
                                        artikel 416.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">498</nr></kop><al>Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen,
                                    aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden
                                    enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats binnen de
                                    Nederlandse Antillen hebben; aan samenwonende ouders wordt
                                    slechts een stuk uitgereikt.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">III Berechting van verdachten, bij wie tijdens
                                het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
                                storing</nr><titel status="officieel">van de geestvermogens bestond</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">499</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In elke stand van de zaak betreffende een verdachte die de
                                    leeftijd van achttien jaren bereikt heeft of naar burgerlijk
                                    recht meerderjarig is, zal de rechter in eerste aanleg of het
                                    Hof, indien er vermoeden bestaat dat bij de verdachte tijdens
                                    het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
                                    storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge
                                    daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen,
                                    zulks bij beslissing verklaren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissing wordt gegeven, hetzij ambtshalve, hetzij op de
                                    voordracht van de rechter-commissaris, op de vordering van het
                                    openbaar ministerie of op het daartoe strekkend verzoek van de
                                    verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot, dan wel
                                    degene met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont, van een van
                                    zijn ouders, van zijn voogd, van zijn curator of van een van
                                    zijn bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor zover de beslissing niet in zijn tegenwoordigheid is
                                    gegeven, wordt de inhoud daarvan de verdachte onverwijld vanwege
                                    het openbaar ministerie betekend.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">500</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter kan, alvorens te beslissen, de rechtercommissaris,
                                    zolang deze met het gerechtelijk vooronderzoek is belast, of het
                                    openbaar ministerie opdragen een nader onderzoek in te stellen
                                    en aan de rechter daaromtrent verslag te doen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, is
                                    niet aan enig rechtsmiddel onderworpen, doch kan door de rechter
                                    te allen tijde worden herroepen; ten aanzien van de beslissing
                                    tot herroeping vinden de artikelen 499 en 502 overeenkomstige
                                    toepassing en al hetgeen bij of ingevolge eerstgenoemde
                                    beslissing tot de herroeping toe is verricht, blijft niettemin
                                    van kracht.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">501</nr></kop><al>Ten spoedigste na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499
                                bedoeld, voegt de rechter in eerste aanleg of, indien de beslissing
                                door het Hof is gegeven, de voorzitter de verdachte van misdrijf,
                                indien hij nog geen toegevoegde raadsman heeft, een raadsman toe.
                                Aan de verdachte van overtreding kan door de rechter in eerste
                                aanleg of de voorzitter een raadsman worden toegevoegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">502</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van het ogenblik af van de beslissing, bij het eerste lid van
                                    artikel 499 bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak
                                    door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beëindigd,
                                    vinden de artikelen 31, 482, 484, derde lid, 489, 490, 497 en
                                    498, voor zover zij niet reeds rechtstreeks van toepassing zijn,
                                    overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen
                                    aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden
                                    toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit
                                    geval in dier voege dat zij uitsluitend deze betreffen. Tijdens
                                    het gerechtelijk vooronderzoek vindt artikel 489 tevens
                                    overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verhoor van de
                                    verdachte door de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De verdachte is verplicht in persoon ter terechtzitting te
                                    verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat,
                                    indien hij niet aan deze verplichting voldoet, de rechter zijn
                                    medebrenging kan gelasten. Bij niet-verschijning in persoon, kan
                                    de rechter in eerste aanleg of het Hof, hetzij ambtshalve,
                                    hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het
                                    verzoek van de raadsman, indien de rechter of het Hof van
                                    oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van de verdachte
                                    noch noodzakelijk noch gewenst is en de raadsman is verschenen
                                    en zich daartegen niet verzet, het geven van het bevel tot
                                    medebrenging achterwege laten. In zodanig geval wordt verstek
                                    verleend en het onderzoek van de zaak voortgezet; de raadsman
                                    blijft met de verdediging belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het rechtsgeding wordt niet in het openbaar behandeld. De
                                    rechter kan tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting
                                    bijzondere toegang verlenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De bevoegdheden, bij dit wetboek aan de verdachte toegekend,
                                    komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499
                                    bedoeld, steeds mede toe aan de raadsman.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op een
                                    gerechtelijk vooronderzoek inzake overtredingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval wordt vermoed, dat bij een verdachte, wiens zaak ter
                                    terechtzitting van de rechter in eerste aanleg aanhangig wordt
                                    gemaakt, tijdens het begaan van de overtreding gebrekkige
                                    ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens
                                    bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn
                                    belangen behoorlijk te behartigen, worden in de regel zijn
                                    curator, zo hij die heeft, en evenzo een of meer deskundigen ten
                                    verzoeke van het openbaar ministerie ter terechtzitting
                                    gedagvaard om te worden gehoord omtrent de persoonlijkheid van
                                    de verdachte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IIIa</nr><titel status="officieel">Strafvordering ter zake van ontneming van
                                wederrechtelijk verkregen voordeel</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel
                                    38e van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen
                                    wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de
                                    uitspraak van het gerecht in eerste aanleg aanhangig gemaakt.
                                    Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig
                                    het bepaalde in artikel 177g, tweede lid, is gesloten en
                                    heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd
                                    verlopen tussen deze sluiting en heropening.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken
                                    waarop zij berust aan het gerecht toekomen. Artikel 284, vierde
                                    lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De vordering wordt aan degene op wie zij betrekking heeft
                                    betekend, onder mededeling van het recht op kennisneming van de
                                    stukken. Indien ook een strafrechtelijk financieel onderzoek is
                                    ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de sluiting van
                                    het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene tegen wie
                                    het is gericht betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vordering behelst mede oproeping om op het daarin vermelde
                                    tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De artikelen 287,
                                    289 tot en met 292 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503b</nr></kop><al>De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de
                                terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde
                                een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag
                                aan het Land of tot overdracht van voorwerpen ten gehele of
                                gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel -met inbegrip van
                                besparing van kosten- door de betrokkene door middel van of uit de
                                baten van het feit waarvoor hij is vervolgd of soortgelijke feiten
                                verkregen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de behandeling van de vordering van de officier van justitie
                                    is de Tweede Afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van
                                    overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter
                                    terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke
                                    voorbereiding op de wijze als door het gerecht te bepalen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien enig nader strafrechtelijk financieel onderzoek
                                    noodzakelijk blijkt, stelt het gerecht met schorsing der zaak
                                    onder aanduiding van het onderwerp van onderzoek en zo nodig de
                                    wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen
                                    van de officier van justitie. 3. Het onderzoek geldt als een met
                                    rechterlijke machtiging ingestelde strafrechtelijk financieel
                                    onderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van
                                    Titel XVI van het derde Boek, met uitzondering van artikel 177g
                                    vierde en vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de
                                    vijfde afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van
                                    overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het gerecht naar aanleiding van de vordering en van het
                                            onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag
                                            of de in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van
                                            de Nederlandse Antillen bedoelde maatregel moet worden
                                            opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het
                                            wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>het gerecht niet gebonden is aan het voorschrift van
                                            artikel 388 betreffende de termijn waarbinnen uitspraak
                                            moet worden gedaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de dag der uitspraak niet ter terechtzitting aan degene
                                    op wie de vordering betrekking heeft is medegedeeld, wordt hem
                                    daarvan, zodra die dag is bepaald, een kennisgeving
                                    betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het gerecht kan, ingeval onder de beraadslaging blijkt dat het
                                    onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest,
                                    overeenkomstig artikel 503c, tweede en derde lid, een onderzoek
                                    door de officier van justitie doen plaatsvinden. In dit geval
                                    wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd
                                    geschorst.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503e</nr></kop><al>Het gerecht kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel
                                als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de
                                Nederlandse Antillen slechts ontlenen aan de inhoud van wettige
                                bewijsmiddelen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tegen de uitspraak van het gerecht kan hoger beroep worden
                                    ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Titel III en Titel IV (met uitzondering van de Eerste Afdeling)
                                    van het vijfde Boek en Titel II van het zesde Boek zijn van
                                    overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt door een
                                            oproeping van de procureur-generaal aan de verdachte of
                                            de veroordeelde betekend;</al></li><li nr="b."><al>de behandeling van de vordering waarvan beroep is
                                            ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke
                                            voorbereiding op de wijze, door het Hof te bepalen;</al></li><li nr="c."><al>de artikelen 503c, tweede en derde lid, en 503d, derde
                                            lid, van overeenkomstige toepassing zijn. In deze
                                            gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de
                                            officier van justitie bij het gerecht dat in eerste
                                            aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen
                                            onderzoek zendt de officier van justitie de stukken toe
                                            aan de procureur-generaal;</al></li><li nr="d."><al>artikel 503d, eerste lid, onder b, van overeenkomstige
                                            toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">503g</nr></kop><al>Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als
                                bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht van de
                                Nederlandse Antillen vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak
                                als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, bedoeld in
                                artikel 38e eerste onderscheidenlijk derde lid van het Wetboek van
                                Strafrecht van de Nederlandse Antillen, achterwege blijft, in kracht
                                van gewijsde gaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IV</nr><titel status="officieel">Verschoning en wraking van rechters</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">504</nr></kop><al>Een rechter wordt op zijn verlangen van elke bemoeiing in een zaak
                                verschoond, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden
                                bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid
                                schade zou kunnen lijden.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">505</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De redenen van verschoning worden alle tegelijk
                                    voorgedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een nieuwe verschoning kan door dezelfde rechter slechts worden
                                    voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn
                                    ontstaan of bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan een verschoning
                                    niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door
                                    het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om
                                    redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of
                                    bekend geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">506</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een verschoning wordt voorgedragen aan het Hof, dat daarover ten
                                    spoedigste beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen
                                    uitnodigen, de voorgedragen verschoning schriftelijk dan wel
                                    mondeling toe te lichten. Deze geeft aan de uitnodiging
                                    gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde
                                    handelingen of beslissingen van de rechter wiens verschoning is
                                    aangenomen, van onwaarde zullen zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">507</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter die zijn verschoning heeft voorgedragen, is, in
                                    afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten
                                    van alle bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters
                                    kunnen worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wordt de verschoning eerst tijdens het onderzoek ter
                                    terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek
                                    geschorst.Wordt de verschoning aangenomen, dan wordt het
                                    onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen, hetzij
                                    onmiddellijk, hetzij op een latere terechtzitting. De beslissing
                                    wordt op de terechtzitting waarin het onderzoek van de zaak
                                    wordt hervat of opnieuw aangevangen, uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">508</nr></kop><al>Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden
                                bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid
                                ernstig schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of,
                                ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar
                                ministerie en door de verdachte of diens raadsman.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">509</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan een rechter
                                    bestaan, kan een verdere wraking niet worden voorgedragen, dan
                                    nadat over de vroegere is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De redenen van wraking worden alle tegelijk voorgedragen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een nieuwe wraking kan ten aanzien van dezelfde rechter slechts
                                    worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn
                                    ontstaan of bekend geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kan een wraking niet
                                    meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het
                                    openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om redenen
                                    die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend
                                    geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Wordt de wraking op de terechtzitting voorgedragen,dan kan de
                                    rechter, ingeval van klaarblijkelijk misbruik, bepalen dat
                                    volgende voordrachten tot wraking niet ontvankelijk zullen
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">510</nr></kop><al>Ingeval de rechter alleen rechtspreekt of als enig rechter bemoeiing
                                in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf
                                voorgedragen, waarna het Hof van Justitie daarover ten spoedigste
                                beslist. De verdachte wordt gehoord.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">511</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen
                                    uitnodigen, zich omtrent de voorgedragen redenen van wraking
                                    schriftelijk of mondeling te verklaren. Deze geeft aan de
                                    uitnodiging gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde
                                    handelingen of beslissingen van de rechter wiens wraking is
                                    aangenomen, van onwaarde zullen zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">512</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter die gewraakt wordt, is, in afwachting van de
                                    beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van alle
                                    bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen
                                    worden verricht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wordt de wraking eerst tijdens het onderzoek op de
                                    terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek geschorst.
                                    Wordt zij aangenomen, dan wordt het onderzoek op een latere
                                    terechtzitting opnieuw aangevangen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">513</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Rechters die verklaard hebben zich te willen verschonen of wier
                                    wraking wordt voorgedragen, onthouden zich, op straffe van
                                    nietigheid, van deelneming aan de beslissing van het Hof over de
                                    verschoning of wraking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ingeval de verschoning of wraking eerst tijdens het onderzoek op
                                    de terechtzitting van het Hof wordt voorgedragen, wordt ter
                                    vervanging van elk lid dat verlangt verschoond te worden of
                                    wiens wraking voorgedragen wordt, door de president van het Hof
                                    een rechter aangewezen om met de overige leden over de
                                    verschoning of wraking te beslissen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">514</nr></kop><al>De beslissingen over de wraking, worden de verdachte voorgelezen of,
                                indien deze niet bij de beslissing aanwezig is, hem betekend.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">515</nr></kop><al>Onder rechters worden in deze titel begrepen de leden en
                                plaatsvervangende leden van het Hof en de rechtersplaatsvervanger in
                                eerste aanleg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">V</nr><titel status="officieel">Vervolging en berechting van rechtspersonen en
                                andere samenwerkingsverbanden</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">516</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een
                                    rechtspersoon of doelvermogen, wordt deze rechtspersoon of dit
                                    doelvermogen tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de
                                    bestuurder of, indien er meer bestuurders zijn, door een van
                                    hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of
                                    vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wordt deze tijdens de
                                    vervolging vertegenwoordigd door de aansprakelijke vennoot of,
                                    indien er meer aansprakelijke vennoten zijn, door een van hen.
                                    De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde
                                    bestuurder of vennoot bevelen; hij kan bij niet verschijnen zijn
                                    medebrenging gelasten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">517</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een
                                    rechtspersoon, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke
                                    mededelingen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de vestigingsplaats van de rechtspersoon, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan
                                            wel</al></li><li nr="c."><al>de woonplaats van een van de bestuurders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door
                                    uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon
                                    die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te
                                    nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in
                                    persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in
                                    het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen
                                    omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking
                                    is van de rechtspersoon.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">518</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of
                                    vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, geschiedt de
                                    kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats van het kantoor van de maat- of vennootschap,
                                            dan wel</al></li><li nr="b."><al>de woonplaats van een van de aansprakelijke
                                            vennoten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door
                                    uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan
                                    een persoon die door een of meer van hun is gemachtigd het stuk
                                    in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als
                                    betekening in persoon.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in
                                    het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen,
                                    omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking
                                    is van de maat- of vennootschap of van een aansprakelijke
                                    vennoot.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij de
                                    vervolging van een doelvermogen; in dit geval treden de
                                    bestuurders in de plaats van de aansprakelijke vennoten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">519</nr></kop><al>Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 517, tweede of derde
                                lid, of artikel 518, tweede of derde lid, kunnen plaatsvinden, dan
                                wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is
                                uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van het gerecht
                                in eerste aanleg in het rechtsgebied waar de zaak zal dienen of
                                laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt het schrijven alsdan
                                onverwijld als gewone brief over de post aan het in het schrijven
                                vermelde adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">520</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een
                                    rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder
                                    rechtspersoonlijkheid of een doelvermogen zijn de artikelen 642,
                                    643, 644 en 646 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft
                                    plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 517,
                                    tweede en derde lid, 518, tweede en derde lid, 519, 643, zesde
                                    lid, en 646. Artikel 647, tweede lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VI</nr><titel status="officieel">Strafvordering buiten het rechtsgebied van de
                                Nederlandse Antillen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemeen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">521</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband
                                        met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het
                                        onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen,
                                        voor zover in deze titel niet anders is bepaald, buiten het
                                        rechtsgebied van de Nederlandse Antillen worden
                                        uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bepalingen van de eerste en tweede afdeling van deze
                                        titel zijn slechts van toepassing ten aanzien van de
                                        opsporing en het onderzoek buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen.Voor zover zij betrekking hebben op een
                                        aangehouden persoon of een inbeslaggenomen voorwerp blijven
                                        zij, ook binnen het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen
                                        van toepassing, totdat de aangehoudene of het voorwerp is
                                        overgeleverd aan de officier van justitie of een
                                        hulpofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevoegdheden, in de bepalingen van deze titel toegekend,
                                        kunnen slechts worden uitgeoefend, voor zover het
                                        volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">522</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in
                                        artikel 521 of in de tweede afdeling van deze titel
                                        toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van
                                        justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden
                                        afgewacht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ieder die een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                                        heeft uitgeoefend, stelt de officier van justitie onverwijld
                                        en op de snelst mogelijke wijze in kennis van:</al><lijst><li nr="a."><al>het te zijner kennis gekomen strafbare feit;</al></li><li nr="b."><al>elke door hem krachtens een bevoegdheid als bedoeld
                                                in het eerste lid getroffen maatregel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij die kennisgeving doet hij voor zover mogelijk opgave van
                                        de personalia van de verdachte en diens nationaliteit,
                                        alsmede van zijn eigen personalia en van andere terzake
                                        doende feiten. Hij tracht voorts ten spoedigste aanwijzingen
                                        van de officier van justitie te verkrijgen aangaande de
                                        wijze waarop terzake dient te worden gehandeld. Hij neemt de
                                        aanwijzingen van de officier van justitie in acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt ook voor
                                        degene aan wie een aangehouden verdachte of een
                                        inbeslaggenomen voorwerp wordt overgeleverd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid geldt niet
                                        voor leden van de rechterlijke macht ten aanzien van die
                                        verrichtingen waartoe zij als zodanig bevoegd zijn.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">523</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant kan in geval van een strafbaar feit met
                                        inachtneming van de bepalingen van deze titel inlichtingen
                                        en bewijzen verzamelen, die tot opheldering van de zaak
                                        kunnen dienen, tenzij de officier van justitie anders
                                        beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Dezelfde bevoegdheid komt toe aan de schipper en aan de
                                        gezagvoerder van een luchtvaartuig aan boord van het
                                        vaartuig of luchtvaartuig waarover zij het gezag voeren.
                                        Onder vaartuig wordt een bij landsbesluit aangewezen
                                        installatie ter zee begrepen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">524</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen alle of
                                    bepaalde commandanten worden belast met de opsporing, buiten het
                                    rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, van daarbij vermelde
                                    strafbare feiten.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">525</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant kan een verrichting, waartoe hij op grond van
                                        een van de bepalingen van deze titel als zodanig dan wel na
                                        aanwijzing op grond van artikel 524 als opsporingsambtenaar
                                        bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande
                                        officier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De schipper kan een verrichting, waartoe hij op grond van
                                        een van de bepalingen van deze titel bevoegd is, opdragen
                                        aan een onder zijn bevelen staande scheepsofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan een verrichting,
                                        waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze
                                        titel bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staand
                                        lid van de bemanning.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">526</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een
                                        luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in
                                        de artikelen 521 of 523 of in de tweede afdeling van deze
                                        titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste
                                        proces-verbaal op van zijn verrichtingen en
                                        bevindingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning
                                        van een luchtvaartuig handelt in geval van toepassing van
                                        artikel 525 overeenkomstig het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer de schipper of een scheepsofficier dan wel de
                                        gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de
                                        bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij zo
                                        mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het
                                        proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt gedagtekend door de verbalisant.
                                        Hij vermeldt zoveel mogelijk uitdrukkelijk zijn redenen van
                                        wetenschap.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Het proces-verbaal van de officier, de scheepsofficier of
                                        het lid van de bemanning van een luchtvaartuig wordt mede
                                        ondertekend door de commandant, onderscheidenlijk de
                                        schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de commandant, de schipper of
                                        de gezagvoerder van het luchtvaartuig ten spoedigste
                                        toegezonden aan de officier van justitie, tenzij deze anders
                                        beslist.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Toepassing van enige bijzondere
                                    dwangmiddelen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">527</nr></kop><al>De bevoegdheid, omschreven in artikel 72, komt mede toe aan de
                                    commandant, de schipper en de gezagvoerder van een
                                    luchtvaartuig.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">528</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte kan slechts worden aangehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van ontdekking op heterdaad van een
                                                misdrijf, door een ieder;</al></li><li nr="b."><al>in geval van ontdekking op heterdaad van een
                                                overtreding, door een opsporingsambtenaar, een
                                                commandant, een schipper of een gezagvoerder van een
                                                luchtvaartuig;</al></li><li nr="c."><al>buiten het geval van ontdekking op heterdaad, indien
                                                het een misdrijf of het strafbare feit omschreven in
                                                artikel 454, onder 3e, van het Wetboek van
                                                Strafrecht betreft, door een opsporingsambtenaar,
                                                een commandant of een schipper.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie kan in de gevallen, genoemd in het
                                        eerste lid, de aanhouding van de verdachte bevelen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">529</nr></kop><al>Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd:</al><lijst><li nr="a."><al>door een ieder aan de officier van justitie, indien deze
                                            ter plaatse aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van
                                            een luchtvaartuig aan een opsporingsambtenaar, indien
                                            deze ter plaatse aanwezig is;</al></li><li nr="c."><al>door een opvarende die geen opsporingsambtenaar is, aan
                                            de schipper en door een inzittende van een luchtvaartuig
                                            die geen opsporingsambtenaar is, aan de gezagvoerder van
                                            het luchtvaartuig;</al></li><li nr="d."><al>door anderen aan een opsporingsambtenaar of aan een
                                            commandant.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">530</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen dat de aangehouden
                                        verdachte zal worden verhoord. Hij kan daartoe de
                                        overlevering van de verdachte aan een bepaalde persoon of
                                        zijn overbrenging naar een bepaalde plaats bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tenzij de officier van justitie anders bepaalt, is de
                                        opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden verdachte te
                                        verhoren. Bij afwezigheid van een opsporingsambtenaar komt
                                        gelijke bevoegdheid toe aan de commandant, aan de schipper
                                        en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degene die bevoegd is tot verhoor van de verdachte is ook
                                        bevoegd hem naar een plaats van verhoor te geleiden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier
                                        dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een
                                        lid van de bemanning, is artikel 50 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">531</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De aangehouden verdachte wordt, na te zijn verhoord,
                                        dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer dan zes
                                        uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande
                                        dat de tijd tussen tien uur 's avonds en acht uur 's morgens
                                        niet wordt meegerekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Niettemin kan de verdachte langer dan zes uren worden
                                        opgehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem
                                                is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook
                                                buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen,
                                                is gelast;</al></li><li nr="b."><al>wanneer hij wordt verdacht van een misdrijf, waarop
                                                naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf
                                                van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake
                                                daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem
                                                kan worden verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een besluit de verdachte in het in het tweede lid, onderdeel
                                        b, bedoelde geval langer dan zes uren op te houden, wordt
                                        genomen door de officier van justitie. Kan diens optreden
                                        niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar,
                                        de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het
                                        luchtvaartuig in wiens handen de verdachte zich bevindt,
                                        daartoe besluiten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">532</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie een besluit als bedoeld in
                                        artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een
                                        vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zodra de officier van justitie verneemt dat een
                                        opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een
                                        gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld
                                        in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een
                                        vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of
                                        gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de
                                        verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Heeft het in artikel 531, derde lid, bedoelde besluit
                                        betrekking op een verdachte die aan boord van een
                                        luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende
                                        bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de
                                                officier van justitie een vordering tot bewaring bij
                                                de rechter-commissaris in of beveelt hij de
                                                gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte
                                                over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar
                                                het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid
                                                gebruik te maken;</al></li><li nr="b."><al>in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij
                                                een van de in onderdeel a genoemde maatregelen of
                                                gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van
                                                de verdachte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De verdachte kan zich bij het horen, bedoeld in de artikelen
                                        92, derde lid, en 97, doen vertegenwoordigen door een
                                        raadsman.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de
                                        officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling
                                        van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens,
                                        zodra geen titel tot vrijheidsontneming meer aanwezig is of
                                        de grond tot vrijheidsontneming is vervallen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Zolang degene in wiens handen de verdachte zich bevindt,
                                        geen bericht van de officier van justitie heeft ontvangen,
                                        is hij verplicht de verdachte eigener beweging in vrijheid
                                        te stellen, zodra hij meent dat de grond tot
                                        vrijheidsontneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de
                                        verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen
                                        na de aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot
                                        voorlopige hechtenis is verleend, waarvan de
                                        tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen, is gelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">533</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel a,
                                        van toepassing is, wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd
                                        aan de officier van justitie; de verdachte op wie artikel
                                        531, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, kan worden
                                        overgeleverd aan de officier van justitie, ingeval het niet
                                        doenlijk is hem elders op te houden, totdat een bevel tot
                                        voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de
                                        tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen, is gelast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van het voornemen tot overlevering over te gaan wordt
                                        onverwijld bericht gegeven aan de officier van
                                        justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">534</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Degene in wiens handen een aangehouden verdachte zich
                                        bevindt, zorgt dat de nodige maatregelen worden genomen om
                                        te voorkomen, dat het doel van de vrijheidsontneming wordt
                                        gemist. De verdachte mag aan geen andere beperkingen worden
                                        onderworpen dan die voor dit doel volstrekt noodzakelijk
                                        zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan de verdachte wordt gelegenheid gegeven zich met een
                                        raadsman in verbinding te stellen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">535</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie kan bepalen, dat de aangehoudene,
                                        tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam of
                                        kleding zal worden onderzocht. Artikel 78, derde lid, is van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De bevoegdheid, vermeld in artikel 78, tweede lid, komt,
                                        indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is,
                                        mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder
                                        van het luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">536</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot
                                        inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen
                                        daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie
                                        kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen
                                        bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden,
                                        genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, toe aan de
                                        commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het
                                        luchtvaartuig, voor zover ter plaatse geen
                                        opsporingsambtenaar aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen
                                        voorwerp is artikel 532 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">537</nr></kop><al>De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen
                                    teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de
                                    bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het
                                    voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan
                                    onmiddellijk te voldoen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">538</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde inzage
                                        vorderen van de bescheiden, waarvan naar hun redelijk
                                        oordeel inzage nodig is voor de vervulling van hun
                                        taak.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Personen die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot
                                        geheimhouding verplicht zijn, kunnen de inzage weigeren van
                                        bescheiden of gedeelten daarvan, tot welke hun plicht tot
                                        geheimhouding zich uitstrekt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">539</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde toegang tot
                                        alle plaatsen, waarvan naar hun redelijk oordeel de
                                        betreding nodig is voor de vervulling van hun taak. De
                                        commandant en de schipper kunnen ter aanhouding van de
                                        verdachte of ter inbeslagneming alle plaatsen betreden,
                                        waarvan te dien einde de betreding naar hun redelijk oordeel
                                        nodig is.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De artikelen 155 tot en met 160 blijven buiten toepassing.
                                        De artikelen 162 en 163 zijn ten aanzien van de commandant
                                        en de schipper van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">540</nr></kop><al>De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel
                                    9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en
                                    bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen
                                    (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een
                                    vreemde staat overdragen iedere inzittende van het
                                    luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze
                                    aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke
                                    omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is
                                    gesteld.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Verplichting van de schipper</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">541</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper geeft onverwijld en op de snelst mogelijke wijze
                                        kennis aan de officier van justitie van elk misdrijf aan
                                        boord begaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of van
                                        de opvarenden in gevaar is gebracht of waardoor iemands dood
                                        of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vaartuig
                                        begrepen een installatie ter zee en wordt onder een
                                        misdrijf, aan boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op
                                        zulk een installatie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 522, derde lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">542</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper zorgt dat aan boord een register van strafbare
                                        feiten aanwezig is, blad voor blad genummerd en gewaarmerkt
                                        door een ambtenaar, te wiens overstaan de monstering
                                        geschiedt.Voor het waarmerken worden geen kosten in rekening
                                        gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Hij zorgt dat in het register onverwijld wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in
                                                artikel 541;</al></li><li nr="b."><al>elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een
                                                bevoegdheid als bedoeld in artikel 522, eerste lid,
                                                gebruik heeft gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>elk strafbaar feit, aan boord van zijn schip of door
                                                een opvarende begaan, waarvan door een opvarende
                                                vermelding in het register wordt verlangd of waarvan
                                                hij zelf de vermelding wenselijk acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid worden vermeld: de plaats
                                        waar en het tijdstip waarop het feit is begaan, de
                                        personalia en nationaliteit van de verdachte en van de
                                        getuigen, alsmede de maatregelen ingevolge de bepalingen van
                                        deze titel genomen door de schipper of op zijn aanwijzing
                                        door de scheepsofficier.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De vermeldingen worden gedagtekend en door de schipper
                                        ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De schipper doet het register viseren door de daartoe
                                        bevoegde ambtenaar. De Minister van Justitie kan terzake
                                        nadere regels stellen.</al><al>De schipper geeft het register op eerste vordering van een
                                        opsporingsambtenaar aan deze ter inzage.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">543</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De schipper geeft aan de ambtenaar, die krachtens enige
                                        wettelijke bepaling toegang heeft tot zijn vaartuig, op
                                        diens eerste vordering gelegenheid zich aan of van boord te
                                        begeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ambtenaar is in de rechtmatige uitoefening van zijn
                                        bediening niet onderworpen aan het gezag van de schipper
                                        over de opvarenden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">544</nr></kop><al>De bepalingen van het Derde Boek zijn op deze titel van
                                    toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk anders is
                                    bepaald.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VII</nr><titel status="officieel">Rechterlijke bevelen tot handhaving van de
                                openbare orde</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">545</nr></kop><al>In het geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit,
                                waardoor de openbare orde ernstig is aangerand en ter zake waarvan
                                voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kunnen de maatregelen in de
                                navolgende bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen de
                                verdachte gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor
                                herhaling of voortzetting van dat feit.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">546</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bevoegd de verdachte te doen
                                    aanhouden, en hem onverwijld te doen geleiden voor de
                                    rechter-commissaris.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De officier van justitie is eveneens bevoegd getuigen,
                                    deskundigen en tolken te doen oproepen om te verschijnen voor de
                                    rechter-commissaris. De oproeping kan ook mondeling door een
                                    deurwaarder of schriftelijk door een ambtenaar van politie
                                    geschieden; de officier kan ook zelf mondeling oproepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De verdachte wordt met het oog op het onderzoek op last van de
                                    officier van justitie op een door hem aan te wijzen plaats
                                    opgehouden, gedurende ten hoogste acht dagen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">547</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie is bij het onderzoek door de
                                    rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na de zaak te hebben
                                    voorgedragen, de vorderingen die hij in verband met de
                                    bepalingen van deze titel nodig oordeelt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het
                                    onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt
                                    overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de zevende
                                    afdeling van de Derde Titel van het Vierde Boek gevoerd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De rechter-commissaris is bevoegd, zo nodig onder bijvoeging van
                                    een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door de officier van
                                    justitie of de verdachte aangewezen getuigen, deskundigen en
                                    tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt
                                    overeenkomstig het tweede lid van artikel 546.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In dat geval kan de rechter-commissaris het onderzoek voor ten
                                    hoogste vierentwintig uren schorsen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">548</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris geen termen aanwezig acht tot
                                    toepassing van enige maatregel op grond van artikel 545, beveelt
                                    hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het andere geval geeft de rechter-commissaris op de vordering
                                    van de officier van justitie de verdachte voor een bepaalde
                                    termijn de nodige bevelen ter voorkoming van herhaling of
                                    voortzetting van het feit en vordert van hem een
                                    bereidverklaring tot nakoming van die bevelen. De termijn
                                    eindigt van rechtswege op het tijdstip dat het ter zake van het
                                    strafbare feit gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,
                                    of, indien daarbij straf of maatregel is opgelegd, zodra het
                                    vonnis kan worden tenuitvoergelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De bevelen mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet
                                    beperken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">549</nr></kop><al>Indien de bereidverklaring wordt afgelegd, beveelt de
                                rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van de
                                verdachte.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">550</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, beveelt de
                                    rechter-commissaris dat de ophouding van de verdachte zal
                                    voortduren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De ophouding is van kracht gedurende een in het bevel te bepalen
                                    termijn van ten hoogste vijf dagen welke ingaat op de dag van de
                                    tenuitvoerlegging. Artikel 102, eerste lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing. Het bevel tot ophouding is dadelijk
                                    uitvoerbaar.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de vordering van de officier van justitie kan het bevel tot
                                    ophouding door de rechter-commissaris eenmaal met ten hoogste
                                    vijf dagen worden verlengd. De verdachte wordt in de gelegenheid
                                    gesteld op de vordering te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste
                                    lid, zomede van de artikelen 548 en 549.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De verdachte kan van het bevel tot ophouding binnen drie dagen
                                    na de tenuitvoerlegging in hoger beroep komen bij het Hof van
                                    Justitie dat beslist, na de verdachte te hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">551</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zodra het grote gevaar voor herhaling of voortzetting van het
                                    feit is geweken, beveelt de officier van justitie de
                                    onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan te allen tijde, hetzij ambtshalve,
                                    hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het
                                    verzoek van de verdachte, de invrijheidstelling van de verdachte
                                    bevelen. Artikel 549 is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof van Justitie kan, ambtshalve of op het verzoek van de
                                    verdachte, het bevel tot ophouding opheffen. Artikel 103, tweede
                                    lid, is van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bevel kan mede worden opgeheven bij de uitspraak van het
                                    vonnis ter zake van het in artikel 545 bedoelde feit gewezen. De
                                    opheffing wordt daarbij steeds bevolen, indien straf of
                                    maatregel ter zake van dat feit niet wordt opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">552</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de verdachte de hem gegeven bevelen niet nakomt, is
                                    iedere opsporingsambtenaar bevoegd hem aan te houden en
                                    onverwijld opnieuw te geleiden voor de officier van justitie. De
                                    opsporingsambtenaar kan, ter aanhouding van de verdachte, elke
                                    plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In dit geval of indien de verdachte niet kon worden aangehouden,
                                    vordert de officier van justitie onverwijld dat de
                                    rechter-commissaris ter zake een onderzoek zal instellen. Deze
                                    geeft daaraan zo spoedig mogelijk gevolg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van het onderzoek en het oproepen van getuigen
                                    gelden de voorgaande bepalingen van deze titel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">553</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de rechter-commissaris op grond van het onderzoek,
                                    bedoeld in artikel 552, daartoe termen aanwezig acht, beveelt
                                    hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het andere geval beveelt de rechter-commissaris, indien de
                                    verdachte zich aan overtreding van de hem gegeven bevelen heeft
                                    schuldig gemaakt, dat deze op een door hem aangewezen plaats zal
                                    worden opgehouden. De artikelen 550, tweede, derde en vijfde
                                    lid, en 551, met uitzondering van de tweede volzin van het
                                    tweede lid, zijn van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">554</nr></kop><al>Tegen de beslissing tot afwijzing van een door de officier van
                                justitie krachtens de bepalingen van deze titel genomen vordering
                                staat geen beroep open.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">VIII</nr><titel status="officieel">Internationale rechtshulp</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">555</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De navolgende artikelen van deze titel zijn van toepassing
                                        op verzoeken om rechtshulp door autoriteiten van een vreemde
                                        staat in verband met een strafzaak gedaan, en gericht tot
                                        een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of
                                        de politie in de Nederlandse Antillen, voor zover in de
                                        afdoening niet is voorzien in het bepaalde bij of krachtens
                                        andere wettelijke regelingen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken tot
                                        het verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen
                                        van medewerking daaraan, het toezenden van documenten,
                                        dossiers of stukken van overtuiging of het geven van
                                        inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken
                                        of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan
                                        derden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">556</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het verzoek wordt, zo het niet tot een officier van justitie
                                        is gericht, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden
                                        aan de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het
                                        verkrijgen daarvan geen opsporingshandelingen nodig zijn,
                                        kan de doorzending achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing in de door de Minister
                                        van Justitie te bepalen gevallen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">557</nr></kop><al>De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen,
                                    beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">558</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover het verzoek is gegrond op een verdrag, wordt
                                        daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek dat niet
                                        op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het
                                        toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, wordt
                                        aan het verzoek voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is
                                        met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van de
                                        Minister van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">559</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>in gevallen waarin de verzoekende staat naar de
                                                regels van het volkenrecht rechtsmacht over de
                                                verdachte ontbeert;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de verdachte op een met het volkenrecht
                                                strijdige wijze of anderszins onrechtmatige wijze
                                                het grondgebied van de verzoekende staat binnen is
                                                gebracht of gelokt, dan wel is gearresteerd en zijn
                                                vrijheid is ontnomen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het vermoeden bestaat dat het is gedaan
                                                ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het
                                                oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op
                                                andere wijze te treffen in verband met zijn
                                                godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn
                                                nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking
                                                waartoe hij behoort;</al></li><li nr="d."><al>voor zover inwilliging zou strekken tot het verlenen
                                                van medewerking aan een vervolging of berechting die
                                                onverenigbaar is met het aan artikel 70 van het
                                                Wetboek van Strafrecht en artikel 282, eerste lid,
                                                van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag
                                                liggende beginsel;</al></li><li nr="e."><al>voor zover het is gedaan ten behoeve van een
                                                onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte
                                                in de Nederlandse Antillen wordt vervolgd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin er grond bestaat om aan te nemen dat een
                                        situatie als bedoeld in onderdeel a of b van het eerste lid
                                        zich ter zake van het verzoek heeft voorgedaan, wordt het
                                        verzoek voorgelegd aan de Ministers van Algemene Zaken en
                                        van Justitie. Een afwijzende beslissing op het verzoek wordt
                                        langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de
                                        verzoekende staat gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als
                                        bedoeld in onderdeel c van het eerste lid wordt het verzoek
                                        voorgelegd aan de Minister van Justitie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">560</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare
                                        feiten van politieke aard, of daarmee verband houdende
                                        feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van
                                        de Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden
                                        gegeven voor verzoeken, die op een verdrag zijn gegrond en
                                        slechts na overleg met de Minister van Algemene Zaken. De
                                        beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter
                                        kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat
                                        gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Aan verzoeken, die zijn gedaan ten behoeve van een onderzoek
                                        naar strafbare feiten met betrekking tot retributies,
                                        belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende
                                        feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor
                                        's Lands belastingdienst, en de Bank van de Nederlandse
                                        Antillen, dan wel aan verzoeken betrekking hebbende op
                                        gegevens die onder 's Lands belastingdienst of de Bank van
                                        de Nederlandse Antillen berusten of aan ambtenaren van deze
                                        dienst en instelling in de uitoefening van hun bediening
                                        bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens
                                        machtiging van de Minister van Justitie. Die machtiging kan
                                        alleen worden gegeven voor verzoeken, die op een verdrag
                                        zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van
                                        Financiën.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">561</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De officier van justitie stelt een voor inwilliging vatbaar
                                        en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse
                                        rechterlijke autoriteit in handen van de
                                        rechter-commissaris:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het strekt tot het horen of verhoren van
                                                personen die niet bereid zijn vrijwillig te
                                                verschijnen en de gevraagde verklaring af te
                                                leggen;</al></li><li nr="b."><al>indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde
                                                verklaring, of om een verklaring afgelegd ten
                                                overstaan van een rechter;</al></li><li nr="c."><al>indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig
                                                is, dat andere dan openbare plaatsen zonder de
                                                uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende
                                                worden betreden, of dat stukken van overtuiging in
                                                beslag worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>indien het strekt tot het aftappen van
                                                gegevensverkeer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de
                                        officier van justitie het verzoek van een buitenlandse
                                        rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris
                                        stellen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De overlegging van het verzoek geschiedt bij een
                                        schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke
                                        verrichtingen van de rechter-commissaris worden
                                        verlangd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vordering kan te allen tijde
                                        worden ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">562</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover de in artikel 561, derde lid,bedoelde vordering
                                        is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor
                                        inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van
                                        een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde
                                        rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een
                                        gerechtelijk vooronderzoek, wat betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten
                                                aanzien van de door hem te verhoren verdachten,
                                                getuigen en deskundigen, alsmede die tot het
                                                betreden van plaatsen, het verrichten van
                                                huiszoeking, het in beslag nemen van stukken van
                                                overtuiging en het aftappen van
                                                gegevensverkeer;</al></li><li nr="b."><al>de bevoegdheden van de officier van justitie;</al></li><li nr="c."><al>de rechten en verplichtingen van de door de
                                                rechter-commissaris te horen of te verhoren
                                                personen;</al></li><li nr="d."><al>bijstand van een raadsman;</al></li><li nr="e."><al>de verrichtingen van de griffier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid,
                                        zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden
                                        zijn, indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is
                                        gevraagd, in de Nederlandse Antillen was begaan en dat feit
                                        aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende
                                        staat.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Vatbaar voor het aftappen van gegevensverkeer overeenkomstig
                                        het eerste lid, zijn gegevens die daarvoor vatbaar zouden
                                        zijn indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is
                                        gevraagd, in de Nederlandse Antillen was begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp kan, anders dan
                                        overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van
                                        dwangmiddelen worden gemaakt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">563</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van
                                        de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en
                                        van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk
                                        teruggaan naar de officier van justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van
                                        overtuiging worden ter beschikking van de officier van
                                        justitie gesteld, voor zover het Hof, met inachtneming van
                                        het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de
                                        inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in de
                                        Nederlandse Antillen verblijf houden, wordt het krachtens
                                        het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het
                                        voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse
                                        autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden
                                        teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering
                                        nodige gebruik is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met
                                        145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige
                                        toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen
                                        bevoegde gerecht treedt het Hof op.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">564</nr></kop><al>Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de
                                    medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie
                                    op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun
                                    optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid
                                    van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan
                                    de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren
                                    geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de
                                    wijze, door hem te bepalen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">565</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter
                                        voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met
                                        overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften
                                        betreffende het betekenen en uitreiken van
                                        Nederlands-Antilliaanse stukken van vergelijkbare
                                        strekking.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is bij een voor inwilliging vatbaar verzoek uitdrukkelijk de
                                        voorkeur gegeven aan betekening of uitreiking aan de
                                        geadresseerde in persoon, dan wordt zoveel mogelijk
                                        dienovereenkomstig gehandeld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Feiten begaan aan boord van
                                    luchtvaartuigen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">566</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd
                                        luchtvaartuig in de Nederlandse Antillen ingevolge artikel
                                        13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en
                                        bepaalde andere handelingen begaan aan boord van
                                        luchtvaartuigen (Trb.1964, 115 en 164) moet worden ingesteld
                                        naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is
                                        voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien
                                        waarvan de Nederlands-Antilliaanse strafwet niet
                                        toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de
                                        bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met
                                        betrekking tot een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige
                                        hechtenis is toegelaten.Voor de toepassing van artikel 11,
                                        eerste lid, wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse
                                        waar het luchtvaartuig is geland.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten, kunnen
                                        behalve de in artikel 119 bedoelde voorwerpen in beslag
                                        nemen de voorwerpen, die de gezagvoerder van het vreemde
                                        luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het
                                        Verdrag na de landing overlevert.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met
                                        145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige
                                        toepassing. In de plaats van het volgens artikel 142, derde
                                        lid, bevoegde gerecht treedt het gerecht in eerste aanleg
                                        binnen het rechtsgebied waarvan het luchtvaartuig is
                                        geland.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">567</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de
                                        handeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar
                                        aanleiding waarvan deze na de landing van het luchtvaartuig
                                        in de Nederlandse Antillen ingevolge artikel 9, eerste lid,
                                        van het Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van
                                        een strafbepaling die op discriminatie naar ras of
                                        godsdienst berust, wordt geen onderzoek ingesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de
                                        in het vorige lid bedoelde handeling een overtreding vormt
                                        van een strafbepaling van politieke aard, wordt geen
                                        onderzoek ingesteld dan krachtens een machtiging van de
                                        Minister van Justitie en slechts na overleg met de Minister
                                        van Algemene Zaken.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">IX</nr><titel status="officieel">Overdracht tenuitvoerlegging
                                strafvonnissen</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">568</nr></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="39*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="39*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>de Minister</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>de Minister van Justitie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>rechterlijke beslissing</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een bij vonnis of arrest gewezen rechterlijke
                                                  beslissing naar aanleiding van een strafbaar
                                                  feit;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>sanctie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>een bij rechterlijke beslissing opgelegde
                                                  vrijheidsstraf, met inbegrip van een naast of in
                                                  plaats van een zodanige straf opgelegde
                                                  vrijheidsbenemende maatregel;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>veroordeelde</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>degene aan wie een sanctie is opgelegd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">569</nr></kop><al>Tenuitvoerlegging in de Nederlandse Antillen van buitenlandse
                                    rechterlijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een
                                    verdrag.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">570</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de
                                        Nederlandse Antillen slechts worden tenuitvoergelegd voor
                                        zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechterlijke beslissing in die staat voor
                                                tenuitvoerlegging vatbaar is;</al></li><li nr="b."><al>de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van
                                                een feit dat naar Nederlands-Antilliaans recht
                                                eveneens strafbaar is;</al></li><li nr="c."><al>in geval van veroordeling, de dader naar
                                                Nederlands-Antilliaans recht eveneens strafbaar zou
                                                zijn geweest.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is er tevens sprake
                                        van een feit dat naar Nederlands-Antilliaans recht strafbaar
                                        is, indien krachtens de Nederlands-Antilliaanse wet
                                        eenzelfde inbreuk op de Nederlands-Antilliaanse rechtsorde,
                                        als blijkens de in de vreemde staat gewezen rechterlijke
                                        beslissing op de rechtsorde van die staat is gemaakt,
                                        strafbaar is.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">571</nr></kop><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse
                                    Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien deze betrekking
                                    heeft op een vreemdeling die geen vaste woon- of verblijfplaats
                                    in de Nederlandse Antillen heeft, of op een rechtspersoon
                                    waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in de
                                    Nederlandse Antillen, of waarvan het hoofd van het bestuur geen
                                    vaste woonplaats in de Nederlandse Antillen heeft. Deze
                                    voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde
                                    staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete
                                    of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van
                                    vergelijkbare strekking.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">572</nr></kop><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de Nederlandse
                                    Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien naar het oordeel
                                    van de Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing
                                    tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door
                                    overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke
                                    overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is
                                    beïnvloed. De Minister doet zijn oordeel kenbaar maken aan de
                                    autoriteiten van die vreemde staat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">573</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de
                                        Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien
                                        het recht tot uitvoering van de sanctie naar
                                        Nederlands-Antilliaans recht zou zijn verjaard.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de
                                        Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, indien
                                        de veroordeelde ten tijde van het feit waarvoor de sanctie
                                        werd opgelegd, de leeftijd van twaalf jaren nog niet had
                                        bereikt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">574</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de
                                        Nederlandse Antillen niet worden ten uitvoer gelegd, voor
                                        zover de veroordeelde ter zake van hetzelfde feit in de
                                        Nederlandse Antillen wordt vervolgd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de
                                        Nederlandse Antillen evenmin worden ten uitvoer gelegd, voor
                                        zover een vervolging in de Nederlandse Antillen
                                        onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 70 van het
                                        Wetboek van Strafrecht en artikel 282, eerste lid, van dit
                                        Wetboek ten grondslag liggende beginsel.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel"></titel></kop><paragraaf><kop><nr status="officieel">A.</nr><titel status="officieel">Voorlopige maatregelen tot
                                        vrijheidsontneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">575</nr></kop><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde
                                        die zich in de Nederlandse Antillen bevindt en aan wie een
                                        tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd,
                                        waarvan blijkens de in de vreemde staat uitgesproken
                                        rechterlijke beslissing nog ten minste zes maanden moeten
                                        worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden,
                                        indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op
                                        korte termijn deze sanctie in de Nederlandse Antillen zal
                                        worden ten uitvoer gelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">576</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal is bevoegd de voorlopige
                                            aanhouding overeenkomstig artikel 575 te bevelen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De veroordeelde wordt na zijn voorlopige aanhouding
                                            binnen vierentwintig uur voor de procureur-generaal
                                            geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal kan, na de veroordeelde te hebben
                                            gehoord, bevelen dat hem gedurende achtenveertig uur, te
                                            rekenen van het tijdstip van de voorlopige aanhouding,
                                            voorlopig verder zijn vrijheid wordt ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Deze termijn kan door de procureur-generaal eenmaal met
                                            achtenveertig uur worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De veroordeelde kan te allen tijde door de
                                            procureur-generaal in vrijheid worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">577</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De rechter-commissaris kan op de vordering van de
                                            procureur-generaal bevelen, dat de voorlopige
                                            vrijheidsontneming van de veroordeelde wordt
                                            verlengd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens een bevel ingevolge het vorige lid te geven,
                                            hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de
                                            veroordeelde.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">578</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De verlenging kan worden gelast voor een termijn van ten
                                            hoogste veertien dagen. De voorlopige vrijheidsontneming
                                            kan op de vordering van de procureur-generaal telkens
                                            met een termijn van ten hoogste dertig dagen verder
                                            worden verlengd, totdat het Hof ingevolge artikel 589,
                                            tweede lid, over de gevangenhouding beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De veroordeelde wiens voorlopige vrijheidsontneming is
                                            gelast wordt, behoudens de mogelijkheid van
                                            vrijheidsontneming uit anderen hoofde, in vrijheid
                                            gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra dit door het Hof, de rechter-commissaris
                                                  of de procureur-generaal ambtshalve of op het
                                                  verzoek van de veroordeelde of diens advocaat
                                                  wordt gelast;</al></li><li nr="b."><al>zodra de voorlopige vrijheidsontneming veertien
                                                  dagen heeft geduurd en de procureur-generaal de in
                                                  de artikelen 581 of 582 bedoelde stukken niet
                                                  heeft ontvangen;</al></li><li nr="c."><al>indien de duur van de voorlopige
                                                  vrijheidsontneming die van het voor
                                                  tenuitvoerlegging vatbare gedeelte van de in de
                                                  vreemde staat opgelegde sanctie zou
                                                  overtreffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het tweede lid, onderdeel b, genoemde termijn
                                            loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde zich
                                            aan de verdere tenuitvoerlegging van de gelaste
                                            vrijheidsontneming heeft onttrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579</nr></kop><al>Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een
                                        autoriteit van een vreemde staat, genomen krachtens een van
                                        de artikelen 575 tot en met 578, wordt onverwijld door of
                                        door tussenkomst van de procureur-generaal kennis gegeven
                                        aan de Minister. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><nr status="officieel">B.</nr><titel status="officieel">Inbeslagneming</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek
                                            van een vreemde staat kan in de Nederlandse Antillen een
                                            strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld,
                                            overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde
                                            Boek, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig
                                            of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel door een
                                            persoon die in de verzoekende staat aan strafrechtelijk
                                            onderzoek is onderworpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts
                                            worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn
                                            geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan
                                            de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in de
                                            Nederlandse Antillen zouden zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan
                                            inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel
                                            119, tweede lid, en artikel 119a, tweede lid, slechts
                                            plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de
                                            verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege
                                            de verzoekende vreemde staat een verzoek tot
                                            tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een
                                            tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
                                            strekkende sanctie zal worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot
                                            sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek
                                            onverwijld een afschrift door tussenkomst van de
                                            procureur-generaal aan de Minister. Daarbij doet hij
                                            tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde
                                            staat dienstige inlichtingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek
                                            van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden
                                            genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien waarvan naar het recht van de
                                                  vreemde staat een tot verbeurdverklaring
                                                  strekkende sanctie kan worden opgelegd;</al></li><li nr="b."><al>tot bewaring van het recht tot verhaal voor een
                                                  tot ontneming van wederrechtelijk verkregen
                                                  voordeel strekkende verplichting tot betaling van
                                                  een geldbedrag welke naar het recht van de vreemde
                                                  staat kan worden opgelegd; of</al></li><li nr="c."><al>die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen
                                                  voordeel aan te tonen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid,
                                            onderdelen a en b, kan slechts plaatsvinden, indien
                                            blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek
                                            verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten
                                            van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of
                                            zou zijn gegeven, indien de desbetreffende voorwerpen
                                            zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en
                                            inbeslagneming naar Nederlands-Antilliaans recht is
                                            toegestaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming
                                            naar Nederlands-Antilliaans recht toegestaan, indien
                                            zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of
                                            de feiten naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door
                                            de vreemde staat wordt verzocht in de Nederlandse
                                            Antillen zou of zouden zijn begaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste
                                            lid, onderdelen a en b, kan voorts slechts plaatsvinden,
                                            indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat
                                            ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende
                                            vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een
                                            verbeurdverklaring of van een tot ontneming van
                                            wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie
                                            zal worden gedaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579c</nr></kop><al>Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen voorwerpen,
                                        ten aanzien waarvan door een rechter van een vreemde staat
                                        een bevel is gegeven van vergelijkbare strekking als
                                        verbeurdverklaring of ontneming als wederrechtelijk
                                        verkregen voordeel, op verzoek van de vreemde staat in
                                        beslag worden genomen.</al><al>2.Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid kan slechts
                                        plaatsvinden in gevallen, waarin gegronde redenen bestaan
                                        voor de verwachting dat het in dat lid bedoelde bevel op
                                        korte termijn in de Nederlandse Antillen zal worden
                                        tenuitvoergelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579d</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 579b en
                                            579c zijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover
                                            die bevoegdheden niet aan de rechter-commissaris is
                                            voorbehouden, de procureur-generaal. Op vordering van de
                                            procureur-generaal kan de rechter-commissaris de
                                            bevoegdheden uitoefenen, die hem uit hoofde van een
                                            gerechtelijk vooronderzoek toekomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van het eerste lid zijn de artikelen 119b
                                            tot en met 119d, 122, 125 tot en met 145, 150, 152, 153,
                                            154a en 608* van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579e</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 150
                                            onderscheidenlijk 154a treedt de rechter niet in een
                                            nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden,
                                            indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een
                                            uitspraak is gedaan. De rechter kan echter wel in een
                                            dergelijk nieuw onderzoek treden, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die uitspraak betrekking heeft op rechten ter
                                                  zake van in de Nederlandse Antillen gelegen
                                                  onroerende goederen of in de Nederlandse Antillen
                                                  te boek gestelde zeeschepen en
                                                  luchtvaartuigen;</al></li><li nr="b."><al>die uitspraak betreft de geldigheid, de
                                                  nietigheid of de ontbinding van in de Nederlandse
                                                  Antillen gevestigde rechtspersonen of de besluiten
                                                  van hun organen;</al></li><li nr="c."><al>die uitspraak is gedaan, zonder dat de
                                                  belanghebbende tegen wie verstek werd verleend, zo
                                                  tijdig tevoren, als met het oog op zijn
                                                  verdediging redelijkerwijs nodig was van het
                                                  geding officieel in kennis was gesteld;</al></li><li nr="d."><al>die uitspraak onverenigbaar is met een ter zake
                                                  eerder in de Nederlandse Antillen gewezen
                                                  rechterlijke beslissing;</al></li><li nr="e."><al>erkenning van die uitspraak onverenigbaar zou
                                                  zijn met de Nederlands-Antilliaanse openbare
                                                  orde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Zolang ter zake van de rechten van een belanghebbende
                                            een procedure voor de rechter van de verzoekende vreemde
                                            staat aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of
                                            vordering niet ontvankelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">579f</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot
                                            het in behandeling nemen van verzoeken als bedoeld in de
                                            artikelen 579a tot en met 579c, is bevoegd de
                                            procureur-generaal.</al><al>Verzoeken als bedoeld in het eerste lid worden, zo zij
                                            niet tot de procureur-generaal zijn gericht, door de
                                            geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.</al><al>Klaagschriften als bedoeld in artikel 150, alsmede
                                            rechtsgedingen als bedoeld in artikel 154a, dienen in
                                            eerste en laatste instantie te worden aanhangig gemaakt
                                            bij Hof.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Procedure</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Behandeling van buitenlandse verzoeken
                                        tot tenuitvoerlegging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">580</nr></kop><al>Indien de door de vreemde staat overgelegde stukken naar het
                                        oordeel van de Minister onvoldoende zijn om op een verzoek
                                        tot tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de
                                        autoriteiten van de verzoekende staat de gelegenheid binnen
                                        een door hem te stellen redelijke termijn aanvullende
                                        stukken of inlichtingen te verschaffen.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">581</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tenzij de Minister reeds aanstonds van oordeel is dat
                                            het verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen,
                                            stelt hij het met de daarbij behorende stukken in handen
                                            van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal van oordeel is dat het
                                            verzoek niet voor inwilliging vatbaar is of dat
                                            aanleiding bestaat gebruik te maken van een van de in
                                            het toepasselijke verdrag omschreven gronden tot
                                            weigering van de tenuitvoerlegging, brengt hij dit
                                            oordeel onverwijld vergezeld van zijn advies ter kennis
                                            van de Minister, die daaromtrent beslist. De
                                            procureur-generaal deelt de veroordeelde die krachtens
                                            deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen,
                                            onverwijld mee op welke dag hij zijn advies aan de
                                            Minister heeft uitgebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">2.</nr><titel status="officieel">Behandeling van
                                        Nederlands-Antilliaanse verzoeken tot tenuitvoerlegging in
                                        de Nederlandse Antillen van in een vreemde staat opgelegde
                                        sancties</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">582</nr></kop><al>Wanneer een vreemde staat heeft bewilligd in de
                                        tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in de
                                        Nederlandse Antillen, stelt de Minister de door de
                                        autoriteiten van die staat overgelegde stukken in handen van
                                        de procureur-generaal.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel"> 3.</nr><titel status="officieel">Gerechtelijke procedure</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">583</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal vordert binnen twee weken na de
                                            dag waarop hij de in artikel 581 of 582 bedoelde stukken
                                            heeft ontvangen, schriftelijk, dat het Hof verlof
                                            verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt
                                            de procureur-generaal de stukken aan het Hof over. Een
                                            afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde
                                            betekend. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal
                                            tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die
                                            ingevolge de artikelen 579a tot en met 579e, in beslag
                                            zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst
                                            van het tijdstip waarop de procureur-generaal
                                            overeenkomstig artikel 581, tweede lid, adviseert aan de
                                            Minister tot het tijdstip waarop de procureur-generaal
                                            van de Minister bericht ontvangt dat de
                                            tenuitvoerlegging dient te worden gevorderd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de veroordeelde ingevolge deze titel voorlopig
                                            zijn vrijheid is ontnomen, eindigt de schorsing in ieder
                                            geval na veertien dagen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het eerste tot en met het derde lid bepaalde is niet van
                                            toepassing, indien de ten uitvoer te leggen sanctie
                                            uitsluitend bestaat uit een geldboete.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De artikelen 197 en 486 zijn van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">584</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 583
                                            bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van het Hof het
                                            tijdstip waarop het Hof een aanvang zal maken met de
                                            behandeling van de vordering. Tussen de dag waarop de
                                            mededeling om ter terechtzitting te verschijnen aan de
                                            veroordeelde is betekend en die van de terechtzitting
                                            moet een termijn van ten minste tien dagen
                                            verlopen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn
                                            worden verkort, mits van deze toestemming uit een
                                            schriftelijke verklaring blijkt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">585</nr></kop><al>De griffier van het Hof doet onverwijld aan de
                                        procureur-generaal en aan de veroordeelde mededeling van het
                                        tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is
                                        bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, van wie niet blijkt
                                        dat hij reeds een advocaat heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn
                                        bevoegdheid een of meer advocaten te kiezen en op de
                                        mogelijkheden tot toevoeging van een advocaat, alsmede op
                                        zijn recht op kennisneming van de processtukken.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">586</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De procureur-generaal en de veroordeelde zijn bevoegd
                                            ten behoeve van het onderzoek dat het Hof ingevolge deze
                                            titel heeft te verrichten en de beslissingen die het
                                            heeft te nemen, getuigen en deskundigen te doen
                                            dagvaarden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan bij met redenen omklede
                                            beslissing weigeren getuigen of deskundigen te
                                            dagvaarden, indien redelijkerwijze moet worden
                                            aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven
                                            ten einde ter terechtzitting verklaringen af te leggen
                                            ter betwisting van feiten als bedoeld in artikel 588,
                                            derde lid. De beslissing wordt onverwijld schriftelijk
                                            ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij wordt
                                            daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel
                                            588, zesde lid.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">587</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De behandeling van de vordering heeft plaats in
                                            tegenwoordigheid van de procureur-generaal. De
                                            veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daarbij
                                            aanwezig te zijn en kan zich door zijn advocaat doen
                                            bijstaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De behandeling van de vordering geschiedt in het
                                            openbaar, tenzij het Hof op het verzoek van de
                                            veroordeelde of om gewichtige, in het proces-verbaal van
                                            de zitting te vermelden, redenen sluiting van de deuren
                                            beveelt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">588</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de
                                            ontvankelijkheid van de procureur-generaal, alsmede de
                                            mogelijkheid van tenuitvoerlegging in de Nederlandse
                                            Antillen van de in het buitenland gewezen rechterlijke
                                            beslissing en de feiten en omstandigheden die voor zijn
                                            beslissing van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal en de veroordeelde en diens
                                            advocaat worden in de gelegenheid gesteld ter
                                            terechtzitting van het Hof te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof is gebonden aan de vaststelling van de feiten
                                            die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn
                                            beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het treedt niet
                                            in een nieuw onderzoek naar deze feiten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op punten die niet in deze titel zijn geregeld, vindt
                                            het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het
                                            Vijfde Boek overeenkomstige toepassing, behoudens het
                                            bepaalde omtrent het verhoor van getuigen en het houden
                                            van een schouw.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien getuigen zijn gedagvaard ter verkrijging van
                                            inlichtingen omtrent de persoonlijkheid van de
                                            veroordeelde of indien het Hof het noodzakelijk acht
                                            feiten te onderzoeken ter beoordeling van het bestaan
                                            van gronden die naar Nederlands-Antilliaans recht, doch
                                            niet naar dat van de vreemde staat, de strafbaarheid van
                                            het feit of de dader uitsluiten,vindt voorts het
                                            bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het
                                            Vijfde Boek omtrent het verhoor van getuigen
                                            overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de procureur-generaal overeenkomstig artikel 586,
                                            tweede lid, heeft geweigerd een getuige te dagvaarden,
                                            kan de veroordeelde het Hof verzoeken alsnog de
                                            dagvaarding van de getuige te bevelen. Het Hof gaat
                                            hiertoe over, indien het van oordeel is dat de
                                            procureur-generaal in redelijkheid niet tot zijn
                                            beslissing heeft kunnen komen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De procureur-generaal legt, na voorlezing, een conclusie
                                            aan het Hof over. Indien de conclusie strekt tot
                                            bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft zij de
                                            straf of maatregel die naar het oordeel van de
                                            procureur-generaal in plaats van de buitenlandse sanctie
                                            behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de
                                            procureur-generaal in dat geval met welk strafbaar feit
                                            naar Nederlands-Antilliaans recht het feit op grond
                                            waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie is
                                            onderworpen, overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">589</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op vordering van de procureur-generaal kan het Hof ter
                                            zitting de gevangenneming van de veroordeelde bevelen op
                                            de grond genoemd in artikel 575</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten,
                                            beslist het Hof ambtshalve over de gevangenhouding van
                                            de veroordeelde wie krachtens deze titel voorlopig zijn
                                            vrijheid is ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Een krachtens het eerste of tweede lid bevolen
                                            vrijheidsontneming blijft van kracht, totdat de
                                            uitspraak van het Hof voor tenuitvoerlegging vatbaar is
                                            geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">590</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bevindt het Hof:</al><lijst><li nr="a."><al>dat de overgelegde stukken niet voldoen aan het
                                                  door het toepasselijke verdrag gestelde
                                                  eisen;</al></li><li nr="b."><al>dat de veroordeelde zich met vrucht op een
                                                  grond, die naar Nederlands-Antilliaans recht wel,
                                                  doch naar het recht van de vreemde staat niet de
                                                  strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit,
                                                  had kunnen beroepen, en dat hij geen gedwongen
                                                  psychiatrische verpleging behoeft;</al></li><li nr="c."><al>dat de tenuitvoerlegging in de Nederlandse
                                                  Antillen op grond van het in een van de artikelen
                                                  569, 570, 571, 573 of 574 bepaalde niet kan
                                                  plaatshebben; of</al></li><li nr="d."><al>dat bij afweging van alle betrokken belangen een
                                                  beslissing tot tenuitvoerlegging in de Nederlandse
                                                  Antillen in redelijkheid niet kan worden
                                                  genomen;dan verklaart het de tenuitvoerlegging
                                                  ontoelaatbaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De procureur-generaal kan, zolang het onderzoek ter
                                            terechtzitting niet is gesloten, zijn vordering
                                            intrekken. Hij stelt de veroordeelde van het intrekken
                                            van de vordering terstond in kennis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In andere dan de in het eerste en tweede lid voorziene
                                            gevallen, verklaart het Hof de tenuitvoerlegging
                                            toelaatbaar, met vermelding van de toepasselijke wets-
                                            en verdragsbepalingen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">591</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien het Hof, de tenuitvoerlegging toelaatbaar acht,
                                            verleent het verlof tot tenuitvoerlegging van de
                                            buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met
                                            inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke
                                            verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, die
                                            op het overeenkomstige feit naar Nederlands-Antilliaans
                                            recht is gesteld. De uitspraak van het Hof wordt met
                                            redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere
                                            redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de
                                            maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de
                                            omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur
                                            of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 388,
                                            390, 391, 400, 407, tweede en derde lid, en 410 zijn van
                                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf of
                                            hechtenis beveelt het Hof, dat de tijd gedurende welke
                                            aan de veroordeelde in de vreemde staat ter uitvoering
                                            van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn
                                            overbrenging naar de Nederlandse Antillen en uit hoofde
                                            van deze titel zijn vrijheid ontnomen is geweest, bij de
                                            uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden
                                            gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het Hof zendt aan de Minister onverwijld een gewaarmerkt
                                            afschrift van zijn uitspraak toe.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">591a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verlof tot tenuitvoerlegging van een in de vreemde staat
                                            opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van
                                            wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beperkt
                                            tot de tenuitvoerlegging van de verplichting tot
                                            betaling van een geldbedrag aan het Land, dat in omvang
                                            slechts een gedeelte van dat voordeel
                                            vertegenwoordigt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt
                                            tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel,
                                            spreekt het Hof, indien de vreemde staat uitdrukkelijk
                                            heeft verzocht die sanctie slechts ten uitvoer te leggen
                                            op voorwerpen die dat voordeel vertegenwoordigen, de
                                            verbeurdverklaring daarvan uit. In dat geval is het Hof
                                            niet gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 35,
                                            eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht van
                                            de Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op uitspraken, houdende een verbeurdverklaring, zijn de
                                            artikelen 151, 153 en 154 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op uitspraken, houdende de oplegging van een
                                            verplichting tot betaling van een geldbedrag aan het
                                            Land ter ontneming van wederrechtelijk verkregen
                                            voordeel, is artikel 634 van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Artikel 579e is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 591
                                        opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van
                                        het bij of krachtens dit Wetboek, het Wetboek van Strafrecht
                                        of enige bijzondere strafwet betreffende de
                                        tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
                                        bepaalde.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">4.</nr><titel status="officieel">Buitengerechtelijke procedure</titel></kop><sub-paragraaf><kop><titel status="officieel">Geldboeten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie
                                                uitsluitend strekt tot de betaling van een
                                                geldboete, eventueel onder bedreiging met een
                                                vervangende tot vrijheidsontneming strekkende
                                                sanctie, wordt deze ten uitvoer gelegd krachtens een
                                                beslissing van de procureur-generaal.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Alvorens een beslissing te nemen ingevolge het
                                                eerste lid stelt de procureur-generaal de
                                                veroordeelde in de gelegenheid te worden
                                                gehoord.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De procureur-generaal drukt overeenkomstig het
                                                bepaalde in het toepasselijke verdrag het bedrag van
                                                de geldboete uit in Nederlands-Antilliaanse valuta.
                                                Indien het verdrag daaromtrent geen voorschriften
                                                bevat bepaalt de procureur-generaal de hoogte van
                                                het bedrag volgens de wisselkoers die gold op het
                                                tijdstip van veroordeling in de vreemde staat. Als
                                                wisselkoers geldt de middenkoers zoals dagelijks
                                                vastgesteld en genoteerd door de Bank van de
                                                Nederlandse Antillen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor valuta waarvan de wisselkoers niet dagelijks
                                                door de Bank van de Nederlandse Antillen wordt
                                                vastgesteld en genoteerd geldt de wisselkoers die
                                                wordt verkregen uit de waarde in speciale
                                                trekkingsrechten van de desbetreffende valuta op de
                                                laatste werkdag van de maand waarin de teenuitvoer
                                                te leggen sanctie in de vreemde staat werd
                                                opgelegd.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592b</nr></kop><lid><lidnr status="officieel"></lidnr><al>De ingevolge artikel 592a genomen beslissing en de
                                                dag waarop het daarbij vastgestelde bedrag moet
                                                worden voldaan, worden vanwege de procureur-generaal
                                                zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde ter kennis
                                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Tegen de beslissing van de procureur-generaal kan de
                                                veroordeelde binnen veertien dagen nadat zich een
                                                omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit
                                                dat de beslissing hem bekend is, een bezwaarschrift
                                                indienen bij het Hof, indien de opgelegde geldboete
                                                het bedrag van vijftig gulden overschrijft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Op de wijze van indiening en intrekking van een
                                                bezwaarschrift zijn de artikelen 445, tweede lid,
                                                446 tot en met 451 van overeenkomstige
                                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op de behandeling van het bezwaarschrift zijn de
                                                artikelen 38 tot en met 42, 47 en 48 van
                                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Verklaart het Hof het bezwaar gegrond, dan
                                                vernietigt het de beslissing van de
                                                procureur-generaal of vult deze aan met inachtneming
                                                van het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van
                                                Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Acht het,
                                                ondanks vernietiging de tenuitvoerlegging wel
                                                toelaatbaar, dan doet het Hof hetgeen de
                                                procureur-generaal had behoren te doen. In alle
                                                gevallen dat het Hof de tenuitvoerlegging van een
                                                geldboete toelaatbaar verklaard, bepaalt het tevens
                                                de duur van de vervangende hechtenis.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De artikelen 591, derde lid, en 592, zijn van
                                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592c</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Beslissingen als bedoeld in artikel 592a kunnen
                                                zodra zij zijn genomen worden ten uitvoer gelegd,
                                                tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt.
                                                Door het indienen van een bezwaarschrift binnen de
                                                daarvoor gestelde termijn wordt de tenuitvoerlegging
                                                opgeschort.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Beslissingen genomen krachtens artikel 592a worden
                                                ten uitvoer gelegd met inachtneming van het bij of
                                                krachtens dit wetboek omtrent de tenuitvoerlegging
                                                van geldboeten bepaalde, met uitzondering van het
                                                derde lid van artikel 630.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">592d</nr></kop><al> Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis
                                            moet worden overgegaan doet de procureur-generaal met
                                            het oog daarop een vordering overeenkomstig artikel 583,
                                            tenzij het Hof krachtens artikel 592b, vijfde lid, de
                                            duur van de vervangende hechtenis reeds heeft
                                            bepaald.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><titel status="officieel">Onmiddellijke
                                            tenuitvoerlegging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">593</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet
                                                kan, op aanwijzing van de Minister, de
                                                tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van
                                                een in een vreemde staat opgelegde tot
                                                vrijheidsontneming strekkende sanctie in de
                                                Nederlandse Antillen plaatsvinden buiten toepassing
                                                van paragraaf 3 van deze afdeling.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts
                                                worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde
                                                ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn
                                                instemming naar de Nederlandse Antillen is
                                                overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging van
                                                de hem opgelegde sanctie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts
                                                worden gegeven, nadat advies is ingewonnen van het
                                                Hof.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hangende de beslissing tot het geven van een
                                                aanwijzing kan de veroordeelde met toepassing van de
                                                artikelen 575 tot en met 579 voorlopig zijn vrijheid
                                                worden ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien op advies van het Hof het geven van een
                                                aanwijzing achterwege blijft, nemen leden van het
                                                Hof die terzake hebben geadviseerd, niet aan de
                                                behandeling van de door de procureur-generaal
                                                overeenkomstig artikel 583 ingediende vordering
                                                deel.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid
                                                bedoelde sanctie geschiedt op last van de
                                                procureur-generaal.</al></lid></artikel></sub-paragraaf></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Overdracht van de tenuitvoerlegging
                                    vanNederlands-Antilliaanse rechterlijke beslissingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">1.</nr><titel status="officieel">Van de Nederlandse Antillen uitgaande
                                        verzoeken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">594</nr></kop><al>Indien de procureur-generaal het in het belang van een goede
                                        rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde staat een door
                                        de Nederlands-Antilliaanse rechter opgelegde straf of
                                        maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, geeft
                                        hij, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging
                                        vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op
                                        de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan de
                                        Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht van
                                        de tenuitvoerlegging aan die staat.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">595</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het tweede lid beslist de
                                            Minister zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een
                                            advies, als bedoeld in artikel 594, omtrent het daaraan
                                            te geven gevolg. Daarbij neemt hij, indien het verzoek
                                            tot tenuitvoerlegging op een verdrag kan worden gegrond,
                                            de bepalingen van dat verdrag in acht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien het advies van de procureur-generaal betrekking
                                            heeft op een veroordeelde die zich in de Nederlandse
                                            Antillen bevindt, aan wie een tot vrijheidsontneming
                                            strekkende sanctie is opgelegd en die niet heeft
                                            verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging van
                                            die sanctie in te stemmen, dan laat de Minister, zo hij
                                            voornemens is gevolg te geven aan dit advies, alvorens
                                            een beslissing te nemen, de veroordeelde schriftelijk
                                            van dit advies in kennis stellen. Daarbij wordt de
                                            veroordeelde meegedeeld, dat hij binnen veertien dagen
                                            na ontvangst van de kennisgeving tegen het voornemen van
                                            de Minister een bezwaarschrift kan indienen bij het
                                            gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot
                                            vrijheidsontneming strekkende sanctie heeft
                                            opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">33.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig
                                            ingediend bezwaarschrift onderzoekt het in het tweede
                                            lid bedoelde gerecht of de Minister bij afweging van de
                                            betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen
                                            beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het
                                            onderzoek gehoord, althans daartoe behoorlijk
                                            opgeroepen. Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds
                                            een advocaat heeft, voegt de voorzitter van het gerecht
                                            hem ambtshalve een advocaat toe.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Van zijn beslissing stelt het gerecht de Minister en de
                                            veroordeelde in kennis. Acht het gerecht het
                                            bezwaarschrift gegrond, dan geeft de Minister aan het
                                            advies van de procureur-generaal tot overdracht van de
                                            tenuitvoerlegging geen gevolg.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">596</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De Minister geeft de procureur-generaal schriftelijk
                                            kennis van de beslissing die hij op diens advies heeft
                                            genomen alsmede van de door hem ontvangen mededelingen
                                            omtrent beslissingen van de autoriteiten van de vreemde
                                            staat naar aanleiding van het verzoek tot
                                            tenuitvoerlegging dat op advies van de
                                            procureur-generaal is gedaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een aan de autoriteiten van een vreemde staat gedaan
                                            verzoek tot tenuitvoerlegging kan uiterlijk tot de
                                            ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die
                                            staat genomen beslissing worden ingetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par. </label><nr status="officieel">2. </nr><titel status="officieel">Tot de Nederlandse Antillen gerichte
                                        verzoeken</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">597</nr></kop><al>Tenzij de Minister reeds aanstonds van oordeel is, dat het
                                        verzoek van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van
                                        de tenuitvoerlegging van een in de Nederlandse Antillen
                                        opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij omtrent de
                                        vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen
                                        inwilliging van het verzoek verzet, het advies in van het
                                        gerecht dat in hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft
                                        opgelegd en van de procureur-generaal.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">598</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de in artikel
                                            597 bedoelde adviezen beslist de Minister over het
                                            gevolg, te geven aan het in dat artikel bedoelde
                                            verzoek. Artikel 595 is van overeenkomstige
                                            toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van zijn beslissing geeft de Minister onverwijld kennis
                                            aan het in artikel 597 bedoelde gerecht en aan de
                                            procureur-generaal.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Par.</label><nr status="officieel">3.</nr><titel status="officieel">Overbrenging</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">599</nr></kop><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden
                                        regels gesteld met betrekking tot de procedure volgens welke
                                        een verklaring van of namens een zich in de Nederlandse
                                        Antillen bevindende veroordeelde, houdende instemming met de
                                        overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde
                                        tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, dient te worden
                                        afgelegd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">600</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke
                                            beslissingen ingevolge deze afdeling geschiedt slechts
                                            onder het algemene beding, dat de door de
                                            Nederlands-Antilliaanse rechter opgelegde straf of
                                            maatregel niet ten nadele van de veroordeelde worden
                                            gewijzigd en dat daarbij met het reeds hier te lande ten
                                            uitvoer gelegde gedeelte van die straf of maatregel
                                            rekening wordt gehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Een veroordeelde die in de Nederlandse Antillen een tot
                                            vrijheidsontneming strekkende sanctie ondergaat of nog
                                            zal moeten ondergaan, wordt, wanneer met een vreemde
                                            staat overeenstemming is bereikt omtrent de verdere
                                            tenuitvoerlegging van deze sanctie, zo spoedig mogelijk
                                            ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die
                                            staat op een door de procureur-generaal, na overleg met
                                            die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De overbrenging van een veroordeelde die niet heeft
                                            verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging in
                                            te stemmen, geschiedt niet dan onder het algemene
                                            beding, dat hij alleen met uitdrukkelijke toestemming
                                            van de Minister:</al><lijst><li nr="a."><al>zal worden vervolgd, gestraft of op enige wijze
                                                  in zijn persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van
                                                  feiten, die voor het tijdstip van zijn
                                                  overbrenging zijn begaan en ter zake waarvan de
                                                  tenuitvoerlegging niet is overgedragen; en</al></li><li nr="b."><al>ter beschikking zal worden gesteld van de
                                                  autoriteiten van een derde staat ter zake van
                                                  feiten, die voor het tijdstip van zijn
                                                  overbrenging zijn begaan, tenzij de veroordeelde
                                                  nadien de gelegenheid heeft gehad het grondgebied
                                                  van de staat naar welke hij is overgebracht te
                                                  verlaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Op het moment dat een veroordeelde ter beschikking van
                                            de in het tweede lid bedoelde autoriteiten wordt
                                            gesteld, wordt de tenuitvoerlegging in de Nederlandse
                                            Antillen van de hem opgelegde sanctie van rechtswege
                                            geschorst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>In geval van hervatting van het recht tot
                                            tenuitvoerlegging van de sanctie wordt het in het
                                            buitenland reeds ten uitvoer gelegde gedeelte daarop in
                                            mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Slotbepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">601</nr></kop><al>Op de krachtens deze titel gegeven bevelen tot voorlopige
                                    vrijheidsontneming of tot verlenging of beëindiging daarvan zijn
                                    de bepalingen van dit Wetboek betreffende de
                                    inverzekeringstelling, onderscheidenlijk de voorlopige hechtenis
                                    van overeenkomstige toepassing, tenzij enige bepaling in deze
                                    titel anders voorschrijft.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">602</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het bij en krachtens artikel 62 bepaalde is van
                                        overeenkomstige toepassing ten aanzien van de veroordeelde
                                        wie op grond van artikel 576, derde lid, voorlopig zijn
                                        vrijheid is ontnomen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bij en krachtens de artikelen 63 en 65 tot en met 69
                                        bepaalde, alsmede het in dit Wetboek bepaalde betreffende
                                        het optreden van de raadsman en de kennisneming van
                                        processtukken is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">603</nr></kop><al>In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat
                                    tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing
                                    in de Nederlandse Antillen niet behoort plaats te vinden, kan
                                    het Hof op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten
                                    laste van het Land toekennen voor de schade die hij heeft
                                    geleden en kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van
                                    voorlopige vrijheidsontneming, bevolen krachtens deze titel.
                                    Titel XVI van het Derde Boek is van toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">604</nr></kop><al>De Minister beslist op verzoeken om doorvoer over
                                    Nederlands-Antilliaans grondgebied van vreemdelingen die ten
                                    behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing
                                    door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van
                                    de autoriteiten van een andere staat worden gesteld.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></deel><deel><kop><nr status="officieel">ACHTSTE</nr><label>BOEK</label><titel status="officieel">TENUITVOERLEGGING EN KOSTEN</titel></kop><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">I</nr><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging</titel></kop><afdeling><kop><nr status="officieel">EERSTE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Algemene bepalingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">605</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op
                                    last van het openbaar ministerie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">606</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De benadeelde partij, die zich in het geding over de
                                        strafzaak gevoegd heeft, doet zelf het vonnis, voor zover
                                        haar vordering aangaat, tenuitvoerleggen, op de wijze
                                        bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een
                                        mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit
                                        kracht van een mededeling van de griffier, houdende
                                        afschrift van de aantekening van het vonnis, vermeldende de
                                        benadeelde partij, degene tegen wie en de rechter door wie
                                        het vonnis is gewezen, en dragende aan het hoofd de woorden:
                                        "In naam des Konings".</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Allen die ter zake van hetzelfde strafbare feit bij
                                        hetzelfde vonnis veroordeeld zijn tot schadevergoeding aan
                                        de benadeelde partij, zijn hoofdelijk daarvoor
                                        aansprakelijk.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">607</nr></kop><al>Indien bij dit wetboek enige betekening, dagvaarding, oproeping,
                                    kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven,
                                    geschiedt deze, indien niet anders is bepaald, op last van het
                                    openbaar ministerie.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">608</nr></kop><al>Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van
                                    rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of
                                    algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van
                                    politie, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een
                                    Nederlands-Antilliaans schip dan wel op een bij landsbesluit
                                    aangewezen installatie ter zee aan de schipper, een en ander
                                    voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit
                                    toelaten.Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot
                                    inbeslagneming en teruggave van onroerende goederen wordt de
                                    bijzondere last tot de deurwaarder gericht.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">TWEEDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Uitvoerbaarheid van beslissingen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">609</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, mag geen beslissing
                                        worden tenuitvoergelegd, zolang daartegen nog enig gewoon
                                        rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het
                                        is ingetrokken of daarop is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is een mededeling als bedoeld in artikel 411 voorgeschreven,
                                        dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis geschieden na de
                                        betekening van die mededeling. Bij vonnissen bij verstek
                                        gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te
                                        geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de
                                        uitspraak. Door verzet, hoger beroep of beroep in cassatie
                                        wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De laatste volzin van het tweede lid geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bevelen bij het vonnis verleend, die dadelijk
                                                uitvoerbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>indien naar het oordeel van het openbaar ministerie
                                                vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken
                                                van de daarvoor gestelde termijn is aangewend,
                                                tenzij op verzoek van degene die het middel
                                                aanwendde, en na te zijn gehoord, indien hij dit bij
                                                het verzoek heeft gevraagd, de voorzitter van het
                                                Hof of de rechter in eerste aanleg anders
                                                bepaalt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie,
                                        als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht
                                        van de Nederlandse Antillen, kan eerst worden
                                        tenuitvoergelegd, nadat de veroordeling, als bedoeld in
                                        artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het
                                        Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, in
                                        kracht van gewijsde is gegaan.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">610</nr></kop><al>De tenuitvoerlegging of ingang van straffen wordt opgeschort
                                    gedurende acht dagen volgende op de dag waarop het vonnis,
                                    waarbij zij zijn opgelegd, in kracht van gewijsde is
                                    gegaan.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">611</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Een verzoekschrift om gratie, dat is ingediend binnen de in
                                        artikel 610 bedoelde termijn ter griffie van het Hof, schort
                                        de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie
                                        wordt verzocht op, totdat op het verzoek is beschikt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De griffier maakt onverwijld het openbaar ministerie bekend
                                        met de indiening van een ter griffie ontvangen
                                        verzoekschrift. Hij tekent de dag van indiening op het
                                        verzoekschrift aan. Het verzoekschrift wordt vervolgens,
                                        voorzien van het advies van de rechter naar de Gouverneur
                                        opgezonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">612</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De artikelen 610 en 611, eerste lid, blijven buiten
                                        toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de veroordeelde te kennen geeft de
                                                opschorting van de tenuitvoerlegging of ingang van
                                                de straf niet te wensen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover het betreft vrijheidsstraffen, op
                                                het tijdstip dat het vonnis in kracht van gewijsde
                                                gaat, de veroordeelde zich ter zake van het feit
                                                waarvoor hij bij dat vonnis is veroordeeld, in
                                                voorlopige hechtenis bevindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kennisgeving
                                        wordt, hetzij in persoon hetzij door iemand die daartoe
                                        bepaaldelijk door de veroordeelde is gemachtigd, gedaan aan
                                        de griffier van het gerecht dat het vonnis heeft
                                        uitgesproken. Artikel 447 is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">613</nr></kop><al>Wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is
                                    ingediend, zonder dat een wettelijke regeling daaraan de
                                    opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan de Minister
                                    van Justitie niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of
                                    blijft opgeschort of wel dat zij wordt of blijft geschorst
                                    zolang op het verzoek niet is beschikt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">614</nr></kop><al>Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is,
                                    wordt buiten verdere behandeling gelaten indien blijkt dat de
                                    veroordeelde niet met het verzoek instemt. Het verliest alsdan
                                    de opschortende werking die de wettelijke regeling daaraan
                                    verbindt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">615</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt het
                                        vonnis zodra mogelijk ten uitvoer gelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bestaat de straf uit geldboete, dan bepaalt het openbaar
                                        ministerie de dag waarop de betaling uiterlijk moet
                                        geschieden. Het ziet erop toe dat de veroordeelde hierover
                                        tijdig wordt ingelicht.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het openbaar ministerie kan uitstel van betaling verlenen of
                                        betaling in termijnen toestaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Bij toepassing van het derde lid moet het totale bedrag in
                                        ieder geval worden voldaan binnen twee jaar na de dag waarop
                                        het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">616</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien voor de tenuitvoerlegging van een in kracht van
                                        gewijsde gegaan vonnis, houdende veroordeling tot
                                        vrijheidsstraf of tot de straf van berisping, de
                                        veroordeelde krankzinnig is geworden, beveelt het gerecht
                                        dat het vonnis heeft uitgesproken, de opschorting van de
                                        tenuitvoerlegging.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het
                                        openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van de
                                        advocaat van de veroordeelde.Ten aanzien van de advocaat
                                        gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede
                                        Boek.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Na het herstel wordt het bevel tot opschorting door
                                        hetzelfde gerecht, op vordering van het openbaar ministerie,
                                        ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">617</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien, ondanks de krankzinnigheid van de veroordeelde, de
                                        tenuitvoerlegging van andere dan bij artikel 616 bedoelde
                                        straffen mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze
                                        tot voldoening aan het vonnis uitgenodigd. Zo de
                                        veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zo nodig te
                                        dien einde op de vordering van het openbaar ministerie
                                        benoemd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Ten aanzien van de vervangende straf is artikel 616 van
                                        toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">DERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Tenuitvoerlegging van bevelen tot
                                    vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">618</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De last tot tenuitvoerlegging van een bevel tot
                                        vrijheidsontneming of veroordelend vonnis behelst een zo
                                        nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te vatten persoon,
                                        een opgave van de beslissing of het bevel waarop de
                                        aanduiding steunt, en een vermelding van de plaats waarheen
                                        de aangehoudene moet worden overgebracht, of van de rechter
                                        of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de last dit uitdrukkelijk bepaalt, kan de te vatten
                                        persoon, voor zover het volkenrecht en het interregionale
                                        recht dit toelaten, buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen worden aangehouden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet, wanneer de last
                                        betrekking heeft op een bevel tot medebrenging van een
                                        verdachte, getuige, deskundige of tolk.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Hij die overeenkomstig de last een persoon heeft
                                        aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of voor
                                        de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen, dan zijn de artikelen 522, 534 en 535
                                        van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">619</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de aangehoudene beweert niet te zijn de persoon tegen
                                        wie de last is gericht, zal hij, indien hij krachtens
                                        artikel 618 naar een andere plaats moet worden overgebracht,
                                        tevoren in de gelegenheid worden gesteld om te worden
                                        gehoord door de rechter in eerste aanleg.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Is hij aangehouden buiten het rechtsgebied van de
                                        Nederlandse Antillen, dan geeft hij, die de aanhouding heeft
                                        verricht, onverwijld en op de snelst mogelijke wijze van die
                                        bewering van de aangehoudene kennis aan het openbaar
                                        ministerie.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">620</nr></kop><al>De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding
                                    van de te vatten persoon elke plaats betreden. De artikelen 155
                                    tot en met 164 zijn van toepassing. Geschiedt de aanhouding
                                    echter buiten het rechtsgebied van de Nederlandse Antillen, dan
                                    is artikel 539 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">621</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot
                                        vrijheidsontneming of veroordelend vonnis wordt ten uitvoer
                                        gelegd, in de daartoe bestemde gevangenis of andere
                                        inrichting, geschiedt hetzij op vertoon van het bevel tot
                                        voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling, of wel van
                                        het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan, hetzij op
                                        vertoon van de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar
                                        ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>In het laatste geval doet de ambtenaar, die de last heeft
                                        gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of
                                        inverzekeringstelling of, in geval van tenuitvoerlegging van
                                        vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of een uittreksel
                                        daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de
                                        inrichting.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf,
                                        opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het
                                        eerste lid bedoelde opneming op vertoon van:</al><lijst><li nr="a."><al>hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan
                                                wel een afschrift daarvan of uittreksel
                                                daaruit;</al></li><li nr="b."><al>hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het
                                                openbaar ministerie, dan wel een afschrift
                                                daarvan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet de
                                        ambtenaar die de last heeft gegeven, het proces-verbaal van
                                        de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of
                                        uittreksel daaruit, houdende aantekening van het mondelinge
                                        vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de
                                        inrichting.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">622</nr></kop><al>Het hoofd van de gevangenis of andere inrichting, waarin de
                                    straf van vrijheidsontneming wordt ten uitvoer gelegd, is
                                    verplicht een register te houden volgens een door de Minister
                                    van Justitie vast te stellen model.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">623</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het register worden bij de opneming van een persoon tegen
                                        wie een bevel tot vrijheidsontneming of een veroordelend
                                        vonnis wordt ten uitvoer gelegd, diens naam, voornaam,
                                        beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats
                                        ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt
                                        daarvan melding gemaakt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De inschrijving wijst verder aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de rechter of de ambtenaar, wiens beslissing wordt
                                                ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="-"><al>de dagtekening van die beslissing; de dag en het
                                                uur, waarop de opneming geschiedt, en zo mogelijk
                                                het ogenblik waarop de vrijheidsontneming is
                                                aangevangen;</al></li><li nr="-"><al>bij veroordeling, de duur van de straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De inschrijving wordt mede ondertekend door de ambtenaar,
                                        die het bevel of vonnis ten uitvoer legt. Deze ontvangt van
                                        het hoofd van de inrichting de schriftelijke verklaring dat
                                        de opneming heeft plaatsgehad, welke verklaring hij overlegt
                                        aan de ambtenaar op wiens last de tenuitvoerlegging is
                                        geschied.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">624</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>In het bovengemeld register wordt ter zijde van de
                                        inschrijving aangetekend de dag en het uur waarop het
                                        verblijf van de gevangene of verpleegde in de inrichting
                                        ophoudt, met vermelding van de beslissing krachtens welke,
                                        of van enige andere oorzaak ten gevolge waarvan dit
                                        plaatsheeft.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het hoofd van de inrichting ondertekent de inschrijving
                                        alsmede de aantekeningen in dit artikel bedoeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">625</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de
                                        inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>op de laatste dag van de straftijd, indien de duur
                                                van de straf niet meer is dan drie dagen;</al></li><li nr="b."><al>op de laatste dag van de straftijd die geen zondag
                                                of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van
                                                de straf meer dan drie dagen en minder dan twee
                                                maanden is;</al></li><li nr="c."><al>in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een
                                                vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd
                                                die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende
                                                feestdag is;</al></li><li nr="d."><al>zodra de geldigheid van het bevel tot
                                                vrijheidsontneming ophoudt;</al></li><li nr="e."><al>zodra het bevoegd gezag de last tot
                                                invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting
                                                heeft verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het
                                        ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid,
                                        aanhef en onderdelen a, b of c, geschiedt alvorens de
                                        straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van
                                        tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de
                                        straf.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid
                                        wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van
                                        de straf een bevel als bedoeld in artikel 17a van het
                                        Wetboek van Strafrecht is gegeven, met dat gedeelte alleen
                                        rekening gehouden, voor zover de tenuitvoerlegging daarvan
                                        door de rechter is gelast.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">626</nr></kop><al>Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet
                                    ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 625, eerste
                                    lid, aanhef en onderdelen a, b of c, als één straf
                                    aangemerkt.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">627</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Het Hof van Justitie waakt voor de nakoming van de
                                        voorschriften van de artikelen 621 tot en met 625 en doet te
                                        dien einde de gevangenis en andere inrichtingen door een of
                                        meer leden op onbepaalde tijden, doch tenminste tweemaal 's
                                        jaars, bezoeken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Van de bevindingen wordt telkenmale schriftelijk verslag
                                        gedaan aan de Minister van Justitie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De officieren van justitie zijn verplicht tot het bezoeken
                                        en het doen van verslag op de voet als in het eerste en
                                        tweede lid is vermeld.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">628</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van vonnissen, houdende veroordeling
                                        tot geldboete, geschiedt door het openbaar ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen
                                        regels worden gesteld met betrekking tot de plaats van
                                        betaling van geldboeten.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">629</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge
                                        artikel 615 bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag,
                                        na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, op de goederen
                                        van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan
                                        woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar
                                        ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan
                                        van het nemen van verhaal afzien.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of daarvan met
                                        toepassing van het tweede lid afgezien, dan wordt, na
                                        voorafgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende
                                        vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tenzij de veroordeelde binnen de Nederlandse Antillen geen
                                        bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot
                                        tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet
                                        overgegaan dan nadat veertien dagen zijn verstreken sedert
                                        de dag waarop de in het derde lid bedoelde waarschuwing aan
                                        hem is verzonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">629a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op voorwerpen en vorderingen, inbeslaggenomen op grond van
                                        artikel 119a, geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in
                                        het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de
                                        Nederlandse Antillen krachtens de onherroepelijke
                                        einduitspraak waarbij de geldboete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De einduitspraak, bedoeld in het eerste lid, geldt als
                                        executoriale titel. Betekening van deze titel aan de
                                        veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd,
                                        ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een
                                        kennisgeving inhoudende de bij de einduitspraak opgelegde
                                        straf, voor zover voor het nemen van verhaal van
                                        belang.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht
                                        menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen en
                                        vorderingen zijn de bepalingen van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">630</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Op voorwerpen en vorderingen van de veroordeelde die niet op
                                        grond van artikel 119a in beslag zijn genomen geschiedt
                                        verhaal krachtens een dwangbevel medebrengende het recht om
                                        die goederen zonder vonnis aan te tasten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het dwangbevel wordt in naam des Konings uitgevaardigd door
                                        het openbaar ministerie. Het wordt ten uitvoer gelegd als
                                        een vonnis van de burgerlijke rechter.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden
                                        geschorst dan door een verzet, dat evenwel nimmer gericht
                                        zal kunnen zijn tegen het vonnis waarbij de geldboete werd
                                        opgelegd.Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed
                                        bezwaarschrift, dat voor de verkoop en uiterlijk binnen
                                        zeven dagen te rekenen van de dag van de inbeslagneming,
                                        wordt ingediend bij het gerecht waartoe de rechter behoort,
                                        die de straf heeft opgelegd. Het gerecht geeft binnen zeven
                                        dagen, na zo nodig de veroordeelde en de ambtenaar die het
                                        dwangbevel heeft uitgevaardigd, te hebben gehoord, althans
                                        daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen om te verschijnen,
                                        zijn met redenen omklede beschikking, die onverwijld aan de
                                        veroordeelde wordt betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Ten aanzien van derden, die bij een inbeslagneming van
                                        goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te
                                        hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
                                        Rechtsvordering van toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">631</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomsten in geld uit arbeid van de
                                                veroordeelde;</al></li><li nr="b."><al>pensioenen, wachtgelden en andere periodieke
                                                uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak
                                                heeft;</al></li><li nr="c."><al>het tegoed van een rekening bij een bank- of giro-
                                                instelling waarover de veroordeelde ten eigen bate
                                                vermag te beschikken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door
                                        middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar
                                        ministerie. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening
                                        van het verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de
                                        veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de
                                        veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke
                                        uitspraak de geldboete is opgelegd, alsmede de plaats waar
                                        de betaling moet geschieden. Zij wordt betekend aan de
                                        veroordeelde en aan degene onder wie het verhaal wordt
                                        genomen. De artikelen 517 tot en met 520 zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Door de betekening van de kennisgeving is degene onder wie
                                        het verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan 's
                                        Lands kas van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor
                                        zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft
                                        of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de termijn
                                        waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot
                                        betaling vervalt, zodra het uit hoofde van de veroordeling
                                        verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk
                                        wanneer twee jaren na de dag van betekening zijn
                                        verstreken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet
                                        ten nadele van 's Lands kas beroepen op het tenietgaan of de
                                        vermindering van zijn schuld aan de veroordeelde door
                                        betaling of door verrekening met een tegenvordering, die na
                                        de betekening aan hem is opgekomen of opeisbaar is geworden.
                                        Voor de toepassing van de artikelen 617 en 618 van het
                                        Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 29 van
                                        het Faillissementsbesluit 1931 wordt het verhaal met beslag
                                        onder derden gelijkgesteld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien verhaal is genomen op een periodieke uitkering, die
                                        ingevolge enig wettelijk voorschrift niet vatbaar is voor
                                        beslag, kan telkens ten hoogste een vijfde gedeelte van de
                                        uitkering tot betaling van het uit hoofde van de
                                        veroordeling verschuldigde bedrag worden bestemd. Overigens
                                        strekt het verhaal zich niet uit tot gelden, waarvan bij
                                        wettelijke regeling bepaald is dat zij niet voor
                                        inbeslagneming vatbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de
                                        betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde
                                        kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift
                                        verzetten tegen het verhaal. Artikel 630, derde lid, is op
                                        dit verzet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Een ieder, behoudens de veroordeelde, is verplicht
                                        desgevorderd aan het openbaar ministerie de inlichtingen te
                                        verstrekken, die naar het redelijk oordeel van het openbaar
                                        ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing
                                        van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 251 en 252
                                        zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">632</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn
                                        verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten
                                        van de veroordeelde is bevolen, vinden de artikelen 615,
                                        tweede, derde en vierde lid, en 628 overeenkomstig
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering
                                        van de voorwerpen, noch betaling van de geschatte waarde
                                        plaatsheeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet
                                        worden betaald, vinden de artikelen 629 tot en met 631
                                        overeenkomstig toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">633</nr></kop><al>Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door
                                    betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">634</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek
                                        van Strafrecht is opgelegd, vinden de artikelen 615, tweede
                                        en derde lid, 628 tot en met 631 overeenkomstig
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Op de vordering van het openbaar ministerie, of op het
                                        schriftelijke verzoek van de veroordeelde of van een
                                        benadeelde derde, kan de rechter die de in het eerste lid
                                        genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde
                                        bedrag en de bevolen vervangende hechtenis verminderen of
                                        kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald dan
                                        kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal
                                        worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde
                                        uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven
                                        of uitgekeerde bedrag onverlet.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de
                                        som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een
                                        beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten
                                        minste gelijk aan het verschil.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Tot vermindering of kwijtschelding als bedoeld in het tweede
                                        lid kan slechts worden besloten op grond van omstandigheden
                                        die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde
                                        daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend
                                        waren.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>De rechter beslist, het openbaar ministerie gehoord, na
                                        verhoor of behoorlijke oproeping van de veroordeelde en, zo
                                        deze het verzoek heeft gedaan, de benadeelde derde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>De vordering en het verzoek, bedoeld in het tweede lid,
                                        kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn
                                        verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste
                                        gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende
                                        zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het
                                        bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van het openbaar
                                        ministerie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">8.</lidnr><al>De beschikking wordt aan de veroordeelde en, zo zij op
                                        verzoek van een derde is gewezen, ook aan deze betekend. Zij
                                        is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">635</nr></kop><al>Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 76 van het
                                    Wetboek van Strafrecht voorwaarden stelt ter voorkoming van de
                                    strafvervolging, bepaalt het daarbij de termijn waarbinnen aan
                                    die voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats
                                    waar dat moet geschieden. De gestelde termijn kan worden
                                    verlengd.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">635a</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 503b
                                        een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat,
                                        bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die
                                        schikking moet worden voldaan.Tot dat tijdstip is de termijn
                                        waarbinnen ingevolge artikel 503a, eerste lid, een vordering
                                        aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan
                                        die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering
                                        of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van
                                        rechtswege geëindigd.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Wanneer na voldoening aan die termen, bedoeld in het eerste
                                        lid, blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van
                                        de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van
                                        strafrecht van de Nederlandse Antillen zouden hebben
                                        uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde de
                                        officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde
                                        geldbedragen of overgedragen voorwerpen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of
                                        veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een
                                        overeenkomstig het tweede lid gedaan verzoek, kan hij
                                        schriftelijk beklag doen bij het gerecht waarbij de officier
                                        van justitie is geplaatst.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Het beklag kan ook worden gedaan wanneer dertig dagen zijn
                                        verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels
                                        daarop niet is beslist.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de
                                        teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen
                                        voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en
                                        billijkheid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIERDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Rechtsgeding tot herkenning van
                                    veroordeelden of van andere gevonniste personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">636</nr></kop><al>Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden,
                                    blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent
                                    niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist de
                                    rechter die in eerste aanleg van het strafbare feit heeft
                                    kennisgenomen, of hij al dan niet de veroordeelde is.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">637</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar
                                        ministerie, in een door de rechter te bepalen terechtzitting
                                        met de meeste spoed overgegaan.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen
                                        die van zijnentwege zullen worden verhoord en die waarop de
                                        aangehoudene zich beroept, dagvaarden. Het tweede lid van
                                        artikel 287 vindt met betrekking tot al deze getuigen
                                        overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Indien het openbaar ministerie weigert een getuige te
                                        dagvaarden, kan de rechter op het verzoek van de
                                        aangehoudene, de dagvaarding bevelen. Het tweede tot en met
                                        vijfde lid van artikel 289 vinden in het laatste geval
                                        overeenkomstig toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Indien de zaak bij de rechter in eerste aanleg is
                                        aangebracht, wordt de aangehoudene door de rechter een
                                        raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de
                                        bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">638</nr></kop><al>Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de
                                    bepalingen van de Vierde Titel van het Vijfde Boek. Artikel 424
                                    vindt overeenkomstig toepassing.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">639</nr></kop><al>Indien de rechter de identiteit niet aanneemt, gelast hij de
                                    invrijheidstelling. In het andere geval wordt de
                                    tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het ogenblik van
                                    de vrijheidsontneming.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">640</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De vonnissen houdende beslissingen omtrent de identiteit,
                                        zijn vatbaar voor zodanig beroep als tegen de vonnissen
                                        waarbij over het strafbare feit uitspraak werd gedaan,
                                        openstond.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en
                                        behandeld. Het onderzoek en de beslissing geschieden
                                        overeenkomstig de Vierde Titel van het Vijfde Boek.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">641</nr></kop><al>Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van enige
                                    maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeling overeenkomstig
                                    toepassing, met dien verstande, dat, indien de identiteit wordt
                                    aangenomen, tot toepassing van de maatregel wordt
                                    overgegaan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr status="officieel">VIJFDE</nr><label>AFDELING</label><titel status="officieel">Wijze van kennisgeving van gerechtelijke
                                    mededelingen aan natuurlijke personen</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">642</nr></kop><al>De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke
                                    personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht
                                    voorzien, geschiedt, tenzij bij wettelijke regeling anders is
                                    bepaald of toegelaten, door toezending van een gewone of
                                    aangetekende brief over de post.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">643</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Betekening van gerechtelijke mededelingen vindt alleen
                                        plaats in de gevallen bij wettelijke regeling bepaald.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar
                                        ministerie zijn opgedragen, worden steeds betekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>In alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet
                                        worden betekend, geschiedt de betekening door uitreiking van
                                        een gerechtelijk schrijven.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De uitreiking van het gerechtelijk schrijven, als bedoeld in
                                        het derde lid, wordt door het openbaar ministerie opgedragen
                                        aan een deurwaarder of ambtenaar van politie.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Ingeval de met de betekening belaste ambtenaar noch de
                                        verdachte, noch een van diens huisgenoten aan zijn woon- of
                                        verblijfplaats aantreft, zal hij een afschrift van het
                                        gerechtelijk schrijven terstond terhandstellen aan de
                                        officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg waar
                                        de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt. De
                                        officier van justitie zal het oorspronkelijk schrijven voor
                                        gezien tekenen en het afschrift zo mogelijk aan de verdachte
                                        doen toekomen, zonder dat van ontvangst door deze in rechte
                                        zal behoeven te blijken.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">6.</lidnr><al>Indien de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in
                                        de Nederlandse Antillen heeft, geschiedt de betekening van
                                        het gerechtelijk schrijven door middel van aanplakking van
                                        het afschrift aan het gebouw, waar de rechter waarvoor
                                        gedagvaard wordt, zitting houdt.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">7.</lidnr><al>Bij bekende verblijfplaats van de verdachte in het
                                        buitenland wordt het gerechtelijk schrijven door tussenkomst
                                        van de procureur-generaal aan zijn ambtgenoot in het andere
                                        land ter betekening verzonden.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">644</nr></kop><al>De uitreiking geschiedt:</al><lijst><li nr="a."><al>aan hen die in de Nederlandse Antillen in verband met de
                                            strafzaak waarop het uit te reiken stuk betrekking
                                            heeft, rechtens hun vrijheid is ontnomen: in
                                            persoon;</al></li><li nr="b."><al>aan alle anderen: in persoon of, indien betekening in
                                            persoon niet is vereist en het stuk wordt aangeboden in
                                            de Nederlandse Antillen aan hun woon- of verblijfplaats
                                            en zij daar niet worden aangetroffen, aan degene die
                                            zich in het huis bevindt en die zich bereid verklaart om
                                            het stuk onverwijld aan hem voor wie het bestemd is te
                                            doen toekomen. Onder woon- of verblijfplaats wordt mede
                                            begrepen het adres waarop de persoon voor wie het
                                            schrijven bestemd is op de dag van aanbieding stond
                                            ingeschreven in het bevolkingsregister.</al></li></lijst></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">645</nr></kop><al>In het belang van een goede uitvoering van de artikelen 642, 643
                                    en 644 kunnen bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene
                                    maatregelen, nadere voorschriften worden gegeven.</al></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">646</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Van iedere uitreiking, als bedoeld in artikel 643, wordt een
                                        akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven
                                                uitgaat;</al></li><li nr="b."><al>het nummer van het schrijven;</al></li><li nr="c."><al>de persoon voor wie het schrijven bestemd is;</al></li><li nr="d."><al>de persoon aan wie het is uitgereikt;</al></li><li nr="e."><al>de ambtenaar die het heeft uitgereikt;</al></li><li nr="f."><al>de plaats van uitreiking;</al></li><li nr="g."><al>de dag en het uur van uitreiking;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast,
                                        ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen
                                        betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen in
                                        persoon opgemaakt op de eed afgelegd bij de aanvaarding van
                                        hun bediening en terstond ondertekend.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het model van de akte wordt vastgesteld door het openbaar
                                        ministerie. Dit kan nadere voorschriften geven in het belang
                                        van een goede uitvoering van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">647</nr></kop><al>1.De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft
                                    plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 643, 644
                                    en 646. 2. De nietigheid wordt gedekt door vrijwillige
                                    verschijning ter zitting van degene voor wie het schrijven
                                    bestemd was.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>TITEL</label><nr status="officieel">II</nr><titel status="officieel">Kosten</titel></kop><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">648</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit 's Lands
                                    kas een vergoeding toegekend voor de kosten, die ingevolge het
                                    bij en krachtens Tarief justitiekosten strafzaken bepaalde ten
                                    laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de
                                    aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft
                                    gediend of door de intrekking van dagvaardingen of
                                    rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is
                                    geworden.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen
                                    verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet
                                    worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak
                                    bij de president van het Hof van Justitie. Deze kan een van de
                                    rechters die over de zaak hebben gezeten, tot de vaststelling
                                    van de vergoeding aanwijzen. De rechter geeft voor het bedrag
                                    van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging
                                    af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Degenen, die het verzoek hebben ingediend, kunnen worden
                                    gehoord. Indien zij dit verlangen, worden zij gehoord, althans
                                    daartoe behoorlijk opgeroepen.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>Uitbetaling geschiedt door of vanwege de Minister van
                                    Financiën.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen
                                    tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste
                                    personen en op de behandeling van klaagschriften, als bedoeld in
                                    de artikelen 150 tot en met 151.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">649</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel,
                                    maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard
                                    zonder oplegging van enige straf of maatregel, wordt aan de
                                    gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Lands kas een
                                    vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en
                                    de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten,
                                    berekend op de voet van het bij en krachtens Tarief
                                    justitiekosten strafzaken bepaalde.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel,
                                    maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard
                                    zonder oplegging van enige straf of maatregel, kan aan de
                                    gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Lands kas een
                                    vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge
                                    van hem niet toe te rekenen tijdverzuim door het voorbereidend
                                    vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting
                                    werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.
                                    Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de
                                    verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een
                                    vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het
                                    geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel
                                    op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is
                                    toegelaten.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
                                    voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen
                                    ingevolge artikel 489, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">4.</lidnr><al>De artikelen 178, vijfde lid, en 648 tweede tot en met vierde
                                    lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">5.</lidnr><al>Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek
                                    overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn
                                    erfgenamen.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">650</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen
                                    ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de
                                    officier van justitie worden door de rechter-commissaris dan wel
                                    de officier van justitie begroot en aan de betrokken persoon uit
                                    's Lands kas vergoed.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft
                                    daarvoor een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">3.</lidnr><al>Artikel 648, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel status="goed"><kop><label>Artikel</label><nr status="officieel">651</nr></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>De datum van inwerkingtreding van deze landsverordening wordt
                                    vastgesteld in een landsverordening, waarin tevens het
                                    invoerings- en overgangsrecht van de onderhavige
                                    landsverordening worden geregeld.</al></lid><lid><lidnr status="officieel">2.</lidnr><al>Deze landsverordening kan worden aangehaald als Wetboek van
                                    Strafvordering.</al></lid></artikel></hoofdstuk></deel></regeling-tekst><bijlage status="goed"><kop><titel status="officieel">INHOUDSOPGAVE</titel></kop><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="34*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="33*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="33*"></colspec><tbody valign="top"><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE BOEK: STRAFVORDERING IN HET ALGEMEEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>1 - 8</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Legaliteitsbeginsel.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de
                                        rechter</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>10 - 14</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van
                                        strafbare</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>feiten.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>15 - 29</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schorsing van de vervolging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>30 - 37</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling door de raadkamer</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>38 - 42</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>43</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke
                                        beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>44</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Geheimhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>45</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL X</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beëdiging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>46</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE BOEK: DE VERDACHTE EN ZIJN RAADSMAN </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>47 - 56</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Begripsomschrijving</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>47</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechtskundige bijstand</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>48 - 49</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Zwijgrecht</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Kennisneming van processtukken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>51 - 54</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling binnen een redelijke termijn</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>55 - 56</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De raadsman.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>57 - 70</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>57 - 58</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Keuze van de raadsman</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>59 - 60</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Toevoeging van een raadsman</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>61 - 69</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 1. Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>61 - 64</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 2. Vervanging van de toegevoegde raadsman.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>65 - 66</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 3. Beroep inzake toevoeging</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>67</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 4. Kennisgeving van de toevoeging</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>68</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§ 5. Beloning en vergoeding van kosten</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>69</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de
                                        verdachte en de kennisneming van processtukken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>70</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE BOEK: ENIGE BIJZONDERE DWANGMIDDELEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>71</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Staandehouding en aanhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>72 - 75</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Betreden van plaatsen ter aanhouding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>76 - 77</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onderzoek aan lichaam en kleding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>78 – 79d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Ophouding voor verhoor</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>80 - 81</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>82</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inverzekeringstelling</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>83 - 91</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>92 - 118</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewaring</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>92 - 94</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevangenhouding en gevangenneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>95 -99</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gronden voor voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>101</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>tot voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>102 - 103</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>104</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Voorlopige hechtenis bij einduitspraken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>105 - 108</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ACHTSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het horen van de in voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>gestelde verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>109</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>NEGENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inhoud van de bevelen en hun betekening</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>110</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TIENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>111 - 118</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>119 - 154</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>119 – 119d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming door opsporingsambtenaren</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>of bijzondere personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>120 - 129</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING A</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De inbeslagneming op grond van artikel 119a</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>129a</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inbeslagneming door de rechtercommissaris</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>130 - 140</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>141 - 143</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>144 – 145a</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Vervallen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beklag over inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>150 - 154</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL X</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Binnentreden in woningen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>155 - 163</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Betreden van enkele bijzondere plaatsen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>164</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Handhaving van de orde ter gelegenheid van
                                        ambtsverrichtingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>165</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een
                                        huiszoeking</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>166</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XIV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aftappen van gegevensverkeer</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>167 - 174</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Opneming ter observatie</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>175 - 177</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XVI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafrechtelijk financieel onderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>177a – 177g</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL XVII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>178 - 182</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE BOEK: OPSPORINGSONDERZOEK, GERECHTELIJK VOORONDERZOEK
                                        EN DAARNA TE NEMEN BESLISSINGEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het opsporingsonderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>183 - 209</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De ambtenaren</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>183 - 197</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aangiften en klachten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>198 - 205</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Opgave als benadeelde partij</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>206</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beslissing omtrent al dan niet vervolgen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>207 - 209</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De rechter-commissaris belast met de behandeling van
                                        strafzaken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>210 - 220</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Benoeming en ontslag</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>210 - 212</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verrichtingen van de rechter-commissaris in het
                                        algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>213 - 220</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gang van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>221 - 274</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De vordering van de officier van justitie</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>221 - 225</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>226 - 235</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het verhoor van de verdachte</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>236 - 242</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het verhoor van de getuige</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>243 - 260</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bedreigde getuigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>261</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Deskundigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>262 - 271</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>272 - 274</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beslissingen omtrent al dan niet verdere vervolging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>275 - 283</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE BOEK: DE TERECHTZITTING</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste
                                        aanleg</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>284 - 292</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bezwaarschrift tegen de dagvaarding</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>293 - 298</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger
                                        beroep</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>299 - 301</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling ter terechtzitting</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>302 - 413</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepaling</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>302</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onderzoek van de zaak op de terechtzitting</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>303 - 373</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Benadeelde partij</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>374 - 380</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Bewijs</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>381 - 387</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beraadslaging en uitspraak</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>388 - 411</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Zaken ad informandum</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>412</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gevolgen van normschendingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>413</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Berechting van overtredingen in eerste aanleg</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>414 - 428</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ZESDE BOEK: RECHTSMIDDELEN </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>A. Gewone Rechtsmiddelen</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verzet tegen einduitspraken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>429 - 433</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep van vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>434 - 440</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Hoger beroep van beschikkingen: Bezwaarschriften</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>441 - 444</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Aanwenden van gewone rechtsmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>445 - 449</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>450 - 452</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>B. Buitengewoon rechtsmiddel</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Herziening van vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>453 - 475</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ZEVENDE BOEK: ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>476</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>477 - 478</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>477 - 478</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering in zaken betreffende personen, die</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>niet hebben bereikt</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>479 - 498</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL III</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van
                                        het</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van
                                        de</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>geestvermogens bestond</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>499 - 503</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IIIa</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering ter zake van ontneming van
                                        wederrechtelijk</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>verkregen voordeel</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>503a – 503g</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IV</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verschoning en wraking van rechters</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>504 - 515</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL V</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Samenwerkingsverbanden</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>516 - 520</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VI</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Strafvordering buiten het rechtsgebied van de Nederlandse
                                        Antillen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>521 - 544</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>521 - 526</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>527 - 540</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verplichting van de schipper</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>541 - 544</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare
                                        orde</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>545 - 554</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL VIII</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Internationale rechtshulp</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>555 - 567</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>555 - 565</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>566 - 567</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL IX</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>568 - 604</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>568 – 574</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>A.Voorlopige maatregelen tot vrijheidsontneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>575 - 579</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>B.Inbeslagneming</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>579a – 579f</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>580 - 593</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§1.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling van buitenlandse verzoeken tot
                                        tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>580 - 581</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§2.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Behandeling van Nederlands-Antilliaanse verzoeken tot ten
                                        uitvoer legging in de Nederlandse Antillen van in een
                                        vreemde staat opgelegde</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>sancties</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>582</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§3.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gerechtelijke procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>583 - 592</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§4.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Buitengerechtelijke procedure</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Geldboeten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>592a – 592d</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Onmiddellijke tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>593</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overdracht van de tenuitvoerlegging van</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Nederlands-Antilliaanse rechterlijke beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>594 - 600</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§1.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Van de Nederlandse Antillen uitgaande verzoeken.</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>594 - 596</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§2.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tot de Nederlandse Antillen gerichte verzoeken</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>597 - 598</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>§3.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Overbrenging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>599 - 600</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Slotbepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>601 - 604</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col3" morerows="0" rotate="0"><al>ACHTSTE BOEK:TENUITVOERLEGGING EN KOSTEN</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL I</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>605 - 647</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>EERSTE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>605 - 608</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TWEEDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Uitvoerbaarheid van beslissingen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>609 - 617</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>DERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Tenuitvoerlegging van bevelen tot </al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>618 - 635</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIERDE AFDELING</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Rechtsgeding tot herkenning van</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>veroordeelden of van andere gevonniste personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>636 - 641</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>VIJFDE AFDELING Wijze van kennisgeving van
                                        gerechtelijke</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>mededelingen aan natuurlijke personen</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>642 - 647</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>TITEL II</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Kosten</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>648 - 651</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>